Klaus Modick
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 726 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

9 maart 2022 Concert zonder dichter
“Concert zonder dichter” wordt verteld in drie hoofdstukken, die ieder “gebeuren” op drie opeenvolgende dagen. Waar dat mogelijk is, zal ik de tekst aanhalen, zodat meteen Modick’s bijzondere vertelstijl duidelijk wordt.
Hoofdstuk één vindt plaats in Worpswede, Nedersaksen, op 7 juni 1905. Het hoofdpersonage, Heinrich Vogeler, ontwaakt in een huis, het befaamde Barkenhoff, waarin alles wat hem omringt, door hem zelf is ontworpen: een “Gesamtkunstwerk“.
Klaus Modick beschrijft het zo: “In het ganse huis, van de nok tot de wijnkelder, is er geen vertrek en bijna geen object dat hij niet bewerkt en gevormd heeft. De dingen zijn zo neergezet en opgesteld dat ze zich schikken naar zijn voorstellingen en ideeën, zijn fantasieën en wensen.” Binnen wat een hoogtepunt is van de mede door hem ontwikkelde Jugendstil: een  pronkstuk op gebied van  de interieurkunst met feeërieke, elegante en uiterst ingewikkelde versieringen, een harmonieus , overweldigend kleurenspel van bruin, rood en goud, aan de muren een lambrisering van gepolijst hout, in gelijke vlakken verdeeld door pilasters met daartussen ronde bogen van Kaukasisch notenhout, ingelegd met licht berkenhout en nachtzwart ebbenhout, de kapitelen van de pilasters gemaakt van verguld brons, daarboven een wandbekleding van geperst leer in de kleuren rood en goud, plus een fraai  gesneden en vergulde tafel met dito stoelen, deuren, plafond en muren versierd met intarsia, bronzen lampen, kunstig versierde vensterrasters en messing platen voor de marmeren openhaard. En overal ontvouwen zich de bloemmotieven en fantasievol ontworpen pauwen en reigers met golvende veren, die hij heeft ontwikkeld in zijn tekeningen, grafische werken en schilderijen. Het geheel moest een soort beeldhouwwerk worden dat je kunt betreden en bewonen, een ruimte waarin zelfs het kleinste detail Vogeler’s handtekening draagt. Een betoverende ervaring.” Je kan je moeilijk een betere beschrijving voorstellen van een aspect van “Jugendstil”, waarbij een ganse woning het kunstwerk wordt. Vogeler is trouwens bezig met nog een dergelijke creatie die de decoratie in Jugendstil zal inhouden van de “Güldenkammer” in het Stadhuis, een ruimte naast de grote Raadszaal.
De volgende dag, 8 juni zal hij de “Goldene Medaille für Kunst und Wissenschaft” ontvangen uit de handen van de Groothertog zelf, voornamelijk voor het schilderij waar hij vijf jaar aan gewerkt heeft: ”Das Konzert oder Sommerabend auf dem Barkenhoff.”
Het schilderij, één meter vijfenzeventig hoog en drie meter breed, stelt een groep mensen voor waarvan sommigen met een muziekinstrument, die zich voor het Barkenhoff bevinden en waarvan de meesten deel uitmaakten van de kunstenaarskolonie Worpswede, ( onder andere het echtpaar Vogeler zelf, de dichter Rainer Maria Rilke, diens vrouw, de beeldhouwster Clara Rilke-Westhoff, Otto Modersohn, Paula Modersohn-Becker schilder, getrouwd met Otto Modersohn en nog enkele gasten. Realistisch, tot in het uiterste detail geschilderd en natuurlijk weer met de concepten van de Jugendstil in gedachte. Het intrigerende in het schilderij is dat er tussen Paula en Clara “iemand” eerst geschilderd werd, dan uitgewreven, weer teruggezet en weer verwijderd. Wie ontbreekt is “dat raadselachtig, vroegrijp genie die met zijn woorden en blikken de harten van vrouwen doet smelten, de dichter die zijn gedichten zo voordraagt dat ze klinken als toverspreuken of als gebeden.” Dat vroegrijpe genie is Rainier Maria Rilke een van de flankerende dames is de vrouw van zijn vriend. “De  frêle, feërieke vrouw die hij keer op keer heeft geschilderd, die als koningin in het land van het Schone heerste en straalde als een uiterst kostbaar sieraad: de etherische, dromerig naar onbestemde verten starende “vrouwe van de Barkenhoff.”
Voor deze “grote” dichter is kunst werk en inspanning en hij is altijd met gedichten bezig. Rodin en Tolstoi zijn zijn goden. Hij heeft vrouwen nodig maar in feite houdt hij niet van hen. Hij is heel bewust narcistisch en egoïstisch:  “Herinneringen ben ik eeuwig trouw, maar met mensen en vrouwen is dat zo niet.” In dit boek maakt hij geen goede beurt en je kan er met moeite het genie in terugvinden. Ook de aangehaalde gedichten zijn dikwijls niet van het gehalte dat je zou verwachten van  een genie. Of misschien is de vertaling ervan niet bijzonder geïnspireerd?
Nog een thema in het boek is de vervreemding die optreedt tussen Vogeler en Rilke, die elkaar ooit in Florence leerden kennen en jarenlang goede vrienden waren, zielsverwanten zelfs. Vervreemding die natuurlijk wel de reden zal geweest zijn voor het aan-af optreden van Rilke op “het Concert”. Waarom die vriendschap verkoelt, weten we niet echt, maar het valt wel gemakkelijk te raden. We komen ook te weten dat Rilke over Vogeler en diens kunst vertelde en wat  zich dan van mond tot oor verder verspreidde en ook hem bereikte: “De kunst van Vogeler is niet meer dan decoratieve rommel zonder enige diepgang, zijn werk wordt steeds onzekerder, verliest voortdurend aan zeggingskracht en berust volledig op onverwachte invallen die hem van de dingen vervreemden en de diepe ernst waar het toch allemaal om draait, heeft hij eigenlijk nooit gevoeld. Vogeler schijnt zich daar niet bepaald erg aan gestoord te hebben, want eigenlijk is dat de conclusie waar hij zelf toe gekomen is. Op het hoogtepunt van zijn kunde en roem, loopt hij er eerder verwezen bij.  Zijn huwelijk wankelt, het geloof in zijn eigen kunstenaarschap wankelt, samen met een ontnuchterende kijk op de kunst die hij koopwaar ziet worde. Deze ontheiliging is verpersoonlijkt in de gedaante van de Breemse kunstopkoper Roselius die lustig de streek afschuimt, de slogan “kinderen, kinderen, jullie weten niet hoe goed jullie het hebben” rondslingert en gul geld, champagne en andere hoeveelheden luxeartikelen uitstort in ruil voor nog grotendeels ongekende kunst, zo gul, dat geen enkele kunstenaar er kan aan weerstaan. Het ongenoegen dat zich in hem roert is een voorgevoel van zijn latere “bekering” tot het communisme en zijn ongelukkige verhuis naar de Sovjet Unie.
Op weg naar de prijsuitreiking stoppen ze bij de Rilkes. Het contrast tussen de levensomstandigheden van de twee vrienden kan niet groter zijn. Hun woonst: “De helft van een eenvoudige boerderij met een voormalige schaapskooi die zo was opgeknapt dat die als atelier voor Clara kon fungeren”. Waar schrijver dan toch meteen een borstelstrook atmosfeer op plakt: “dichte klimop overwoekerde de voorgevel en gaf het huis een soort diepzinnige, tot nadenken stemmende aanblik”. Want Clara is beeldhouwster en Klaus Modick weet ook haar werk, subtiel en met weinig woorden vorm te geven. Zij is een beduidende kunstenares uit die groep, en ze bekleedde tot tamelijk recent niet de plaats die haar toekomt in het denken over Jugendstil. Net zoals Paula, van wie een tentoonstelling toen totaal genegeerd werd of van schampere commentaar voorzien. Haar schilderijen zijn verrassend sterk en expressief en houden in onze ogen eigenlijk gemakkelijk stand tussen de werken van de “groten” uit die tijd. Gauguin, Seurat, Van Gogh, Matisse, Rodin.
Wat Klaus Modick zo knap doet is bijna ongemerkt een cursus geven over een periode in de kunst: De Jugendstil of Art Nouveau, die in navolging van de “Arts and Crafts” met Ruskin, Morris, Beardsley die reageerde op de Industriële revolutie. “Art Nouveau” wordt in Europa, hier dan weer als reactie op het impressionisme een vorm van “totaalkunst” waar ieder detail in een decor deel van uitmaakt, ook gebruiksvoorwerpen zoals glaskunst, boeken, plateel, sieraden, meubels, kleding. De architectuur, schilderkunst en zelfs, zoals Klaus Modick beschrijft in het begin van het boek, de aanplantingen in de tuin. De stroming kende een korte maar hevige bloeitijd en kenmerkte zich met een Jugendstilornament, samengesteld uit motieven die gewoonlijk asymmetrische composities vormen met een tweedimensionaal karakter, zoals men dit ziet op meubels, sieraden, lampen, bedrukte stoffen enz. De belangrijkste inspiratiebron van deze kunststroming is de natuur. De motieven zijn vaak langstelige, gracieus gestileerde planten en bloemen (lelies, kelken, irissen, papavers, rozenknop), vogels (zwanen, pauwen), libellen, de eivorm, wolken-, water- en rotspartijen, vaak gecombineerd met slanke vrouwengestalten. Schrijver maakt handig gebruik van het feest en de maaltijd in het verhaal om Jugendstil te introduceren tot in de kleinste details, er een  lofzang over af te steken en ondertussen toch subtiel de verhoudingen tot leven te brengen tussen de mensen die in dit verhaal in scène komen en de kern van de Jugendstil vertegenwoordigen.
“Concert zonder dichter” is een eigenaardig boek, dat zich zo onopvallend voordoet dat je – zelfs na een goede brok gelezen te hebben - niet goed kan begrijpen dat het in Duitsland tussen 2015 en 2019 vier herdrukken kent. Maar dan begin je te ervaren hoe subtiel, precies en gedoseerd Klaus Modick de resultaten van een indrukwekkend volume aan opzoekingswerk gracieus toevallig inlast in de gang van een verhaal dat daardoor korter aanleunt bij een informatief essay dan bij een roman. Je gaat je niet – zoals in een roman -  vereenzelvigen met een centrale figuur en met hem meeleven. Maar aan de andere kant schrijft de auteur met zoveel warme, enthousiaste kennis over de protagonisten en vooral het verschijnsel Jugendstil, dat het zeker geen non fictie kan genoemd worden. Een “verhaal” dat op kousenvoetjes intelligent,  indrukwekkend en “af” is. Zoals je kon lezen in de beschrijving hierboven die hij geeft van de Jugendstil, zoals beoefend door Vogeler. En nog duidelijker als je sommige korte beschrijvingen in de tekst gaat vergelijken met de schilderijen waarop schrijver zich gebaseerd heeft en je kan vaststellen met welke schaarse middelen hij de essentie van dat schilderij perfect heeft weten weer te geven.
“Ze droeg een onder de boezem licht getailleerde, los vallende reformjurk van wit linnen waaronder haar zwangere buik zich reeds aftekende, wat ze zelf nog eens accentueerde doordat ze vlak boven de welving haar handen als in gebed gevouwen hield”.
“Terwijl de zon nu laag en rood door berken- en eikenloof vlamde en de schaduwen langer werden”. “Een stilleven in witte en zilvergrijze tinten, een tafelkleed, een glas, een fles. Het diepe zwart van een koekenpan met warmgele spiegeleieren. Daaronder het  koude geel van een doormidden gesneden citroen.”
“Eenvoudig. Eerlijk. Helder”.
Zoals het boek, maar dat baadt daarenboven in de gedempte warmte van een avonddeemstering. En de vermoeide oud goud kleur van verraderlijke muntstukken.

Victor De Raeymaeker
Klaus Modick
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies