• |
Dennis Vanden Auweele
Dirk De Schrijver
Non-fictie

Waardering boekreview

13 juni 2019 Bekentenissen van een afvallige atheïst
De auteur is een alumnus van de Katholieke Universiteit Leuven die een doctoraat schreef over hoe godsdienst in de loop van de jaren geëvolueerd is. Deze historische achtergrond neemt hij mee doorheen het hele boek, maar dit belet hem niet om ook zijsprongen te maken op de domeinen van de filosofie, de ethica en de theologie (en soms theologisch uit te glijden zoals hij zelf zegt). Hij is jong (°1986), momenteel postdoctoraal vorser aan de KU Leuven en ook docent godsdienstfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Hij is tevens een zelfverklaarde ex-atheïst die hierop steunt om zowel over godsdienst als atheïsme te schrijven. Wie, zich baserend op de titel van de monografie, verwacht een getuigenis te lezen over een persoonlijk parcours van de auteur in de zin van “van gelovig naar atheïst en terug”, zal allicht ontgoocheld worden. Deze ‘afvallige’ licht ons slechts in zijn inleiding op een hoogst summiere manier in over wat atheïsme ooit voor hem inhield of betekende. Wat hij ervan overgehouden heeft, komt erop neer dat atheïsme zowel intellectueel als moreel verwerpelijk is.

In enkele inleidende beschouwingen belicht de auteur verschillende aspecten van religie zoals ze deel uitmaakten en uitmaken van het verleden en het heden van onze maatschappij. Religie – godsdienst – geloof worden hierbij geïntroduceerd en gedifferentieerd. Religie bestrijkt de universele menselijke ervaring. Godsdienst is de historisch contingente en veranderlijke invulling en verklaring van deze ervaring. De introductie van dit distinguo wordt jammer genoeg niet steeds consequent volgehouden. Dit kan soms tot verwarring leiden terwijl ook zijn soms Jezuïtische manier van redeneren moeilijk glashelder kan genoemd worden.
De facto gaat een groot deel van zijn beschouwingen over de katholieke kerk waarvan hij niet ontkent dat een aantal episodes niet erg glorieus waren, en hij aarzelt dan ook niet om zich soms kritisch op te stellen. Zijn beschouwingen hierbij zijn tezelfdertijd polemisch en defensief. Toch doet dit volgens hem niets af aan de essentie; deze ligt in de vaststelling dat een religieus gevoel steeds aanwezig zou zijn in de mens, overal en altijd, zelfs in het atheïsme.
Voor Vanden Auweele, die op zoek gaat naar de diepgang over religie en geloof, ligt de essentie in wat hij noemt ‘de religieuze ervaring’. Hij kan deze niet omschrijven, niet beschrijven en nog minder definiëren, zelfs al gebruikt hij hiervoor allerlei moeilijke constructies. Over deze religieuze ervaring poneert hij wel dat ze ‘een belangrijkere rol speelt dan de cognitieve elementen van het geloof’ en dat ze dus immuun is voor kritiek uit die hoek. Dirk De Schrijver
Opmerkelijk is wel dat in de uitgave de hele tijd door het bestaan van religie in de mens gesitueerd wordt als een soort immanente evidentie. Over de antropologische, door vergelijkend onderzoek gestaafde visie dat het de mens is die god en de daaraan verbonden rituelen gecreëerd heeft, wordt niet gerept.
Dan richt hij zijn aandacht op het atheïsme. Om te beginnen heeft hij het moeilijk met de term zélf. Daarbij beweert hij ook dat vele anderen die mening delen. Vervolgens poneert hij stellingen, zowel inhoudelijk als epistemologisch, waarop hij dan verder bouwt. Om te beginnen poneert hij dat het atheïsme parasitair is geweest op geloof, gezien de anterioriteit van theïsme op atheïsme. Daarop baseert hij zich vervolgens om te stellen dat het de taak van het atheïsme (als posterieure antibeweging) is om aan te tonen dat de theïst ongelijk heeft. Hij stelt botweg: ‘de bewijslast ligt bij de atheïst’. Hijzelf legt vervolgens een aantal ‘bewijzen’ op tafel die hij onder andere haalt uit de mond van door hem geïdentificeerde atheïsten zoals Nietzsche en Schopenhauer. Veel krediet krijgen deze filosofen echter niet. Er zou een en ander ontbreken in hun beschouwingen.

Verder gaat zijn aandacht naar enkele verwante thema’s, namelijk het probleem van het kwade, zelfmoord, weerstand/verzet tegen onderdrukkend dogmatisme en ideologische bekrompenheid, met als sluitstuk van het boek een hoofdstuk over genade, vergiffenis en dankbaarheid.
Zijn behandeling van het fenomeen van het kwade speelt zich voornamelijk af in speculatieve sferen waar begrippen als ‘transcendente dimensie’, ‘verlossing’, ‘mysterieus’, alsook de ‘Seinsvergessenheit’ van Heidegger naast elkaar opgevoerd worden. Soms doet zijn redenering “etherisch” aan (om de woorden van de auteur zelf te gebruiken).
Zelfmoord is geen nieuw probleem in de geschiedenis. De opkomst van het christendom heeft wel voor eeuwen een stempel gedrukt op de manier waarop onze maatschappij tegen het fenomeen aangekeken heeft. Daar is mettertijd verandering in gekomen. Vandaag, stelt de auteur vast, is het standpunt ten opzichte van zelfmoord onthullend voor het verschil tussen religieuze en atheïstische manieren om de wereld ideologisch te beleven. In het essay worden vervolgens enkele theologische argumenten afgewogen aan niet-christelijke visies. Daarbij wordt ook verwezen naar de moderne realiteit waar zelfmoordcijfers gelinkt worden aan levensstijl en pathologieën (depressies enz.), maar op het einde van de rit valt het verdikt: het was allemaal vermijdbaar geweest mits wat meer religie. Binnen de huidige maatschappelijke context kan immers geen hechte band ontstaan. Daarvoor heeft men een gezamenlijke beleving nodig, een gezamenlijk doel. Daarvoor heeft men religie nodig (sic).
Het hoofdstuk met als titel ‘Bied weerstand’ behandelt als thema “religie als wapen tegen dogmatisme”. Dergelijke titel doet op het eerste gezicht vrij seculier aan. Op zijn minst omdat de auteur hier de hand schijnt te reiken aan wat hij tot nog toe als weinig sympathiek afschilderde, namelijk het atheïsme. Hier luidt zijn statement plots “verzet zit ingebakken in zowel religie als atheïsme”. En ook: “Een religie en atheïsme van verzet zijn de krachtige ideologische wapens tegen onderdrukkend dogmatisme en ideologische bekrompenheid”. De volgende bladzijde neemt hij al onmiddellijk gas terug wanneer hij stelt dat religie een blik werpt op iets dat gaande is onder, tussen en boven de wereld. Daar valt de wereld van de atheïsten buiten, want het christendom is volgens Vanden Auweele in essentie een engagement met deze wereld wegens iets dat deze wereld overschrijdt, dat niet toelaat dat mensen louter in het heden leven. Deze beweringen staaft hij vervolgens met argumenten uit het zuiver christelijk referentiekader. Ook in dit discours kan een atheïst hem moeilijk volgen, laat staan bijtreden.

In het laatste hoofdstuk, waarin de auteur begrippen zoals genade – vergiffenis – dankbaarheid – het heilige en dergelijke opvoert, wordt de lezer betrokken bij bijna zuiver theologische disputen. Het hoofdstuk situeert zich volgens de auteur “tussen pure ethiek en religie’. Hier verzanden we eigenlijk in pure godsdienstfilosofie. Om zijn redenering(en) te (kunnen) volgen, is het wellicht nuttig om ingewijd en deelachtig te zijn aan zoiets als mysterieuze mysteries. Daarvan is een atheïst uitgesloten, want die kan blijkbaar niet anders dan een monotoon en ongeïnspireerd leven van ressentiment en hapklare (zelf)bevrediging lijden (sic).

In een kort, afsluitend ‘uitgeleide’ wordt tenslotte nogmaals gesteld ‘dat er iets aan godsdienst is dat aantrekkelijk blijft ondanks de associatie ervan met allerlei wandaden, onheil en intolerantie’.
_BESPREKING
Er lijkt de laatste tijd bij enkele jongere filosofen (ook met islamitische achtergrond) een neiging te bestaan om zich vooral tegen het atheïsme te keren en in één moeite door de Verlichting en aanverwante maatschappelijke fenomenen op de korrel te nemen. Wat is de reden van een bijna panische schrikreactie tegenover atheïsme, atheïsten en seculariteit? Waarom deze paranoïde reacties bij mensen die aan een of ander geloof verbonden/gebonden zijn om zich zo agressief op te stellen? Het amateurisme en de krampachtigheid waarmee dat gebeurt is soms ontmoedigend. Temeer dat dit al-dan-niet verdoken neerkomt op een zich afkeren van positivisme, rationalisme en wetenschap en soms zweemt naar een terugkeer naar obscurantisme en spiritualisme.

Ook Vanden Auweele behoort hiertoe met zijn opstelling in het debat. Hij voert het debat alsof het om een strijd gaat tussen atheïsme en anti-atheïsme waarbij hij zich vooral geroepen voelt om zich tegen aanvallen vanuit het atheïsme te verdedigen. Hierbij schuift hij het atheïsme allerlei denkbeelden in de schoenen die doen vermoeden dat hij het beschouwt als een soort kerk en vooral als één die het christendom aanvalt en dus zijn vijand is. Wat hij het atheïsme allemaal toeschrijft en verwijt laat eerder vermoeden dat het probleem zich vooral in zijn hoofd bevindt.
Religie wordt door anti-atheïsten gezien als iets dat volledig buiten de maatschappelijke ontwikkelingen zou staan. Opmerkelijk is de onwetendheid (of is het ontkenning?) dat historische, politieke en sociologische factoren determinerend zijn geweest voor de evolutie van het hedendaagse denken rond god – religie – geloof – wereldbeeld – mensbeeld in onze maatschappij. In dit denken is weinig ruimte voor een rechtstreekse of onrechtstreekse interventie van een god.

Ontkenning/onwetendheid hiervan/hierover houdt tevens een miskenning in van het belang van het fenomeen macht en machtsmisbruik, nochtans steeds inherent aan de positie die religies in de maatschappij bezetten. Daardoor werden religies steeds gevaarlijker, zowel voor de maatschappij (waarvan zij denken en handelen beheersten) als voor de individuele burger wiens psychologisch evenwicht niet zelden een leven lang verstoord kan worden.

Inhoudelijk is het boek weinig relevant, de structuur is ongenietbaar, en het geheel is moeilijk leesbaar en weinig toegankelijk voor mensen die niet meestappen in het religieuze (vooral christelijk geïnspireerde) betoog. Het gebruik van een dikwijls hermetisch jargon uit de godsdienstwetenschappen maakt inleving in de tekst ook niet gemakkelijker…
De gehanteerde epistemologie doet eveneens vragen rijzen. De auteur doet uitspraken van speculatieve/metafysische orde wanneer hij het heeft over ‘transcendente dimensie’ en ‘mysterie’. Hij doet de uitspraken alsof ze wetenschappelijk zijn daar waar ze volgens hem tezelfdertijd verwijzen naar een domein dat volgens hem niet voor wetenschappelijke vorsing vatbaar is.
Zelfs Augustinus wordt van stal gehaald én aan diens uitspraken wordt door Vanden Auweele ook voor vandaag waarheidswaarde toegekend.
Het toekennen van wetenschappelijkheid aan deze stellingen doet de vraag rijzen of Vanden Auweele wel begrepen heeft dat wetenschap een proces van zoeken is beoefend door vrijdenkende mensen. Ook het opvoeren en gebruiken van kleine verhaaltjes (vertelselkes!) met zuiver anekdotische waarde uit de bijbel, uit de biografie van bekende figuren of zelfs uit het leven van de schrijver zélf, doet de wenkbrauwen fronsen. Wanneer ze dan ook nog leiden (als een soort ‘ex uno disce omnes’) tot grote conclusies en veralgemeningen, wordt er wel degelijk een loopje genomen met de academische epistemologie.
_Tot besluit
Deze monografie levert opnieuw een bewijs dat het quasi onmogelijk is om argumentaties en redeneringen te volgen die elementen inroepen en gebruiken die behoren tot een of andere metafysische, hogere, niet-zintuiglijke en erg individuele denkwereld van sommige groepen of mensen. Caveat! Deze monografie mag geenszins beschouwd worden als een geschrift dat de hand wil reiken aan andersdenkenden. Oecumenisch ingestelde tolerante personen/groepen zouden zich kunnen laten verleiden door het gebruik van een term als ‘niet-dogmatische religie’, maar dergelijke uitdrukking is gewoonweg misleidend en wordt dan opnieuw onmiddellijk door de context ‘recht’ getrokken.

Tenslotte nog een biografische en bibliografische opmerking.
Uit de ‘noten’ blijkt onmiskenbaar dat de auteur heel wat kennis opgedaan heeft bij auteurs van verschillende horizonten.
Zijn ‘leeslijst’ daarentegen is duidelijk beperkt gehouden. Sommige van de erin opgenomen auteurs behoren volgens Vanden Auweele tot ‘de meest vooraanstaande denkers’ en ‘meest vooraanstaande filosofen’. Bij een andere naam wordt dan weer vermeld dat het gaat om ‘een middelmatige academicus’. Deze beoordelingen uit de pen van een 33-jarige die ergens in zijn betoog terzijde opmerkt dat Kant (die toen een prille dertiger was) nog niet tot zijn volle rijpheid was gekomen toen hij zijn eerste traktaten schreef, mogen dan ook evengoed én terecht over de schrijver van de hier besproken ‘bekentenissen’ worden gemaakt.
Dennis Vanden Auweele
Dirk De Schrijver
Non-fictie
recensent
_Dirk De Schrijver recensent
Meer van Dirk De Schrijver

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies