Guido Vanheeswijck
Karel D'huyvetters
Non-fictie
  • 489 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

10 juli 2022 Tegendraadse beschouwingen. Op zoek naar houvast in een verandering van tijdperk.
De auteur is emeritus-hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven, waar hij tot voor kort filosofie doceerde. In zijn dankwoord aan het einde van dit essay vermeldt hij dat het structureel gebaseerd is op de inleidende cursussen filosofie die hij gaf voor studenten van verscheidene faculteiten, en op een tekst uit 1997 over het ‘Christendom in een postmoderne tijd’. Dat verklaart veel, maar het is geen excuus voor wat eraan voorafgaat.
Van een zo ervaringsdeskundige inleider in de westerse filosofie zou je inderdaad een toegankelijk maar degelijk exposé mogen verwachten over dat klassieke maar o, zo belangrijke onderwerp, niet alleen voor eerstejaars in het hoger onderwijs, maar voor elk van ons. Wie echter op zoek is naar een dergelijke introductie zal hier bedrogen uitkomen. De docent filosofie wordt hier voortdurend voor de voeten gelopen door de christelijke apologeet. Er moeten heus wel overtuigde christenen zijn die als universiteitsprofessor in staat zijn om even onbevangen filosofie te doceren als wiskunde, astronomie of rechten, maar onze auteur behoort niet tot die begenadigde uitzonderingen. Katholieke instellingen van hoger onderwijs laten zich helaas weleens verleiden om veeleer te rekruteren op grond van christelijke overtuiging en engagement dan op louter academische kwalificaties en wetenschappelijke integriteit. Dat wreekt zich meestal vroeg of laat, maar altijd met verregaande en langdurige gevolgen, wegens het systeem van de vaste benoeming. Zo worden generaties studenten, vooral zij die niet staan te springen om een cursus katholieke levensbeschouwing op te nemen in hun studiepakket, niet alleen beladen met religieus geïnspireerde ideeën, maar wordt hun een niet-vooringenomen benadering onthouden van wat nooit religieus zou mogen worden geduid of verklaard, namelijk filosofie.
Dit gelukkig niet al te uitvoerige essay (158 bladzijden) is een vreemd allegaartje. Je krijgt wat Plato en Aristoteles, maar wat zij precies gezegd hebben en wat ze daarmee bedoelden, daar heb je het raden naar: ik daag om het even wie uit om op basis van deze hoofdstukken uit te leggen wat het verschil is tussen deze beide filosofen, en tussen hen en bijvoorbeeld Descartes, Leibniz en vooral Spinoza, allen auteurs die herhaaldelijk vermeld worden, maar meer dan namedropping is dat helaas niet. Het wordt helemaal raar wanneer de auteur zijn eigen indelingen gaat maken. Zo meent hij dat men de klassieke oudheid best mag samenvoegen met de christelijke oudheid en de middeleeuwen: één pot nat, blijkbaar. Hij legt zijn grote cesuur bij de pestepidemie rond 1350, die op haar eentje verantwoordelijk zou zijn voor een totale ommekeer, een verandering van wereld-, mens- en godsbeeld. Deze driedeling is trouwens een van zijn erg artificiële methodologische benaderingen, die al dan niet complexe zaken echter veeleer nog complexer maken dan ze te verduidelijken. Het nominalisme, een theologisch-filosofische stroming uit de tweede helft van de middeleeuwen, wordt plots de insteek om niet alleen de vermelde cesuur te verantwoorden, maar om het hele verdere verloop van de ideeëngeschiedenis, tot op onze dagen, ten gronde te verklaren.
Tussendoor komt Nietzsche ons de dood van God verwijten, mag Laplace zijn woordje placeren, wordt Spinoza met één nietszeggende zinsnede weggezet, en wordt over premodernisme, modernisme, postmodernisme, deconstructionisme, woke, klimaat, neoliberalisme en dies meer gepraat, maar altijd zonder enige diepgang of samenhang. Zelfs Bart De Wever ontbreekt niet, evenmin als Greta Thunberg.
Dat is het grote manco van dit essay: het zijn geen tegendraadse beschouwingen, maar draadloze. Je draait de bladzijden om, op zoek naar een rode draad, maar die blijkt de auteur vergeten te zijn, ook in het tweede deel, dat handelt over de hedendaagse westerse cultuur, en als ondertitel een van de vele retorische vragen van onze auteur heeft: is er een houvast in een verandering van tijdperk? Retorisch, want een antwoord heeft de auteur niet. Wat we wel krijgen is het napraten van een aantal christelijke coryfeeën en mindere goden, waarbij het vaak onduidelijk is of we nu citaten lezen, dan wel samenvattingen of commentaren. Deze talrijke passages zijn niet meer dan schaamlapjes voor een even manifest als acuut gebrek aan oorspronkelijke ideeën van deze auteur. Mocht hij zijn christelijke overtuiging, die hij blijkbaar wel degelijk heeft, indien niet met brio, wat misschien wat veel gevraagd is om intrinsieke redenen, dan toch met enig animo naar voren gebracht hebben, dan zou men dat nog kunnen appreciëren, ook als men er niet wild van wordt. Nu geldt het Bijbelwoord: Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. (Mat. 5:13) Of nog: Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. (Openbaring 3:15-16)
Ten slotte: in zijn overzicht van onze beschaving is deze auteur erin geslaagd om op geen enkel moment ook maar één woord te zeggen over de essentie van wat hem het meest ter harte gaat: religie, of godsdienst. Wat hij met ‘God’ bedoelt, komen we niet te weten, hoewel die op elke bladzijde verschijnt. Nergens maakt hij de analyse van het godsidee, nergens bespeuren we ook maar een vermoeden van inzicht in de constructie van het godsbeeld vanuit het menselijke streven naar macht, rijkdom en straffeloosheid. Mensen hebben niet met God te maken, aangezien die niet bestaat, maar met godsdienst, Kerken en bedienaars van de eredienst, die hun eigen agenda hebben.
Ach, waarom maak ik me druk? Dit essay is evident niet geschreven voor mensen zoals ik, en men zal me ongetwijfeld als vooringenomen wegzetten. Ik heb het enkel uitgelezen (echt waar, helemaal!) en gerecenseerd om anderen te waarschuwen: laat je niet verleiden door de (onder)titel. Anders was het al halfweg het eerste hoofdstuk in de prullenmand beland. Wat de waardering in sterren betreft, zal ook deze knecht niet meer zijn dan zijn Meester (Mat. 10:24-25; Joh. 13:16-17). Die kreeg boven de stal in Bethlehem één enkele ster (Mat. 2:9-10).

Karel D’huyvetters
Guido Vanheeswijck
Karel D'huyvetters
Non-fictie
Karel D’huyvetters (°1946) legt zich toe op de geschiedenis van het atheïsme en het antiklerikalisme. Van hem verschenen Nederlandse vertalingen van de belangrijkste werken van Spinoza, met uitvoerige commentaren. Hij onderhoudt een website over Spinoza en een persoonlijke website.
_Karel D'huyvetters -
Meer van Karel D'huyvetters

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies