• |
Martin Schoups & Antoon Vrints
Dirk De Schrijver
Non-fictie

Waardering boekreview

18 maart 2019 De overlevenden. De Belgische oud-strijders tijdens het interbellum.
Wanneer op 11 november 1918 een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog bleek dat van de 360.000 Belgische soldaten er 320.000 de vier jaar durende oorlog hadden overleefd. De overlevenden sloten op dat moment een periode van hun leven af als militair, maar dit betekende geenszins dat ze de daarop volgende periode zouden aanvangen op basis van een tabula rasa. Het tegendeel is waar.
De oorlog zou zowel op hun individuele als op hun collectieve psyche blijven wegen. Fysiek hadden zij de oorlog overleefd, maar als “overlevers” konden en wilden zij niet gewoon hun plaats van voordien in de maatschappij opnemen. Zij waren niet meer dezelfde jongens die vier jaar eerder vanuit het burgerleven de oorlog waren ingetuimeld. Door hun ervaringen in de loopgraven hadden zij een soort politiek zelfbewustzijn en mondigheid verworven. Maar ook de burgermaatschappij had intussen een eigen stuk geschiedenis doorgemaakt. En ook dat was niet allemaal rozengeur en maneschijn geweest. Met deze erfenis stapten de overlevenden, soldaten en burgers het interbellum in. Hoe dit verder verliep maakt het studieobject uit van het hier besproken boek.
De auteurs, Martin Schoups en Antoon Vrints, historici aan de Gentse universiteit, hebben zich hierover gebogen. De gebruikte methodologie bestond uit het nauwkeurig analyseren van de belangrijkste kranten van die periode, het nalezen van de beschikbare politierapporten, het bestuderen van de publicaties van de verschillende oud-strijdersorganisaties alsook het consulteren van de vele beschikbare dagboeken. Uiteraard onderzochten zij eveneens wat er over de gelijkaardige problematiek gepubliceerd was in de andere ex-oorlogvoerende landen. Dit bracht hen tot het opstellen van een leesrooster dat toelaat de verschillende rollen die oud-strijders in de politieke geschiedenis van België vervuld hebben, te duiden - namelijk deze van bevrijders, wrekers, schuldeisers, bewakers van de vrede en tenslotte hoeders van het vaderland. Let wel: het zijn de auteurs die hen deze rollen toeschrijven en ze erkennen daarbij dat deze in zekere mate arbitrair zijn.
_Bevrijders en wrekers
Chronologisch was hun eerste rol als bevrijders de meest voor de hand liggende. Alle maatschappelijke geledingen van de bevolking hadden in de eerste periode na het einde van de oorlog een soort consensus opgebouwd en onderhouden omtrent het belang van openbare feestelijkheden voor de teruggekeerde ‘helden’. Er is dus heel wat gevierd en geëerd in de eerste fasen na de terugkeer. Hier en daar waren er enkele contrapunten en valse noten van mistevredenen te signaleren, maar grosso modo speelden alle partijen hun rol op een voortreffelijke manier.

Een aantal van die mistevredenen gingen zich vervolgens wel explicieter manifesteren. Zij zouden zich tot wrekers ontpoppen. Zij, die vier harde jaren aan het front hadden meegemaakt, kwamen dikwijls in een erg precaire materiële situatie terecht; terwijl zij die de oorlogsjaren achter de linies hadden doorgebracht, in de ogen van de strijders althans, een eerder aangenaam leven hadden geleid en zich zelfs in een aantal gevallen hadden weten te verrijken. De soldatenwoede spitste zich in de eerste plaats toe op deze materiële “profiteurs”, maar niet minder achtten zij zich gekwetst door het gedrag van meisjes/dames/echtgenotes die seksuele betrekkingen met de vijand hadden.
Vanuit deze motivaties zouden een aantal teruggekeerde frontsoldaten zich overgeven aan geweldplegingen tegenover bovenvermelde categorieën burgers. Voor hen ging het hier om de bestraffing van “slechte Belgen”. Daarmee was de kous echter niet af. Ook in de volgende jaren bleven teruggekeerde soldaten ijveren voor de bestraffing van het onrecht dat hen was aangedaan. Zij zouden niet aarzelen om hiertoe op alle mogelijke manieren druk op justitie en rechtsgang uit te oefenen. Sommige oud-strijdersorganisaties traden hen bij in hun eis van gerechtigheid. Dit zou spoedig leiden tot het formuleren van een schuldvordering.
_Schuldeisers
De soldaten die vier jaren in oorlogsomstandigheden hadden geleefd en lichamelijk en psychisch leed hadden opgelopen, waren dan wel geflatteerd door het eerbetoon dat hen te beurt was gevallen maar verwachtten méér, in casu materiële genoegdoening. In hun ogen had de hele Belgische samenleving een schuld tegenover hen, die met aalmoezen noch met eenmalige premies zoals een demobilisatievergoeding kon vereffend worden. Zij zouden in deze fase als schuldeisers optreden.

De problematiek hierrond zou gedurende het hele interbellum blijven wegen op de binnenlandse Belgische politiek. Materiële genoegdoening bleek veel minder gemakkelijk te verkrijgen dan morele erkenning. Gaandeweg kregen oud-strijdersverenigingen meer succes en kregen zodoende ook meer gehoor - zowel bij de bevolking als bij de volksvertegenwoordigers. Alleen bleken de opeenvolgende regeringen minder bereid om concrete maatregelen te nemen, terwijl de oud-strijders lijdzaam moesten toezien dat andere groepen wél erg gemakkelijk allerlei gunstmaatregelen en schadevergoedingen verkregen. Deze vaststelling zou al snel aanleiding geven tot massale mobilisatie voor acties tegen de regering. Al bij al bleven de meeste mobilisaties eerder vreedzaam, maar de boodschap werd wel opgepikt door de machthebbers - zeker nadat een politieke generatiewissel zich begon te voltrekken en oud-strijders in het parlement terechtkwamen. Het erkennen van het principe van “geen aalmoes maar een recht” zou een ideologische omwenteling veroorzaken waarmee de zich ontwikkelende welvaartsstaat rekening moest houden.
_Breuklijnen
Grosso modo kunnen we tot hiertoe de oud-strijders als een relatief homogene groep beschouwen. Op basis van hun gemeenschappelijke oorlogservaring oordeelden ze dat zij ‘en groupe’ recht van spreken hadden rond de thema´s oorlog, vrede en pacifisme. Antimilitaristisch waren zij zeker. Klassenonderscheid tussen officieren en soldaten, alsook gratuite tuchtmaatregelen en hoogst betwistbare beslissingen van het krijgsgerecht hadden hiervoor gezorgd. Gedurende een tiental jaren waren zij als groep praktisch unisono de vrede toegedaan. Dat maakte ook dat oud-strijdersverenigingen in geen geval een oorlogszuchtig discours voerden. Sommige organisaties noemden zichzelf “soldaten van de vrede” en wierpen zich op als ”bewakers van de vrede”. De vraag hoé de vrede dan wel bereikt moest worden, zou echter op verschillende manieren beantwoord worden.
Sommige groeperingen zouden radicaal pacifisten blijven. De mannen van het gebroken geweer bijvoorbeeld stonden samen met de socialisten achter de leuze “nooit meer oorlog”. Anderen stelden zich minder radicaal op. Zij begonnen steeds meer vragen te hebben bij de opkomst van Hitler en het gedrag van nazi-Duitsland. Hun oude wantrouwen tegenover Duitsland werd snel terug aangewakkerd. Deze groep zorgde voor een tendens waarbij oude en nieuwe fraternellen een belangrijke rol zouden spelen. Hoewel deze oorspronkelijk niet meer dan sociale bijeenkomsten van oude strijdmakkers waren, begon men al snel een meer martiale taal te voeren. Daarbij kregen zij expliciete goedkeuring en ondersteuning van het Belgisch leger, terwijl ook het koningshuis zich niet ongevoelig toonde voor deze evolutie.

We zien hier dus enkele breuklijnen die later zouden leiden tot een moeilijk ontwarbaar kluwen van organisaties, standpunten en bondgenootschappen, maar ook van vijandschappen en evenveel uitwassen in de richting van sympathieën voor grote en kleine ideologieën. Dit alles zou trouwens nog blijven doorwerken ná het interbellum, zowel tijdens WO II als erna.
_Hoeders van het vaderland
In naam van hun 4 jaar oorlogsinspanning meenden de soldaten ook het recht te hebben om in naam van het vaderland te mogen spreken. Zij beschouwden zichzelf voortaan als “hoeders van het vaderland”. Ze ontwikkelden een sterk nationaal gevoel dat nog versterkt werd door alomtegenwoordige herdenkingen en patriottische rituelen waarbij ze steeds als groep betrokken werden. Ook namen ze initiatieven om via hun oud-strijdersverenigingen hun morele erfenis aan de jongere generaties door te geven.

Een deel van de Vlaamse oud-strijders wierpen zich bovendien ook op als “hoeders van de Vlaamse zaak”. Zij stelden vast dat van de door Koning Albert beloofde gelijkwaardigheid van beide talen en taalgroepen absoluut niets in huis kwam. De vernederlandsing van de Gentse universiteit en de amnestieproblematiek zouden de situatie geen goed doen. Als reactie hierop zouden ook de francofone oud-strijders radicaliseren. Zij kweekten regelrechte anti-Vlaamse gevoelens en  een al even anti-Vlaams discours.
De breuk werd enigszins bezworen door de evolutie van de Duitse politiek die door alle oud-strijders als een bedreiging voor het vaderland werd gezien. Rond dit thema kwamen ze nog allemaal samen in 1930 bij een massale manifestatie. De Nationale Strijdersbond zou de idee van eenheid van de oud-strijders steeds blijven verdedigen en daar bij een aantal onder hen ook in slagen. De gehechtheid aan Koning Albert speelde hierbij een belangrijke rol. Zelfs na zijn dood bleef er soort “Albertcultus” overeind. De oprichting van ‘concurrerende’ oud-strijdersverenigingen maakte spreken uit één mond echter eerder lastig.

De inval van Duitsland op 10 mei 1940 bood voor vele oud-strijders een motief om ook in het bezette land hun rol van behoeders van het vaderland te spelen. Een niet onbelangrijk percentage oud-strijders, weliswaar meer Franstaligen dan Vlamingen, zouden zich engageren in verzets- en spionagenetwerken. De Vlaamse oud-strijders combineerden in hun oorlogsnationalisme Belgische en Vlaamse vormen van identificatie. De tricolore incarneerde het patriottische verzet voor iedereen.

Een andere groep, vooral uit de rangen van het “Verbond der oud-strijders”, koos voor aansluiting bij het Vlaams-Nationalisme en de collaboratie. De Vlaamse leeuw werd een symbool van de collaboratie.
_Besluit
In hun besluitend hoofdstuk onderstrepen de auteurs een aantal kernpunten.

In de eerste plaats hebben de oud-strijders een identiteit opgebouwd gebaseerd op hun statuut als oorlogssoldaat. Gaandeweg zou dit zelfs aan de basis liggen van wat misschien wel tot de krachtigste sociale beweging van het interbellum zou uitgroeien, met de oorlogservaring als referentiepunt en ijkpunt. Op basis hiervan zouden zij permanent hun spreekrecht opeisen op allerlei domeinen van het politieke leven zoals oorlog en vrede, amnestie, enzovoort.

Vervolgens: hun identitaire bewustwording van tijdens de oorlog had onmiddellijk, maar misschien vooral daarna, een politiserend en democratiserend effect. De volksjongens van de oorlog zouden ook na de demobilisatie hun spreekrecht opeisen.

Verder ontstonden er uiteraard meningsverschillen en twistpunten tussen de verschillende oud-strijdersverenigingen, maar volgens de auteurs bleven zij als groep steeds uitgaan van een gedeeld onderliggend wereldbeeld. Van een globale ontwikkeling in fascistische zin was er volgens hen nooit sprake. Als dit al aanwezig was, dan eigenlijk niet meer dan als een randverschijnsel dat zich vooral langs Vlaamse kant had gemanifesteerd.

Tenslotte is het een vaststaand feit dat de politieke betekenis van de oud-strijders van WO I tijdens het interbellum allesbehalve marginaal was. Zij hebben wel degelijk gewogen op elk van de 25 kabinetten van het interbellum.
_Persoonlijke beschouwingen
Als kleinzoon van een oud-strijder die als veteraan en invalide maar ook als royalist en Belgicist uit de Grote Oorlog was gekomen, heeft het lezen van dit boek me zeker niet koud gelaten. Het heeft me, zoveel jaren na datum nog geholpen om de persoon van mijn grootvader te begrijpen in zijn voortdurend engagement tegenover zijn vaderland. Zijn ervaringen als soldaat in WO I en als burger en oud-strijder in WO II conditioneerden zijn wereldbeeld met inbegrip van zijn visie over links/rechts en goed/kwaad en die transponeerde hij moeiteloos naar de aan gang zijnde Koude Oorlog en het toen acute Vietnam conflict. Ook uitschuivers in de richting van Leopoldistische en nieuwe orde sympathieën bij zijn zoon (mijn vader) worden op deze manier meer begrijpelijk  Als product van de sixties en meer bepaald als universiteitsstudent in 1968, had ik niet dezelfde mening als mijn vader en grootvader over heel wat van de toenmalige problemen, maar de lectuur van dit boek maakt heel wat pijnpunten in onze relatie thans een stuk begrijpelijker.

Ook de bredere politieke en morele draagwijdte van de studie mag niet uit het oog verloren worden: voor beleidsmakers overal ter wereld houdt het verhaal van de Belgische oud-strijders onmiskenbaar een belangrijke les in. Jonge generaties stuurt men niet zo maar ongestraft de ellende van de oorlog in. De maatschappelijk consequenties van zulke beslissing mogen nooit onderschat worden.
_Waardering
Het valt te betwijfelen of de gedetailleerde studie van de situatie en de positie van de oud-strijders tijdens het interbellum in België vandaag nog een breed lezerspubliek zal aantrekken, maar het werk zélf verdient het zeer zeker om succes te oogsten. Qua layout en editing is het boek aantrekkelijk samengesteld. Een lijst van de gebruikte afkortingen, alsook enkele grafieken en tabellen, helpen de lezer om kwantitatieve gegevens te visualiseren. Jammer dat een index ontbreekt. Als referentiewerk zou het boek er zeker bij gewonnen hebben.
Wegens de wetenschappelijke nauwgezetheid en heldere methodologie is dit boek voor een geĂ¯nteresseerde lezer zeker vier sterren waard. Dirk De Schrijver
Martin Schoups & Antoon Vrints
Dirk De Schrijver
Non-fictie
recensent
_Dirk De Schrijver recensent
Meer van Dirk De Schrijver

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies