David Graeber en David Wengrow
Karl Drabbe
Non-fictie
  • 798 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

25 april 2022 Het begin van alles. Een nieuwe geschiedenis van de mensheid.
Met zevenmijlslaarzen en talloze anekdotes – niet het minst referenties naar samenlevingen bij de Amerikaanse ‘indianen’ (van de poolkappen tot Vuurland) – lopen archeoloog David Wengrow en antropoloog wijlen David Graeber door de menselijke geschiedenis, van verzamelaars-jagers tot smartphoneverslaafden. Met diezelfde laarzen stampen ze tegen heel wat heilige huisjes. En dat doen ze met overtuiging. Het Nieuwe Gelijk is aan hun kant. De Juiste Visie op de Geschiedenis hebben zij geschreven. En dat in 655 pagina’s, met talloze noten. Voor de bibliografie verwijst de uitgever naar een gelegenheidswebsite.
Zo vaak gebeurt het niet dat een erudiet historisch werk op korte tijd uitgroeit tot een cultboek. Te meten aan het aantal recensies en beschouwingen – op een zeldzame uitzondering (in De Standaard) na allen even lierrijk en lovend – mogen we Het begin van alles wel zo noemen: een cultboek. Nochtans vuistdik, heel kritisch voor de bestaande historici-van-de-lange-termijn en allesbehalve hapklaar. Dat het boek beoogt wat de flaptekst schreeuwt, zal er wel wat mee te maken hebben: ‘Een nieuwe geschiedenis van de mensheid’, een boek waarover we het – volgens Rutger Bregman – ‘nog jaren (zullen) hebben’, volgens The Guardian ‘baanbrekend en brutaal’. Ja het is baanbrekend, en ja, het is brutaal. Ongemeen brutaal zelfs.
Paradigma
In se wil het boek een soort geschiedenis van de ongelijkheid beschrijven. Daarmee het traditionele, bekende plaatje doorprikken dat ongelijkheid is ontstaan met de landbouwsamenleving (zo’n 12.000 jaar geleden), en geïnstitutionaliseerd is als die landbouwsamenleving door surplussen leidde tot arbeidsverdeling, de klassieke driedeling van wat ‘beschaving’ heette (werkenden, biddenden, strijdenden/heersenden), en via complexe structuren als steden uitgroeide tot geïndustrialiseerde natiestaten, zowat het voorgeborgte van de Ultieme Utopie waar we volgens dit teleologische verhaaltje bijna aan toe zijn. Vooruitgangsgeschiedenis, zou je dit schema kunnen noemen, dat al in het secundair onderwijs wordt aangeleerd. Alsof de geschiedenis lineair verloopt, daarmee alle kronkels, regressies, breuken en uitzonderingen tenietdoet, die de mens en zijn lange geschiedenis kenmerkt.
Dat ontwikkelingsschema zouden we – in de geest van Thomas Kuhn – een paradigma kunnen noemen. Een paradigma dat ook bestaat buiten kringen van wie met geschiedenis bezig is. Dat zijn gemakshalve historici, archeologen, antropologen, paleontologen enzovoort. Veel van de inzichten van de diverse wetenschappen en wetenschappers die zich eveneens over het verleden buigen – zonder daarom in fine hulpwetenschappen van de geschiedenis te zijn – worden nog niet aangeleerd op schoolbanken, laat staan aan universitaire opleidingen geschiedenis. Te veel bogen die nog op geschreven bronnen. Andere disciplines – zoals biologie, antropologie of genetica, ondanks de inzichten van Jared Diamond, Carole Cromley of Spencer Wells, om me tot hen te beperken – komen nog steeds erg weinig aan bod.
Net daar ligt de sterkte van Het begin van alles: Graeber en Wengrow legden tijdens hun aan dit boek voorafgaande tien jaar lange onderzoek, heel wat dwars- of kruisverbanden tussen inzichten uit diverse disciplines, om tot de vaststelling te komen dat het paradigma van de menselijke ‘Werdung’… maar een paradigma is. Al hebben ze, in plaats van enkel kanttekeningen te plaatsen bij dat paradigma, meteen de ambitie om een nieuw paradigma te ontwikkelen. Beste lezers, ziehier, een Umwertung van de menselijke geschiedenis as we kno wit.
Grijze hersencellen
Dat nieuwe paradigma is eenvoudigweg samen te vatten als volgt: ook samenlevingen die de landbouw niet kenden, of er mee experimenteerden maar afwezen, of ze kenden van aanburende samenlevingen maar niet van overtuigd geraakten, dat dié samenlevingen van verzamelaars-jagers en fouragiers, óók complexe samenlevingen konden uitbouwen. Met ongelijkheid, sociale stratificatie, beperkt eigendom, gedifferentieerd voedselaanbod (jagen, tuinbouw op kleine schaal, verzamelen, vee hoeden, fourageren). Los van de sterke bewijslast die ze daarvoor aanbrengen in hun boek, vertrekken ze vanuit een heel eenvoudig gedachte-experiment. Mensen die vóór pakweg 10.000 voor onze jaartelling als verzamelaars-jagers leefden, hadden dezelfde herseninhoud als wij, dezelfde intelligentie, en dezelfde grijze hersencellen die in staat waren om complexe verbanden te leggen als hun nakomelingen en buren zovele millennia, eeuwen en jaren later, en moeten dus wel – het kan haast niet anders – geëxperimenteerd hebben met de meest diverse samenlevingsvormen, van totalitaire clans tot vrijheidsminnende ‘republieken’. En dat overal ter wereld.
Het vergt wel wat flexibiliteit om in deze gedachtegang mee te gaan, hoeveel ‘bewijzen’ beide auteurs ook aanbrengen. Naarmate het boek vordert, krijg je immers te vaak het gevoel dat ze teleologisch te werk gaan. Ze gebruiken met andere woorden vooral voorbeelden uit het verleden die hún theorie staven. En dat is net de zwakte van het boek. De auteurs doen iets te hardnekkig hun best om zich voor te doen als de ontdekkers en auteurs van een ‘nieuwe geschiedenis’, die plaats moet ruimen voor ‘oude geschiedenis’. Daarbij die ‘oude’ – lees ‘conventionele’ geschiedenis iets te enthousiast naar de prullenmand verwijzend.
Verbanden en vragen
De grote verdienste in het boek ligt in het leggen van de meest diverse verbanden tussen verschillende disciplines. Hun holistische kijk op de geschiedenis – die Jared Diamond als populair wetenschapper muntte – is hoogstens aanbevelenswaardig voor élke historicus – amateur of professional. Een andere grote verdienste van het boek ligt in het feit dat de auteurs ons doen inzien dat we met vooroordelen naar andere samenlevingen kijken. ‘The history is a different country,’ zei  novelist L.P. Hartley, en we weten allemaal welke vooroordelen en clichés we kennen over de bewoners van andere landen en samenlevingen. Graeber en Wengrow dwingen de lezer om gevestigde wetten van de geschiedenis in vraag te stellen en open te staan voor een conceptuele verschuiving van onze kijk op het verleden van de homo sapiens. Alleen hiervoor al verdienen de heren een pluim en verdienen ze meer gelezen te worden dan het eenvoudig synthetiserende Yuval Noah Harari's Sapiens (waarvan ik altijd met verbazing heb toegekeken naar het immense succes dat hij behaalde zonder nieuwe inzichten naar voren te schuiven, maar dat terzijde).
Diversiteit
Dat mensen er in al die tijd dat ze op de planeet ronddwalen de meest diverse – van ‘eenvoudige’ en egalitaire tot ‘complexe’ en gelaagde – samenlevingen hebben gevormd, lijkt nochtans logisch. Mensen passen zich aan aan hun omgeving (ecologie, geografie, geologie…) Ze meten zich diverse verhoudingen aan tot elkaar, hun directe familie en leden van hun clan en ten opzicht van hun buren. Ze geven een verschillende uitleg aan het leven en ontwikkelen de meest diverse visies op het bovennatuurlijke. Lees: er is geen universele wet of directe, rechte lijn van georganiseerde voedsel(over)productie naar staatsvorm. Staatsvormen gaan de landbouwrevolutie vooraf. En en passant: vergeet het begrip ‘landbouwrevolutie’, want die duurde maar eventjes zo’n drieduizend jaar, wat erg lang is om nog van disruptie te spreken.
De auteurs tonen met veel argumentatiekracht aannemelijk aan dat de grote principes van de Verlichting – vrijheid en gelijkheid op de eerste plaats – ontleend zijn aan Noordoost-Amerikaanse indianenrepublieken. Ze verrassen met inzichten over de megalopolissen in de Oekraïense vlakten. Ze tonen aan hoe in de oude Mesopotamische steden ‘sovjets’ ontstonden waar een burgerdemocratie besliste over het dagelijkse beheer van met op sociale woningen volgebouwde gelijkende wijken. Paleo-Amerikaanse samenlevingen waren ‘ludieke’ samenlevingen waar balspelen oorlog, twist en concurrentie bedwongen. Patriarchaten moeten sneuvelen voor structuren waar mannen en vrouwen elkaars gelijke waren of semimatriarchaten, waar vrouwen de macht die ze hadden over kennis naar politieke macht vertaalden. De eerste Euraziaten kwamen al 17.000 jaar geleden (dus ca. 5000 jaar eerder dan tot niet zo lang geden aangenomen) terecht op de noordwest-Amerikaanse kusten om er vissersgemeenschappen te stichten. We zien hoe voor het zogenaamde Oude Rijk van het oude Egypte al aan landbouw werd gedaan, zonder dat er land werd afgegrenst en het concept privé-eigendom zou ontstaan (of leiden tot veroveringsoorlogen). Het organiseren van grote feestmaaltijden en voorouderrituelen waar alcohol (bier) bij te pas kwam, zou het op grote schaal (planning!) verbouwen van granen voorafgaan. Noord-Amerikanen vluchtten weg van honderden jaren ploegen op het land en verkiezen (opnieuw) te fourageren en te jagen, migrerend met de seizoenswissels. Bouwers van Egyptische piramides, Noord-Amerikaanse geometrische structuren en plateaus of Mesopotamische ziggurats waren geen slaven maar vrije mensen die hun rol opnamen in de ‘sociale machine’ die hun samenleving was. De auteurs speculeren op basis van archeologische resten op eeuwenlange vredes, zowel in Eurazië als in de Amerika’s. Enzovoort. Het boek bulkt van te veel voorbeelden om hier te kunnen opsommen. Maar het ene cliché na het andere valt wel in het niet.
Niet alles wat Wengrow en Graeber schrijven is nieuw, maar ze brengen het voor het eerst allemaal samen in één volume. Slotsom: diversiteit was troef. Er bestaat niet zoiets als een ‘oorspronkelijke vorm van menselijke samenleving’. Er was geen echte ‘oorspronkelijke toestand’; er is tienduizenden jaar lang geëxperimenteerd met verschillende levenswijzen.
Waarom zitten we vast?
De vraag die de auteurs zich dan stellen is: hoe is het zover kunnen komen dat wij ons hebben lasten vastzetten in onze huidige postkapitalistische, gestratifieerde samenleving? ‘Hoe komt het,’ zo schrijven ze, ‘dat we vast zijn komen te zitten in één vorm van maatschappelijke werkelijkheid, en hoe komt het dat in die werkelijkheid sociale relaties die uiteindelijk zijn gebaseerd op geweld en overheersing normaal zijn geworden?’ Waarom zijn met andere woorden eigendom en bezit zo belangrijk geworden en de basis van een (quasi- of semi-)autoritaire samenleving, al dan niet door Verlichting gecorrigeerd naar een liberaal-democratisch model. Waarom zijn er amper of geen alternatieven (meer) te vinden op onze blauwe planeet?
Wanneer de auteurs deze vragen behandelen, valt, meer dan eerder in het boek, op dat het uitgangspunt van hun boek niet zozeer de zoektocht is naar een nieuw paradigma om naar het verleden te kijken. Maar dat ze in alternatieve samenlevingsvormen (uit het verleden) hoop putten voor de toekomst. Het woord mag nu wel vallen: een sociaal-anarchistische samenleving – waar mensen vrijelijk in gelijkheid leven – krijgt hun voorkeur. En van daaruit zoeken ze net té veel voorbeelden om hun visie – tégen het ontwikkelingsschema, voor diversiteit – te staven. ‘We hebben het moeilijk een niet-teleologische geschiedenis voor te stellen,’ beweren de auteurs (p. 487). Maar de teleologie die zij de ‘oude’ historici en aanverwanten verwijten, hanteren ze helaas zelf om hún punt te maken.
Laat die kritiek uw leesplezier niet verstoren. U zal van uw stoel vallen van de vele feiten en verbanden die de auteurs naar boven spitten. Het begin van alles is géén ‘nieuwe geschiedenis van de mensheid’. Het is een andere geschiedenis. Waarin overigens de impact van natuur en milieu op de mens (en omgekeerd) opvallend weinig aan bod komt – de ‘oude’ Jared Diamond schreef met Ondergang nochtans een overtuigende leidraad hiervoor. Het is nu aan de ‘oude’ historici en aanverwante wetenschappers om met hun inzichten verder aan de slag te gaan. De eerste les: bedenk nieuwe woordenschat om de planoplie aan samenlevingsvormen en -experimenten te benoemen. Want met het huidige sociaal-politieke en wetenschappelijke vocabulaire rijden we ons meteen vast in bestaande en – dat mag nu wel duidelijk zijn – versteende concepten.

Karl Drabbe


Oorspronkelijke titel: The Dawn of Everything. A New History of Humanity.
Vertaald door: Rogier van Kappel en Bart Gravendaal
David Graeber en David Wengrow
Karl Drabbe
Non-fictie
Karl Drabbe is uitgever van ERTSBERG. Hij is historicus en wereldreiziger.
_Karl Drabbe - Recensent
Meer van Karl Drabbe

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies