• |
Het Vrije Woord
Geschreven door Martin Harlaar
  • 372 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

24 september 2019 Witte schuld of 'Het gif van de linkse identiteitspolitiek'
(bron: Uitspraak Elma Drayer in VPRO Boeken, 8 september 2019, 12:12) Historicus Martin Harlaar (1956) las het boek 'Witte schuld' over identiteitsactivisme van journaliste Elma Drayer en moest terugdenken aan zijn studententijd. Er is veel veranderd in dertig jaar, er is weinig veranderd in dertig jaar.
_Dr. Mullard en Mr. T
Toen ik Elma Drayer (1957) bij het tv-programma VPRO Boeken hoorde praten over haar boek Witte schuld. Over identiteitspolitiek en wat er op universiteiten is gebeurd op het terrein van identiteitspolitiek, moest ik terugdenken aan het midden van de jaren tachtig. Het was de tijd dat het boek Alledaags racisme van Philomena Essed (1955) veel stof deed opwaaien, vooral vanwege de, volgens velen, gebrekkige wetenschappelijke onderbouwing. Ik hervatte in die tijd mijn studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam na een onderbreking van enkele jaren. Ik moest opschieten om nog 'oude stijl' af te kunnen studeren. Op zoek naar een geschikt bijvak kwam ik iets tegen bij het Centrum voor Raciale en Etnische Studies (CRES). De uren waren gunstig voor mij als huisman en vader van twee zoontjes, en als wit, progressief en maatschappelijk geëngageerd mens leek het mij goed om mij eens te verdiepen in ... tja, wat moest ik mij bij raciale en etnische studies eigenlijk voorstellen?
Om mijn studiepunten te halen, diende ik hoorcolleges en een werkgroep te volgen, en ik moest als sluitstuk ook een paper schrijven. Met de werkgroep bogen wij ons, tot mijn niet geringe verbazing, over de populaire tv-serie The A-Team. Ik kende de serie, maar het was niet echt mijn ding. Ik vond de karakters stuk voor stuk irritant en het werd uitgezonden door de Tros, niet echt mijn omroep. We gingen bij het CRES wetenschappelijk aantonen dat de serie racistisch was. Het karakter B.A. Baracus werd gespeeld door de zwarte acteur die ervoor gekozen heeft om door het leven te gaan als 'Mr. T' en niet onder zijn eigen naam Laurence Tureaud. Door de dialogen van de hoofdrolspelers te turven, gingen we aantonen dat Mr. T te weinig aan het woord kwam. Wat mij betreft kwamen alle karakters te veel aan het woord, maar die cynische opvatting zal een uitvloeisel zijn geweest van mijn geprivilegieerde opvoeding met een elitaire voorkeur voor VPRO-programma's.
De hoorcolleges werden gegeven door de Britse socioloog dr. Chris Mullard, bijgestaan door een of meer Nederlandse wetenschappers; dat weet ik niet precies meer. Mullard was een goedlachse, goed in het pak zittende man met een snor. Hij werd geboren – ik heb het even voor u opgezocht – in 1944 (in een andere bron kwam ik 1946 tegen), aan de zuidkust van Engeland in het graafschap Hampshire. Zijn moeder was Engels, zijn vader Jamaicaans. In 1973 publiceerde hij het boek Black Britain. Het werd een bestseller. Dit boek bracht volgens de flaptekst 'the black voice to race relations'. Mullard zei te spreken als 'a black who cannot forget he is black, a black born and bred in the UK who still feels an outcast'. In 1984 werd hij als hoogleraar aangesteld bij het CRES.
We moesten ook een paper schrijven op basis van een Engelse bundel over zaken als immigratie, minderheden, integratie en assimilatie. De eerste versie van mijn paper werd afgewezen. Ik had tot de conclusie moeten komen dat het standpunt van een van de schrijvers van de bundel, naar mijn idee een keurige wetenschapper, racistisch was. Ik was verbijsterd. Hoezo was dat standpunt racistisch? En hoezo had ik tot die conclusie moeten komen? Om geen vertraging op te lopen in mijn race naar de 'bul oude stijl' besloot ik – met de pest in mijn lijf – om mijn paper aan te passen en naar de gewenste conclusie toe te werken. Deze tweede versie werd zonder problemen goedgekeurd. De studiepunten waren binnen. Ik sloot gefrustreerd de deur van het Centrum voor Raciale en Etnische Studies achter mij.
In 1990 haalde Chris Mullard het nieuws. Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam stelde een onderzoek in naar de situatie binnen het CRES. Aanleiding was de al jarenlang verstoorde werkverhouding tussen Mullard en zijn medewerkers. Een van hen, dr. H. G. Dors, meende dat 'men uit angst om voor racist te worden uitgemaakt de situatie bij het centrum heeft laten doorzieken. Mullard geeft veel mensen het idee dat ze vooral niets negatiefs over zwarten mogen zeggen. Intussen telt hij zelf in het wetenschappelijke wereldje niet meer mee. Hij doet geen onderzoek en heeft dus niets nieuws te melden. Het is bij retoriek gebleven. Maar zo'n uitspraak zal hij, zelfs van mij als zwarte, wel racistisch vinden.' (bron)
De eerder genoemde Philomena Essed promoveerde in 1990 bij Mullard cum laude op haar proefschrift met als titel Understanding Everyday Racism. In 1991 verscheen de Nederlandstalige handelseditie, Inzicht in alledaags racisme. Op 4 mei 1991 werd het besproken in NRC-Handelsblad. De journalist was weinig positief. 'Inzicht in alledaags racisme is een somber stemmend werk. Racisme is een belangwekkend onderwerp. Het is bedroevend dat de behandeling van dit onderwerp wordt gemonopoliseerd door pretentieuze warhoofden a la Essed. Waarom zwijgt de wetenschappelijke goegemeente wanneer Essed haar proefschrift presenteert? Is men bevreesd voor racist te worden uitgemaakt?' (bron)
_Identiteitsactivisme
Philomena Essed verdween voor velen uit beeld. Ze verhuisde naar de Verenigde Staten, de liefde achterna. Maar ze blijkt ondertussen weer helemaal en vogue te zijn in de Lage Landen. Toen in 2017 in het Paleis op de Dam de Erasmusprijs werd uitgereikt aan de Canadese sociologe Michèle Lamont (1957) was identiteitsactiviste Devika Partiman daarbij aanwezig. Partiman werd in 1988 in Heerhugowaard geboren en heeft een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder. Over de uitreiking van de Erasmusprijs in 2017 lezen we in het opinieweekblad De Groene Amsterdammer van 24 april 2019:
'Partiman was zenuwachtig. Niet voor een mogelijke ontmoeting met de prijswinnaar, koning Willem-Alexander of koningin Máxima, maar vanwege de aanwezigheid van iemand anders: de Surinaams-Nederlandse hoogleraar Philomena Essed. 'We hebben elkaar alleen even de hand geschud en ik was helemaal starstruck', aldus Partiman. 'Essed is echt een icoon en iemand waar ik fan van ben'. Partiman behoort tot de huidige generatie activisten die zich actief inzet tegen racisme en het debat rond Zwarte Piet heeft aangewakkerd. Via medeactivisten hoorde ze voor het eerst over de vrouw die belangrijk was geweest bij het in gang zetten van de eerste antiracismegolf in de jaren tachtig met haar studie Alledaags racisme, een boek dat ook bij haar vader in de kast stond. 'Ze bleken elkaar zelfs nog te kennen van de tijd dat mijn vader actief was in de antiracismebeweging, zonder dat ik dat wist.' Wat Essed nog steeds zo belangrijk maakt? Partiman hoeft er niet lang over na te denken: 'Haar werk laat zien dat wij niet gek zijn, als we blijven wijzen op de racistische structuren in de samenleving en ons verzetten tegen Zwarte Piet. Daar werd mede door haar en Gloria Wekker al veel langer tegen gestreden.'' (bron)
Boekcover 'Witte schuld'
Augustus 2019 verscheen van journaliste Elma Drayer het boek Witte schuld. Het boek is deels gebaseerd op columns en artikelen die zij de afgelopen jaren voor Trouw, Vrij Nederland en de Volkskrant schreef over identiteitsdenken, over 'de huidige antiracismebeweging, haar sympathisanten en iedereen die zich met genoemd gedachtegoed verwant voelt dan wel zich erdoor laat beïnvloeden'.
Het identiteitsdenken is overgewaaid uit de Verenigde Staten. Van 1974 tot 1980 was in Boston het Combahee River Collective actief, een groep zwarte, lesbische feministes die zich niet vertegenwoordigd voelden door het witte feminisme. Zij ontwikkelden het concept van 'identity politics'. April 1977 publiceerden zij het Combahee River Collective Statement. Daarin lezen we: 'We believe that the most profound and potentially most radical politics come directly out of our own identity.' Dat wil zeggen hun identiteit als zwarte en als lesbienne. Het Statement eindigt als volgt: 'As Black feminists and Lesbians we know that we have a very definite revolutionary task to perform and we are ready for the lifetime of work and struggle before us'. (bron) Dit strijdbare identiteitsdenken verspreidde zich over de Verenigde Staten en werd opgepikt in Nederland. Het begon in 2011 met de Zwarte Piet-discussie.
Elma Drayer besteedt in het eerste hoofdstuk van Witte schuld uitgebreid aandacht aan de Zwarte Piet-discussie. Ze laat in de overige negen hoofdstukken zien hoe het identiteitsdenken zich in Nederland de laatste jaren op steeds meer terreinen manifesteert: media, politiek, taal, en de academische en culturele wereld. Drayer is al sinds 1985 actief in de journalistiek en ook daar heeft zij het identiteitsdenken zien oprukken. Haar deelname aan het debat wordt haar door identiteitsactivisten niet altijd in dank afgenomen. Een witte journaliste kan niet over racisme schrijven, zo betogen de activisten. 'Omdat ik nooit aan den lijve heb ondervonden hoe het voelt om racistisch bejegend te worden?', schrijft Drayer in haar woord vooraf. 'Lijkt mij een curieus bezwaar. Genitale verminking, mishandeling, verkrachting – ze behoren goddank evenmin tot mijn biografie. Gek genoeg krijg ik nooit te horen dat ik over deze verschijnselen niet mag schrijven.'
Identiteitspolitiek wordt door de activisten gepresenteerd als een emancipatiestrijd en voor een emancipatiestrijd heeft Drayer als sociaaldemocrate alle begrip, maar in dit geval heeft ze toch grote twijfels. In haar slothoofdstuk schrijft ze: 'Identiteitspolitiek berokkent niet alleen schade aan mensen en instituten die te goeder trouw zijn. Ze zorgt ook voor maatschappelijke verharding. (...) Identiteitspolitiek is een giffabriekje dat alleen maar méér identiteitspolitiek produceert.' En enkele pagina's later: 'Alle nobele want emancipatoire bedoelingen ten spijt, uiteindelijk ondermijnt identiteitspolitiek waar links in mijn ogen voor moet staan: de vrijheid om je bestaan vorm te geven ongeacht klasse, sekse en kleur.'
Het identiteitsdenken vond in Nederland allereerst een vruchtbare voedingsbodem in het hoger onderwijs, met name de universiteiten. Het ging gepaard met een eigen jargon dat uit de Verenigde Staten werd overgenomen met begrippen als safe learning environment (het gevrijwaard blijven van zienswijzen die als krenkend ervaren kunnen worden), safe space (oorspronkelijk: een ruimte waar bv. homoseksuele studenten of zwarte studenten onder elkaar kunnen zijn; figuurlijk: mensen met onwelgevallige opvattingen weghouden uit debatten), no-platforming (geen podium bieden aan mensen met onwelgevallige opvattingen), trigger warnings (studenten waarschuwen voor lesstof waar ze mogelijk niet mee geconfronteerd willen worden) en diversity officers (functionarissen die moeten zorgen voor een minder witte en een meer diverse samenstelling van bv. het personeel). Het heeft allemaal te maken met het idee dat er voor gezorgd moet worden dat minderheden zich niet gekwetst en achtergesteld voelen.
President Obama liet zich meermaals kritisch uit over deze ontwikkelingen in de VS. 'Ik ben het er niet mee eens dat je als student gepamperd en beschermd moet worden tegen andermans standpunten.' 'Goed burgerschap en activisme betekenen ook dat je luistert naar de andere kant en ervoor zorgt dat je in dialoog blijft. Alleen zo kan er iets veranderen.'
Elma Drayer geeft talloze voorbeelden van identiteitsdenken en er komen in het boek vele namen voorbij. Helaas heeft de uitgever geen personen- en zakenregister laten maken, maar misschien kan daar in een volgende druk voor gezorgd worden. Ook zou het fijn zijn als er noten kwamen, al was het alleen maar om duidelijk te maken waar de vele citaten hun oorsprong vinden. In mijn zoektocht naar enkele van de bronnen die Drayer gebruikte, kwam ik informatie tegen over de achtergrond van sommige identiteitsactivisten die mijn verbazing alleen maar groter maakte. Er blijkt door de activisten niet te worden geaarzeld om mythen, pseudowetenschap en onwetenschappelijk denken als middelen in te zetten om de Nederlandse samenleving te 'dekoloniseren'.
Elma Drayer laat in het hoofdstuk Onwelgevallige opvattingen zien hoe het identiteitsdenken zich op de Nederlandse universiteiten manifesteert. Om het voor de lezer enigszins overzichtelijk te houden zal ik mij beperken tot Vrije Universiteit in Amsterdam. Om achtergronden en dwarsverbanden beter te kunnen begrijpen, heb ik informatie toegevoegd en de bronnen vermeld.
De VU begon in 1880 als een particuliere, christelijke universiteit en heeft zich ontwikkeld tot 'een academische gemeenschap die open en internationaal georiënteerd is. Op zoek naar vernieuwing, die de verscheidenheid aan wetenschappelijke disciplines, nationaliteiten, levensbeschouwingen en maatschappelijke overtuigingen weet te benutten.' (bron)
_De Afrikaanse diaspora en de witte suprematisten
In 2014 werd er op de VU een bijeenkomst georganiseerd door I, Too, Am VU en het New Urban Collective. Waar deze twee organisaties voor staan, kunnen we lezen op hun websites.
I, Too, Am VU is opgericht in navolging van Amerikaanse (I, Too, Am Harvard) en Britse voorbeelden: 'De VU is een van de meeste diverse campussen van Nederland, toch worden de stemmen van studenten met een andere culturele achtergrond vaak niet gehoord en zien we de diversiteit niet terug in het curriculum of de staf. Integendeel, ook op de VU hebben studenten regelmatig te maken met vooroordelen, "micro-agressions" en negatieve stereotype beelden over "allochtonen".' (bron)
New Urban Collective: 'NUC is een sociale onderneming en heeft als missie personen van de Surinaamse, Caribische en Afrikaanse diaspora te empoweren. NUC beoogt met name de positie van studenten/young professionals van de Surinaamse, Caribische en Afrikaanse disaspora in de Nederlandse maatschappij te bevorderen'. (bron)
Op de bijeenkomst in de VU hield de econoom en historicus Sandew Hira (Paramaribo 1955, eigenlijke naam Dew Baboeram) de aanwezigen voor dat de wetenschap moet 'dekoloniseren' en dat 'black studies' op alle universiteiten verplicht zouden moeten zijn. Er zijn te weinig zwarte hoogleraren en docenten. Baboeram alias Hira: 'Je gaat je afvragen: waarom is hij professor en ik niet? Is hij echt beter dan ik of komt het doordat ik zwart ben?'
In 2015 organiseerde het NUC een bijeenkomst op de VU onder het motto 'Decolonizing the University'. Aanleiding was een klacht van Emma Lee Amponsah, een 22-jarige studente met een Nederlandse en een Ghanese achtergrond. Na een week stopte ze met de minor (bijvak) Antieke Cultuur, omdat de studie volgens haar een 'onvolledige, eurocentrische en racistische kijk op de geschiedenis' geeft 'waarin de zwarte mens miskend wordt voor zijn enorme bijdrage aan westerse civilisatie'. Zo hebben, volgens Amponsah, de Griekse filosofen al hun ideeën van zwarte Afrikanen overgenomen en wordt dit verzwegen door de eurocentrische oudheidkundigen van de VU. (bron) Sandew Hira was ook op deze bijeenkomst aanwezig en hield de aanwezige docenten voor dat ze 'witte suprematisten' waren.
In het VU-magazine Advalvas werd enige tijd later een zekere Djehuti-Ankh-Kehru geciteerd: 'Deze wetenschappers hebben hun eigen agenda, hun koloniale manier van denken die honderdvijftig jaar geleden de onderwerping van Afrikaanse volken door het Westen legitimeerde, en die nu nog doorwerkt, bewust of onbewust.' 

De naam Djehuti-Ankh-Kheru intrigeerde mij. Het klonk als een pseudoniem. Djehuti is de andere naam van de Egyptische god Thoth en de naam van een farao. Ankh is het Egyptische levenskruis. En ook Kheru houdt verband met het oude Egypte. Bij een aantal identiteitsdenkers, waaronder 'Djehuti-Ankh-Kehru', is het oude Egypte is zeer populair. In een interview dat hij op 27 juni 2016 gaf, noemt hij als voorbeeld van zwarte geschiedschrijving de Senegalese historicus en politicus Cheikh Anta Diop (1923-1986). Die volgens hem 'wetenschappelijk bewezen heeft dat de oude Egyptenaren een donkerbruine huidskleur en kroeshaar hadden'. (bron, 3:52)
Ook de hierboven genoemde Emma Lee Amponsah had grote belangstelling voor het oude Egypte, zo kunnen we lezen in een opiniestuk dat ze voor Advalvas schreef. Enkele citaten: 'Al ver voor aanvang van het minorprogramma had ik mij al enigszins verdiept in vooral het oude Egypte. Ik was er nooit van overtuigd dat de bevolking van het oude Egypte wit was en zag de Westelijk-Aziatische gelaatstrekken van de huidige Egyptische bevolking (wat tevens geldt voor het overgrote deel van de rest van Noord Afrika) altijd als een gevolg van de West-Aziatische (noem het 'Arabische') expansie. (...) Ik ben solidair met Afrikanen en Afrikanen in diaspora in de strijd tegen systematisch racisme, onderdrukking, witte suprematie, wit privilege en mentale slavernij. (...) Deze solidariteit staat echter totaal los van mijn wetenschappelijke standpunten. Ik sta voor de erkenning van het feit dat de bevolking van het Oude Egypte zwart was. Hóe zwart doet er voor mij niet toe, maar als Obama zwart is, is de oude Egyptenaar dat ook. Onderzoek van de Egyptoloog Cheikh Anta Diop, die het melaninegehalte van Egyptische mummies mat, bewijst echter dat de Oude Egyptenaren qua huidskleur te vergelijken zijn met een volk dat leeft in het huidige Ethiopië, Soedan en Oeganda. Overduidelijk zwart, dus.' (bron)

Emma Lee Amponsah hield het in Amsterdam voor gezien en vertrok naar Brussel. Daar richtte zij samen met lotgenote Heleen Debeuckelaere 'Black speaks Back' op, een organisatie die strijdt voor een gedekoloniseerde samenleving. (bron)
Heleen Debeuckelaere werd in 1989 in Gent geboren. Ze heeft een Rwandese moeder en een Belgische vader. In 2016 schreef zij een opiniestuk in De Standaard. De kop luidde: 'Waarom ik het 'linkse, progressieve' Gent verliet.' In dat stuk liet zij weten dat zij kwaad was op België, om wat het land haar had aangedaan, maar dit verborgen hield, omdat ze het gevoel had haar aanwezigheid te moeten rechtvaardigen. 'Ik ben van hier, ik ben een product van ons koloniaal verleden.' (bron)
Op de VU is het ondertussen een stuk stiller geworden als het om identiteitspolitiek gaat. Op 7 november 2018 verscheen Advalvas met in enorme letters de kop 'Waar zijn de zwarte activisten?' en daaronder 'Het is stil aan de VU, ooit de bakermat van het New Urban Collective.' Een van de toenmalige bestuursleden van het NUC, Jessica de Abreu, vertelt hoe zij het ziet: 'Dat komt doordat het NUC helemaal gedragen werd door individuele, maatschappelijk betrokken studenten. Maar de VU heeft hierin ook een verantwoordelijkheid. Die zou haar rol ook moeten oppakken. De VU heeft ons echter nooit structureel ondersteund. Wij mochten gebruikmaken van de ruimte aan de VU, maar institutionele steun hebben we nooit gehad.' (bron)
Het mag dan wat stiller zijn geworden aan de VU, het identiteitsdenken in de Lage Landen is nog altijd alive and kicking. En identiteit is voor velen, ook aan de linkerkant van het politieke spectrum, nog altijd belangrijker dan opvattingen. Elma Drayer sluit Witte schuld af met de volgende regels: 'Het tamboereren op groepskenmerken houdt de ongelijkheid alleen maar in stand. Waardoor daders eeuwig daders, en slachtoffers eeuwig slachtoffers dreigen te blijven. Dat is ongetwijfeld een heel overzichtelijk scenario. Maar wie helpt wie daarmee vooruit?'
_Gegevens
Titel: Witte schuld. Over identiteitspolitiek
Auteur: Elma Drayer
Uitgever: Atlas Contact
Prijs: € 19,99
ISBN: 9789045031774
189 pagina's
Het Vrije Woord
Martin Harlaar (Amsterdam 1956) is historicus. Voor HVV werkte hij in 2012 mee aan een expositie over de geschiedenis van de euthanasiewetgeving en in 2013 over de geschiedenis van het humanisme.
_Martin Harlaar -
Meer van Martin Harlaar

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws