Kwintessens
Geschreven door Hans Van Dyck
  • 506 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

20 december 2021 Derde brief van Hans Van Dyck aan Johan Braeckman
Beste Johan
Het is helemaal niet erg dat je je tijd hebt genomen om te antwoorden. Ik ben naar verluidt een geduldig man, geen haastige twitteraar. We zitten geregeld druk, druk, druk, maar we doen het onszelf aan. Het lijkt van alle tijden. Mensen die met veel passie en gedrevenheid in hun metier staan, ervaren een dag van slechts 24 uur wel vaker als een lastig keurslijf. Ik herinner me nog goed de reacties van enkele Britse en Zweedse professoren die ik als prille doctorandus in het begin van de jaren 1990 had aangeschreven om feedback te vragen op mijn onderzoeksproject. Ik heb hun brieven bewaard. We schreven en zonden toen nog papieren brieven met de post. Een enkele was zelfs in keurig handschrift. Als ik het mijn studenten vertel, menen ze dat ik de middeleeuwen nog heb meegemaakt. De brieven beginnen allemaal met excuses dat het langer heeft geduurd dan verhoopt wegens … erg druk. Om je enige troost te bieden, heb ik een tijdje gewacht om je derde brief te beantwoorden … (grapje).
Mijn tweede brief stipte meerdere thema’s aan. Ik had wellicht wat zorgvuldiger moeten selecteren, maar er zijn zo veel boeiende elementen die een voedingsbodem bieden voor onze briefwisseling. Je legt in je antwoordbrief de focus vooral op de kwestie dat 'wetenschappers’ er soms een boeltje van maken en ook op de problematische, soms bewuste verweving van wetenschap, pseudowetenschap en fake news vanuit belangengroepen. Het doet het vertrouwen in de club van wetenschappers geen deugd. Toch wijzen recente resultaten van de Vlaamse wetenschapsbarometer op een behoorlijk hoge vertrouwensgraad van het publiek tegenover 'de wetenschap’. Het cijfer varieert wellicht tussen wetenschappelijke vakgebieden. Evolutiebiologie roept mogelijk vaker weerstand op dan bijvoorbeeld deeltjesfysica. Ik ben het alleszins met je eens dat zorg voor een 'propere’ wetenschap een belangrijk thema is en blijft, niet het minst voor de opleiding van nieuwe lichtingen wetenschappers. Ik besteed in mijn onderwijs daarom veel aandacht aan methodologie en deontologie.
Ik beschouw wetenschap bedrijven als topsport. Ik meld het soms aan de arbeidsgeneeskundige als zij vraagt of ik aan sport doe. Toegegeven, zij vinkt het voorlopig nog niet aan bij mijn jaarlijkse controle. De metafoor die ik me permitteer, moet ik wellicht even toelichten. Lange wandelingen maken en wat lopen, kunnen we doorheen een evolutionaire bril zien als een deel van ons 'normale’ gedragsrepertoire. Marathons lopen is dat veel minder: dat is extreem. Dat doe je als gemiddelde homo sapiens niet zomaar. Die extreme prestatie vergt training en ook een adequaat lichaam en geest om mee van start te gaan en vol te houden. Wil je het meermaals doen, dan moet je blijven trainen. Een eenmalig succes staat niet per se garant voor toekomstig succes bij topsport. Je moet je telkens opnieuw bewijzen.
Ik heb het gevoel dat het met wetenschap niet anders is. Degelijke wetenschap bedrijven lijkt geen 'routinematige’ prestatie voor ons brein. Het is in zekere zin ook extreem. Met enige dichterlijke vrijheid zou je het als 'onnatuurlijk’ kunnen omschrijven. Door ons sociaal leervermogen en voldoende training kunnen we de wetenschappelijke methode meester worden, maar ons brein hervalt graag in zijn routinematige of 'natuurlijke’ manier van werken. De wetenschappelijke methode toepassen vergt daarom een permanente cognitieve discipline om reflexen van blind geloof en van andere, voor het brein handige shortcuts niet zomaar toe te laten. Makkelijke verhalen kunnen ons brein in verleiding brengen. Wetenschap is daarom vaak lastig en vergt inzet en volharding. We moeten daarom vaker op de publieke bühne praten over hoe wetenschap werkt en niet alleen over resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Het gebeurt nog te weinig, vind ik.
Het is niet omdat je ooit een wetenschappelijke studie uitvoerde dat je een carrière lang op wetenschappelijk verantwoorde wijze denkt en werkt. Er kan sleet op komen. Je moet wetenschappelijk denken en werken onderhouden. Het verklaart mede waarom zelfs Nobelprijswinnaars later in hun leven soms wetenschappelijke onzin uitkramen. Net als topsport vergt degelijke wetenschap permanente training, coaching en kwaliteitscontrole. Zoals je meldde, is het peerreviewsysteem – dat onderzoeksprojecten en publicaties in de vakliteratuur kritisch tegen het licht houdt voor ze uitgevoerd of gepubliceerd worden – niet steeds waterdicht. Maar we moeten niet alleen kijken naar de problemen die er zeker zijn, maar ook naar het feit dat we problemen detecteren en er ook geremedieerd wordt. Naast permanente aandacht voor kwaliteit van wetenschap, geldt het ook voor wetenschapscommunicatie.
Trouwens, ervaar jij de jongste tijd ook enige heisa over zogenoemde 'predatory journals’? Het zijn tijdschriften die zich voordoen als vakbladen, maar de regels van kritische review niet zo nauw nemen. Soms hebben deze onlinetijdschriften namen die lijken op bestaande vakbladen. Een vorm van malafide academische mimicry, zou je kunnen stellen. Na een uitermate korte tijd wordt een paper aanvaard en kan hij tegen betaling gepubliceerd worden. Publiceren tegen betaling is niet het probleem. Het is een model dat kennis vrij toegankelijk maakt eens hij gepubliceerd is. Het knelpunt is de gebrekkige of ontbrekende kwaliteitscontrole. Het illustreert andermaal dat alertheid en deontologie hoog op de wetenschappelijke agenda moeten blijven staan.
Je stelt in je brief ferm dat wetenschappers moeten zoeken naar de waarheid en niets dan de waarheid. Een waarheid als een koe, maar ook hier kunnen we verder redeneren. Wetenschap werkt met inzichtelijke kaders, paradigma’s. We maken aannames en toetsen hypothesen binnen zulke theoretische kaders. Wetenschapsgeschiedenis leert ons echter dat fouten en besluiten die naderhand onwaar bleken te zijn, toch ook leerzaam en zelfs nuttig kunnen zijn. Ze kunnen andere wetenschappers stimuleren om herhaalde testen uit te voeren en tijdelijk bewijs onderuit te halen. Wetenschap werkt met voortschrijdend inzicht. Soms maken we een sprong, dan keren we op onze passen terug. Een fascinerende tot soms tijdrovende processie van Echternach lijkt het soms wel. Het zijn verhalen van hobbelige trajecten van de making-of van kennis en inzichten die niet altijd helder verteld worden.
Als wetenschappers richten we ons voor onderzoek en onderwijs vooral op de nieuwste inzichten. Toch is de geschiedenis en de historische inkijk behind-the-scenes erg verhelderend en nuttig om beter te vatten wat wetenschap is en hoe zij werkt. Jou moet ik niet overtuigen van het belang van geschiedenis voor moderne wetenschap. Je stelde recent, samen met Linda van Speybrouck en een schare van boeiende auteurs, een veelbelovend boek samen over de geschiedenis van de biologie getiteld: Fascinerend leven. Het verschijnt binnenkort. Ik ben erg benieuwd.
Het boek en zijn thema brengen me terug bij een kwestie die me erg bezighoudt. Ik haalde het punt ook al aan in mijn eerdere brief, maar het verzoop wellicht wat tussen het weelderige bos van andere punten. Ik heb het over de geïnstitutionaliseerde scheiding tussen natuur- en menswetenschappen aan onze universiteiten. Jij zit formeel in het hokje van de menswetenschappen, ik zit bij de beestjes en de natuurwetenschappen. Wie alleen de mens bestudeert, veronderstelt vooral verschillen met andere levensvormen. Wie een breder biologisch perspectief hanteert, ziet naast markante verschillen ook fundamentele gelijkenissen tussen soorten die veel zeggen over het leven zoals het echt is op deze planeet. Door het facultaire tussenschot missen we vaak kansen om meer biologische inzichten te laten doorwerken in de menswetenschappen. Omgekeerd dringt bijvoorbeeld het belang van historisch onderzoek te weinig door in opleidingen van natuurwetenschappen.
De homo sapiens is ook een zoogdier. De wetenschappelijke vaststelling herleidt onze bijzondere eigen club niet tot 'maar een dier’, integendeel. Onze (zoog)dierlijkheid vormt een element dat beter niet gespeend wordt van de menswetenschappen. Las je het boek van Liam Drew: Ik, zoogdier. Het verhaal van onze zoogdierlijkheid? Heerlijk vond ik het.
Ik ben benieuwd hoe je hierover denkt. Zijn inzichtelijke verhalen over evolutiebiologie, biodiversiteit, klimaatverandering, gezondheid en omgeving niet gebaat bij het schieten van stevige gaten in het fictieve tussenschot dat we in onze universitaire structuren nog steeds optrekken tussen onze respectieve vakgebieden? Hoe breken we het tussenschot af, of zijn we meer gebaat met een mooi ecoduct voor frequenter inzichtelijk tweerichtingsverkeer tussen natuur- en menswetenschappen?
Opnieuw aan jou, Johan.

Ik wens je een fijn eindejaar
Kwintessens
Hans Van Dyck is als Hoogleraar Gedragsecologie en Natuurbehoud verbonden aan het Earth & Life Institute van de UCLouvain. Zijn onderzoekt focust op de winnaars en verliezers onder de dieren in landschappen op mensenmaat, met vlinders in een centrale rol. Recent publiceerde hij er een populariserend boek over: 'Het Orakel van de Bosnimf. Van Vlinders en Mensen' (Lannoo 2021).
_Hans Van Dyck -
Meer van Hans Van Dyck

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws