Kwintessens
Geschreven door Nick De Clippel
  • 400 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

19 mei 2021 Gullivers geschriften
Waarin konde wordt gedaan van de ontdekking van Gullivers reiskoffers en de geschriften daarin. Hoe daaruit bedenkingen volgen bij de politieke en sociale geplogenheden op het eiland waar de moedige zeereiziger ongewild te gast was.
Sinds de reiskoffers van kapitein Lemuel Gulliver recent zijn opgedoken in een oude paardenstal (nu een asielcentrum), weten we dat de cartografen uit de zeventiende eeuw het fout hadden en dat de fabels van Jonathan Swift (1667-1745) even verzonnen zijn als die van Jean de la Fontaine (1621-1695). De koffers zaten tjokvol met documenten en aantekeningen van Gulliver die een meer waarheidsgetrouw beeld schetsen dan de verhalen van de Ierse schrijver. Vanop zee leken Lilliput en Blefuscu twee eilanden, maar dat was gezichtsbedrog. In werkelijkheid ging het om twee delen van een en dezelfde landmassa die in 1815, gelijktijdig met de uitbarsting van de Tambora, hetzelfde tragische lot onderging als eertijds Atlantis. Uit de aantekeningen van Gulliver blijkt dat Lilliputters en Blefuscudianen lang niet zo klein waren als Swift beweerde. Ze waren gemiddeld een meter groot, waardoor we er vandaag van kunnen uitgaan dat ze waarschijnlijk nazaten waren van de Homo floresiensis die zowat 50 000 jaar geleden leefde op een van de grotere Indonesische eilanden in de buurt. Net als de floresmens hadden zowel Lilliputters als Blefuscudianen opvallend grote voeten, dat wil zeggen uitzonderlijk lange tenen. De twee stammen leefden grotendeels door elkaar op eenzelfde grondgebied, maar de bewoners van het eiland ten zuidwesten van Sumatra waren hopeloos verdeeld over hoe je een gekookt eitje moet aantikken. Deed je dat aan de bovenkant (veeleer conisch) dan wel aan de onderkant (bolvormig)? Dit schijnbaar onbelangrijk gegeven maakte dat de samenleving tot op het bot polariseerde over om het even welk onderwerp. Verder blijkt uit de koffers dat Lilliputters en Blefuscudianen nagenoeg hun hele geschiedenis elk zowat de helft van de bevolking uitmaakten. Wisselende meerderheden maakten dat elk van de twee delen van de bevolking zich om de beurt verdrukt heeft gevoeld. Eén welbepaald jaar in de geschiedenis van het eiland leken de problemen opgelost, want zowel de Lilliputters als de Blefuscudianen maakten toen precies de helft uit van de bevolking en dus ook van de stemmen. Helaas staat dat jaar in de annalen vermeld als het Buridanusjaar, vernoemd naar de veertiende-eeuwse scholasticus (die ze blijkbaar kenden) en diens ezel. Dat arme dier – we bedoelen de ezel – kreeg twee exact gelijke haverzakken op precies gelijke afstanden voorgeschoteld, kon onmogelijk kiezen en stierf dus van de honger. Het Buridanusjaar was er een van politiek immobilisme en chaos.
Een meerderheid en de bijhorende verdrukking waren dus noodzakelijk voor een goed bestuur en behalve in dat hoogst uitzonderlijke jaar ook nog eens onvermijdelijk. De oppressie door de contingente meerderheid van een bepaalde periode kon enkel opgelost worden door die meerderheid te vervangen door een andere, wat helaas opnieuw verdrukking installeerde. Oude documenten die Gulliver bestudeerde, tonen aan dat in ver vervlogen tijden de onderdrukking soms extreme vormen aannam. Denk aan slavernij, kunstroof, verbale en fysieke agressie … Die misdaden werden afwisselend begaan door Lilliputters en Blefuscudianen, waardoor aangenomen wordt dat het veeleer over een antropologisch gegeven dan een aangeboren kenmerk van de ene of de andere bevolkingsgroep gaat. Volgens de bekendste historicus van het eiland, Adam Tiefschild, zijn er in een bepaald decennium meer doden gevallen dan het eiland inwoners had, maar bij gebrek aan betrouwbare cijfers werd die overtuiging enkel gedeeld door de meerderheid die op dat ogenblik aan de macht was. Toch leerde ook de kleine mens uit zijn fouten. Thomas Hobbes (de mens is een wolf voor de medemens) verloor in het armworstelen van Jean-Jacques Rousseau (de mens is van nature goed). Ook al waren de vernoemde Verlichtingscoryfeeën hun naar alle waarschijnlijkheid onbekend, toch begrepen Lilliputters steeds beter dat maximaal accommoderen van de culturele eigenaardigheden van de Blefuscudianen ook in het eigen belang was. Et vice versa. Diversiteit en tolerantie behoorden tot de kernwaarden van het eiland. Van de historische mistoestanden van hierboven (slavernij, roof, moord) bleven algauw nog enkel uitbuiting, culturele appropriatie en agressie betaan, om te eindigen met loondienst, métissage en microagressies.

Eén keer in de geschiedenis moet de minderheid beduidend klein geweest zijn (vermoedelijk door een virus waarbij de ene groep wel en de andere niet gehoor gaf aan strenge contactmaatregelen). Uit de archieven blijkt dat vooral in die periode de voornaamste vorm van verdrukking in de ogen van de minderheid daarin bestond een minderheid te zijn. De meerderheid van de meerderheid werd gekapitteld als meerderheidsprivilege en derhalve onrechtmatig. Privilege en verdrukking zijn immers de twee zijden van eenzelfde munt. Het ene bestaat niet zonder het andere. Een kritische Lilliputter maakte evenwel een lijst op van vijftig (50) punten die volgens haar duidelijk maakte dat het privilege van de eigen bevolking niet meer of minder was dan vanzelfsprekend, vermits haar volk op dat ogenblik het grootste getal had. We geven een bloemlezing met de originele nummering:

1. Ik kan probleemloos het grootste deel van mijn tijd met Lilliputters doorbrengen.

7. Lilliputtercultuur wordt vooral door Lilliputters gemaakt tot wat ze is.

12. In de handel- en dienstensector vind ik veel wat (sic) aansluit bij mijn cultuur.

23. Ik kan kritiek leveren op de politiek zonder als buitenstaander bekeken te worden.

46. Ik vind moeiteloos pleistertjes die beter passen bij de kleur van Lilliputters (Lilliputters hadden een andere teint dan Blefuscudianen, ndc)

50. Ik voel me welkom en 'normaal' (originele aanhalingstekens) in het publieke leven, zowel institutioneel als sociaal.

50bis. Ik kan mijn eitje zonder veel commentaar correct aantikken zoals Lilliputters dat altijd hebben gedaan.

Volgens Gulliver bleek dat veel privilege evengoed de economische situatie van de schrijver of schrijfster kon evoceren, want ook op het eiland bestonden verschillende sociale klassen die soms wel en soms niet bepaald werden door de groep waartoe men behoorde, maar blijkbaar vond men dat irrelevant.
Bevreemdend is dat in Gullivers koffers een identiek document gevonden werd met dezelfde datum, waarop in plaats van Lilliputter telkens Blefuscudiaan geschreven stond.
Privilege/verdrukking is ook vandaag een thema, want de volledige lijst werd recent (1989) nog een keer met dezelfde nummering gekopieerd (met uitzondering van 50bis) door Peggy McIntosh om het 'witte privilege' in de Verenigde Staten zwart te maken! De toestand is daar minder wisselvallig dan op het eiland, maar waar 72% zich als blank identificeert, is niet meteen duidelijk hoe alle privileges uit de lijst zouden kunnen verdwijnen. (Voor wie wat wil vergelijken: in het Verenigd Koninkrijk zag in 2011 87% zichzelf als blank, terwijl in België een groeiend percentage zichzelf als wit in plaats van blank omschrijft, waardoor geen vaste cijfers meer beschikbaar zijn).
Karl Marx en Friedrich Engels werkten tussen 1845 en 1848 in Brussel aan wat pas in 1932 (!) zou uitgegeven worden als Die Deutsche Ideologie. Het lijkt er sterk op dat tussen de ondergang van Lilliput en Blefuscu (pro memoria 1815) en de uitgave van 1932 aantekeningen van Gulliver de uiteindelijke tekst hebben beïnvloed, meer bepaald daar waar Marx en Engels betogen dat dingen als recht, instituties en kennis enkel dienen om de verdrukking door de bezittende klassen te dienen. De gelijkenissen tussen enkele reiskofferdocumenten en een paar communistische geschriften zijn te opvallend om van tafel te vegen en het kan dus niet anders dan dat er voor de ontdekking van de reiskoffer al kopieën van (een deel van de) de inhoud van de koffer moeten gecirculeerd hebben. We weten dat Marx soms de Brusselse vlooienmarkt bezocht en in de briefwisseling met Engels lezen we dat hij minstens één keer geld vroeg aan zijn rijkere vriend voor de aankoop van bijzondere documenten. Een belangrijke opmerking tussendoor: de filosofen van Lilliput en Blefuscu zetten net zoals Marx en Engels de (exacte) wetenschappen apart. Die staan als het ware boven de wisselvalligheden van economie, politiek en het sociale leven en maken dus geen deel van het spel van dominantie en verdrukking. Dat onderscheid blijkt vandaag in economische, politieke en sociale faculteiten veel van haar pluimen te hebben verloren. Niet verwonderlijk, want hedendaagse denkers zitten niet gevangen in het intellectuele tijdsgewricht van Marx of de eilandbewoners en plukken de vruchten van voortschrijdend inzicht.
In de eeuw van Marx en Engels is het een welvarende minderheid, de bourgeoisie, die het dominante discours levert, terwijl dat op het eiland telkens de meerderheid was. Dat is ook de logische gang van zaken. De idee dat zowat alles neerkomt op verdrukking door een onvermijdelijk dominant discours – of een dominante cultuur – is sinds Marx Gulliver las niet meer weg geweest, maar werd bij ons vooral door Michel Foucault tot een wet van Meden en Perzen verheven. Als alles en nog wat verdrukking/privilege is, noemen we dat tegenwoordig systemisch. Lilliputters en Blefuscudianen hadden het dan ook systematisch over de systemische privileges van de Lilliputters en Blefuscudianen en noemden dat Lilliput Privilege of Blefuscu Privilege, afhankelijk van de recentste verkiezing.
Maar ondanks gemopper aanvaardde de minderheid op Gullivers eiland de dominantie van de meerderheid vanuit de gedachte dat er voldoende gemeenschappelijke doelen waren om dat te rechtvaardigen. Dan kan men zich uiteraard de vraag stellen wat er zou gebeurd zijn zonder die gedachte, zoals ten tijde van de Franse Revolutie. Iets dergelijks hebben onze eilandbewoners evenwel nooit meegemaakt, want meer nog dan Japan hielden ze de grenzen potdicht, waardoor 1789 ook aan hen volledig is voorbijgegaan (Japan werd in 1853 manu militari opengewrikt door de Amerikanen). Een andere vraag: hoe zouden de eilandbewoners hun samenleving hebben ingericht als een van beide stammen door divergerende fertiliteit voorgoed een meerderheid zou gekregen hebben? Een dominant discours zou dan niet enkel onvermijdelijk, maar tegelijk bestendig geweest zijn. En wat als dat dominante discours dan de belangen van de minderheid uit het oog zou verliezen? Een ei aan 'de verkeerde kant' aantikken zou algauw gelijk gestaan hebben aan activisme, terwijl alleen al de vanzelfsprekendheid waarmee de meerderheid aantikte aan 'de juiste kant' niet minder dan een privilege genoemd kon worden. Het lijkt erop dat het risico op dit scenario veeleer klein was, want zoals hierboven gezegd, waren tolerantie en diversiteit een acquis van de samenleving.
Een van de mooiste schilderijen ooit gemaakt is The Fighting Temeraire van William Turner (1789-1862). Een donkere sleepboot met rokende stoommotor trekt een statig en in licht badend zeilschip naar de sloop. De gelige lucht rond de ondergaande zon zou te wijten zijn aan de zwavel die de vulkaan Tambora in de atmosfeer spuugde. Turner heeft die rare luchten gezien in het jaar dat Lilliput en Blefuscu in de oceaan verdwenen. Hoe zou het Lilliput en Blefuscu vergaan zijn als ook zij de moderne tijd werden binnengetrokken. We zullen het nooit weten.
Kwintessens
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven).
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws