• |
Kwintessens
Geschreven door Johan Braeckman
  • 1258 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

2 april 2020 Over Samuel Pepys, de pest en corona
Toen in december 2019 de eerste berichten over corona verschenen, leek het allemaal nogal mee te vallen. De Chinese stad Wuhan is ver weg, en de cijfers waren niet echt alarmerend. Enkele doden gisteren, een vijftal vandaag. Morgen nog een paar, maar overmorgen praten we er niet meer over. Dat gevoel werd bij mij nog versterkt omdat ik net op dat moment het dagboek van Samuel Pepys aan het lezen was. Heerlijke lectuur.
Pepys (1633-1703) begon zijn loopbaan als klerk bij de marine, maar klom op tot secretaris van de admiraliteit, was een tijdje parlementslid en werd voorzitter van de Britse Nationale Academie voor Wetenschappen. Hij hield zijn dagboek bij van 1660 tot 1669. Hij gebruikte een geheimschrift, waardoor hij zeer eerlijk en vrijmoedig schrijft. Hij verwachtte niet dat anderen zijn ontboezemingen zouden lezen. Na zijn dood bleven de dagboeken bewaard, en in de eerste helft van de negentiende eeuw slaagde John Smith, een dominee met veel vrije tijd, erin om ze te ontcijferen. Omdat Pepys nogal vaak over zijn seksuele escapades schrijft, werden de dagboeken oorspronkelijk slechts gedeeltelijk en gecensureerd gepubliceerd. De volledige uitgave beslaat bijna vierduizend pagina's. Ik las een selectie die is uitgegeven in de reeks Privé-domein (Arbeiderspers): Geheim dagboek van een puritein (1969). We krijgen een bijzonder geestige inkijk in het dagelijks leven van een geletterde en verstandige man die in het zeventiende-eeuwse Londen leefde, en die enerzijds zijn uiterste best doet om zich aan de christelijke leer en de wetten van zijn land te houden, maar zich anderzijds ook voortdurend laat verleiden door de geneugtes van het leven. Op elke pagina staan pareltjes, ik kan het niet nalaten er meerdere te citeren. Hij beschrijft vaak triviale, huishoudelijke kwesties, maar daar tussenin duiken dit soort berichten op: "Toen ik vanmorgen (…) op weg was naar White Hall kwamen we Venner en Pritchard en nog twee andere aanhangers van de Vijfde Monarchie tegen die op een kar naar de galg werden gevoerd. Ze zijn vandaag gehangen en de eerste twee zijn ook gevierendeeld". De 'Vijfde Monarchie' was een sekte die, in de woorden van Pepys "verwacht dat Jezus binnenkort op aarde zal terugkeren om de wereld te regeren. Omdat ze er zeker van zijn dat hun werk, ook al kost het hun het leven, met succes zal worden bekroond, wilden de meesten zich niet overgeven, maar moesten met geweld worden overmeesterd of gedood". Hij getuigt geregeld in zijn dagboek over gruwelijke publieke terechtstellingen, toentertijd een attractie. Maar evengoed schrijft hij dit: "Vandaag is onze kanarie doodgegaan; ik had hem al drie of vier jaar en was er erg ontdaan van."
Dat onze morele opvattingen en etiquetteregels sterk veranderd zijn sedert Pepys' tijd, blijkt uit talloze van zijn aantekeningen. Ook de precieze betekenis van wat een dame is, lijkt te zijn geëvolueerd: "Met mijnheer Bridgen een glas bier gaan drinken en daarna ben ik naar de schouwburg gegaan. Ik zat nogal in het donker achterin een loge, zodat een dame vóór mij die me niet zag zitten per ongeluk op me heeft gespuwd; maar ze was heel mooi en daarom vond ik het niet erg." Nog eentje die ik onderstreepte: "Vanmorgen merkten we dat onze lekkere bedden vol ongedierte zaten; we hebben er erg moeten om lachen".
Pepys is ook voortdurend bezorgd over de uiterlijke schijn; hij wil absoluut tot de juiste klasse worden gerekend: "Vandaag voor het eerst mijn degen bij mijn jas gedragen toen ik uitging. Dat is op het ogenblik de mode onder voorname mensen". Doorheen het dagboek duiken ook voortdurend voorbeelden op van zeventiende-eeuwse vormen van bijgeloof, onwetendheid en nieuwlichterijen: "Aan tafel had ik een interessant gesprek met mijnheer Ashmole. Hij vertelde me dat het vaak voorkomt dat kikkers en zekere soorten insecten niet door voortplanting ontstaan, maar levend en wel uit de hemel komen vallen". En verderop: "Mijn vrouw en ik hebben bij lady Pen iets heel curieus gezien: ze had een kom met water waarin ze vissen houdt, die daarin kunnen blijven leven; ze hebben prachtige kleuren en komen uit het buitenland".
De relatie met zijn vrouw komt zeer veel ter sprake. Soms gaat het goed, maar even vaak hebben ze ruzie en zijn er spanningen: "Een beetje kwaad op mijn vrouw omdat ze mij toevertrouwde dat ze de urine van jonge hondjes op haar gezicht smeert; dat heeft ze van mijn tante Wight geleerd, die het voor haar lelijke tronie gebruikt". Of: "Heb er vanmorgen speciaal op gelet of mijn vrouw een broek aantrok; hoewel ze dat inderdaad deed, de ziel, bleef ik toch achterdochtig – vooral toen ze zei dat ze even uit moest om een boodschap te doen". En: "Kreeg vanmorgen ruzie met mijn vrouw dat het huis er niet netter uitziet. Heb haar voor slons uitgescholden en zij mij voor muggenzifter, waar ik erg boos over was". Nog eentje, omwille van de onbedoelde humor: "Kreeg vanmiddag ruzie met mijn vrouw omdat ze me niet wilde vertellen of ze uit was geweest. Heb haar hard aan haar neus getrokken".
_De Grote Plaag in Londen
Maar waar ik naartoe wou, zijn de aantekeningen die hij maakt over de uitbraak van de pestepidemie in Londen in 1665 en 1666. Honderdduizend Londenaars stierven, een kwart van de bevolking. Ondanks dat enorme aantal doden, was de uitbraak in de zeventiende eeuw relatief onschuldig in vergelijking met de pestepidemieën in de veertiende eeuw (zie Barbara Tuchmans boek De waanzinnige veertiende eeuw uit 1978). Op 29 juni 1665 schrijft Pepys: "De pest breidt zich dagelijks uit; ook in ons deel van de stad. Er zijn deze week 267 doden; dat is ongeveer negentig meer dan verleden week". Op 20 juli noteert hij: "Vanmiddag naar Redrif gelopen, waar de pest ook al heerst naar ik hoor – zoals trouwens bijna overal. Er zijn deze week 1089 mensen aan de pest gestorven". Ondanks het feit dat men erin slaagde om nauwkeurig het aantal slachtoffers bij te houden en zich bewust was van het besmettingsgevaar (zonder de precieze oorzaak van de ziekte te kennen), ging het leven in Londen gewoon verder. Zo schrijft Pepys dat hij aan een trouwfeest deelnam: "Heb vanavond de bruidegom gezelschap gehouden toen hij zich uitkleedde op zijn kamer en veel plezier gehad, totdat hij naar de kamer van de bruid werd geroepen. Daar stapten ze in bed. Ik heb de bruid in bed gekust". Tien dagen later, op 10 augustus, noteert hij: "Het sterftecijfer van deze week bedraagt in totaal 4000, waarvan meer dan 3000 aan de pest. Vanavond heb ik een nieuw testament gemaakt, want ik had gezworen dat voor morgenavond te doen. Door de pest is het nu zo gevaarlijk in de stad, dat je niet weet of je de volgende twee dagen nog zult halen". En op de laatste dag van augustus: "Een triest einde van de maand. In de stad zijn deze week 7496 doden, waarvan 6102 aan de pest. Wat mijzelf betreft, ik maak het uitstekend".
De alarmerende cijfers verhinderen de ijdele Pepys niet om zich ook zorgen te maken over zijn uiterlijk: "Heb mijn mooie kostuum van gekleurde zijde aangetrokken met mijn nieuwe pruik. Die had ik al een tijd in huis, maar durfde hem niet te dragen omdat de pest al in Westminster was uitgebroken toen ik hem daar kocht. Ik vraag me af hoe het zal gaan met de pruikenmode als de pest voorbij is, want niemand zal ze durven kopen uit angst dat het haar afkomstig is van iemand die aan de pest is gestorven". De ziekte lijkt maar niet over te gaan. Op 20 september noteert hij: "Wat een droeve tijden maken we toch mee! Op de rivier varen bijna geen boten meer en op de binnenplaats van Whitehall groeit het gras tussen de stenen. En het ergste is nog dat de pest weer zeshonderd slachtoffers meer heeft gemaakt dan vorige week; en we hadden juist gehoopt dat de ziekte af zou nemen nu de kou is ingevallen". Twee weken later is er reden tot vreugde, omdat "het aantal doden door de pest deze week met zevenhonderdveertig is afgenomen". En op 22 november: "Ik hoorde tot mijn vreugde dat de pest erg is teruggelopen, nog maar zeshonderd deze week". Dertig november: "Grote vreugde omdat er deze week maar vijfhonderdvierenveertig doden zijn, waarvan driehonderddertig aan de pest". Op 12 februari 1666 schrijft hij, na een ontmoeting met de luitmeester van zijn knecht: "Ik had hem sinds het uitbreken van de pest niet meer gezien, maar hij is al die tijd in Westminster gebleven en is er goed doorheen gekomen. Hij vertelde mij hoe roekeloos de mensen op het laatst werden: ze gingen, als verzetje, naar begrafenissen kijken. En het gebeurde ook dat de zieken uit nijd de gezonde mensen die voorbij kwamen in hun gezicht ademden".
_Plagen in onze tijd
Ik vermoed dat het ergens begrijpelijk is dat ik de cijfers uit China over het coronavirus relativeerde, tijdens mijn lectuur van Samuel Pepys' verslag van de Londense pestepidemie. Ik had nochtans beter kunnen weten. Toen ik lang geleden Menselijke Ecologie aan de Vrije Universiteit Brussel studeerde, zat ook een cursus virologie in het lessenpakket. Ik herinner me dat de professor ons erop wees dat het domste virus nog altijd slimmer is dan de slimste immunoloog. Later kwam ik die uitspraak vaker tegen, in diverse boeken over infectieziekten. Ik las het boek van Laurie Garrett, The Coming Plague (1994). Garrett (°1951) leerde begin jaren tachtig in haar opleiding immunologie dat infectieziekten grotendeels overwonnen waren, dankzij antibiotica en vaccins. Dat leek in strijd met de occasionele berichten, reeds in de jaren zeventig, over vreemde aandoeningen zoals de veteranenziekte en ebola. Kort daarna maakte de wereld kennis met hiv en aids, wat ons definitief van het valse geloof verloste dat we onkwetsbaar zijn voor micro-organismen. Volgens een inschatting van de Wereldgezondheidsorganisatie maakte aids in 2018 wereldwijd nog 770 000 slachtoffers. Een kleine veertig miljoen mensen is op dit moment besmet met het virus. Sinds de eerste diagnoses in de jaren tachtig is ruim dertig tot veertig miljoen mensen er aan overleden. Garrett maakt in haar boek, ondertussen zesentwintig jaar geleden, duidelijk dat we voor altijd op onze hoede moeten zijn, in acht genomen hoe evolutie door natuurlijke selectie werkt. Micro-organismen muteren en vermenigvuldigen zich zeer snel, waardoor ze op korte tijd resistent kunnen worden tegen de beste medische en farmacologische verdedigingslinies die de wetenschap kan bedenken. We geraken er nooit van af. Er zijn schitterende, zij het enigszins deprimerende, historische studies gewijd aan de gigantische invloed van infectieziekten op de menselijke evolutie, zowel biologisch als cultureel. Ik denk aan Plagues and People van William McNeill (1976) en Zwaarden, paarden en ziektekiemen van Jared Diamond (Engelse uitgave uit 1997). Ook de lijst van infectieziekten op de Engelstalige Wikipedia is tamelijk indrukwekkend.
Het menselijk geheugen is helaas kort. De zogenaamde Spaanse griep uit 1918-1919 maakte wereldwijd tientallen miljoenen slachtoffers. De schattingen lopen uiteen van twintig tot honderd miljoen. Het drama van de Spaanse griep is amper honderd jaar geleden, een tijd waarin mijn vier grootouders reeds geboren waren (ondertussen zijn ze al geruime tijd ook overleden), maar wie kan er vandaag iets zinvols over vertellen? Velen zijn goed geïnformeerd over de eerste wereldoorlog, hoewel die relatief gezien veel minder slachtoffers maakte. Er zijn meerdere boeken over die dramatische episode geschreven, het laatste van de hand van Laura Spinney: De Spaanse griep. Hoe de pandemie van 1918 de wereld veranderde (Engelse editie 2017).
_Jager-verzamelaars, boeren en vleermuizen
Vleerhonden in Sydney, Australië (foto: Gwenny Cooman)
Het merendeel van de infectieziekten die ons teisteren, sommige reeds millennia lang, zijn te wijten aan de neolithische revolutie. Zoals Jared Diamond opmerkt, hadden we ons bestaan als jager-verzamelaar beter niet opgegeven. Adam en Eva hadden zich nooit uit het aards paradijs mogen laten verjagen. Door landbouw en veeteelt te ontwikkelen, of misschien beter: door onszelf tot een bestaan als boer en boerin te laten veroordelen, gingen we sedentair leven, met steeds meer mensen samengehokt in steden, zeer dicht bij dieren en vaak in slechte hygiënische omstandigheden. De ideale situatie voor virussen en andere micro-organismen, die hun kans schoon zagen om over te springen van dieren op mensen. We zijn vertrouwd met zogenaamde beschavingsziektes, zoals obesitas en sommige kankers, maar tal van infecties die we kunnen oplopen zijn te wijten aan het feit dat we onszelf civiliseerden, dat wil zeggen ons zwervende bestaan als jagers-verzamelaars opgaven. Veel beschavingsziektes zijn dan ook niet recent, maar bestaan makkelijk reeds vijf- tot tienduizend jaar. Ik citeer even uit de Amerikaanse evolutiebioloog Daniel Liebermans boek Het verhaal van het menselijk lichaam. Evolutie, gezondheid en ziekte: "De mens heeft een angstaanjagend scala aan afschuwelijke ziektes, meer dan vijftig in totaal, over zichzelf afgeroepen door zo dicht in de buurt van dieren te gaan leven. Daartoe behoren enkele buitengewoon enge en onaangename ziekteverwekkers, die niet zelden groot gevaar voor de mens in zich dragen: tuberculose, mazelen en difterie (van de koe), lepra (van de waterbuffel), griep (van het varken en de eend), en de pest, tyfus en wellicht ook de pokken (van ratten en muizen)." (2014, pag. 233).
Jagers-verzamelaars waren en zijn ook kwetsbaar, maar minder. Niet alleen omdat ze niet met gedomesticeerde dieren samenleven, maar ook omdat ze domweg niet met genoeg zijn. Veel micro-organismen hebben, om zich succesvol te kunnen verspreiden, grote groepen mensen nodig. Maar virale infecties kunnen ook voortkomen door contact met niet-gedomesticeerde dieren. De coronapandemie die we nu meemaken is er vrijwel zeker een voorbeeld van. (Aangezien er meerdere coronavirussen zijn, moeten we het strikt genomen over COVID-19 hebben; wat slaat op Corona Virus Disease 2019). Hoewel het nog niet helemaal zeker is, bevond het virus zich zeer waarschijnlijk in een of meerdere slangen, otters, dassen, miereneters of andere wilde dieren, die op de 'vismarkt' van Wuhan, China, courant als voedsel worden verkocht. Beelden van die zogenaamde 'wet markets', in China maar ook in veel andere landen, zijn hallucinant. Op de bewuste – ondertussen verboden – markt in China werden ook ratten, honden, katten, wasberen en zelfs koala's verhandeld. Er is blijkbaar een vrij grote kans dat vleermuizen de oorspronkelijke bron van het virus zijn. Vleermuizen zijn dragers van veel virussoorten en kunnen andere dieren besmetten. Het is natuurlijk ook mogelijk dat het virus rechtstreeks van vleermuizen in mensen terechtkwam, aangezien ook vleermuizen in sommige culturen als voedsel worden beschouwd. Het komt erop neer dat de menselijke soort alles wat eetbaar is ook effectief verorbert ergens ter wereld, hoe weerzinwekkend het voor onze westerse smaak ook mag zijn. Ik las voor het eerst over een volk dat vleermuizen eet in het boek Het eiland der kleurenblinden, van Oliver Sacks. Hij beschrijft een vreemde ziekte die vooral in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw veel mensen trof van de Chamorro-cultuur, op het eiland Guam. De ziekte veroorzaakte Alzheimerachtige symptomen en verlamming en kon tot de dood leiden. Sacks toont aan dat de oorzaak hoogstwaarschijnlijk een virus is dat zich in vleerhonden ('flying foxes') bevond, een lekkernij voor de lokale Chamorro bevolking. Toen ik dit las, dacht ik dat het hoogst uitzonderlijk was. Maar blijkbaar worden vleermuizen, van de allerkleinste tot de grootste soorten, in vrij veel culturen gegeten. De niet onaardige antropologische documentairereeks Tribe van de Brit Bruce Parry toont er meerdere voorbeelden van. Hij brengt enkele weken door bij de weinige volkeren die nog min of meer als jagers-verzamelaars leven; meerdere keren blijkt vleermuis op het menu te staan. Bovendien eet men de dieren niet gevild en ontdaan van ingewanden en dergelijke, zoals wij pakweg konijn eten. Letterlijk alles wordt opgepeuzeld, de beelden zijn niet geschikt voor kijkers met een gevoelige maag.
_Samenwerking op lange termijn, voor een gemeenschappelijk doel
Maar of COVID-19 nu al dan niet van een vleermuis afkomstig is, is op dit moment niet onze grootste zorg. De vraag is: hoe stoppen we de verdere verspreiding van het virus? Er zijn in het grootste deel van de wereld tal van drastische maatregelen genomen, met hopelijk snel goede resultaten tot gevolg. (Op het moment van dit schrijven moeten we afwachten.) Misschien ontwikkelt men binnen afzienbare tijd een medicijn om de ziekte te behandelen, en een vaccin om besmetting te voorkomen. Maar misschien ook niet. Ik wil nog één bedenking naar voren brengen, met name dat de coronaproblematiek illustreert hoe fundamenteel belangrijk samenwerking, over alle geografische, nationale, culturele en andere grenzen heen, wel is. Het is niet onbegrijpelijk dat landen een parochiale, eigen volk eerst-reflex ontwikkelen: de grenzen hermetisch afsluiten; ziekenhuisbedden enkel voor diegenen met de juiste nationaliteit; geen mondmaskers of medicatie uitvoeren naar andere landen etc. Maar de enige grens die er echt toe doet, is die tussen mensen enerzijds en het virus anderzijds. We zullen met zijn allen moeten samenwerken om de gemeenschappelijke vijand die ons allen bedreigt te verslaan. Dat doen we best door elkaar maximaal te helpen, door wetenschappelijke studies te stimuleren en informatie te delen, door rationeel advies te verspreiden en pseudowetenschappelijke onzin uit de wereld te helpen. We hebben nood aan een combinatie van humanistische waarden en doortastende maatregelen gebaseerd op kritisch, rationeel denken. Van landen gevangenissen maken waar niemand nog uit of in kan, zal ons op termijn niet helpen. Wie denkt dat de schuld van de coronacrisis aan de globalisering is te wijten, vergeet dat reeds eeuwen geleden, lang voor de moderne scheep- en luchtvaart, open grenzen en snelwegen, micro-organismen reeds miljoenen doden veroorzaakten. (Verhoudingsgewijs overigens veel meer dan in onze tijd.) We kunnen het ons op langere termijn bovendien ook niet permitteren vanuit welvaarts- en economisch perspectief. Als Turkije het niet alleen aan kan, dan heeft Griekenland er belang bij om de Turken te helpen. Als Iran de epidemie niet onder controle krijgt, dan moeten de Verenigde Staten bijspringen. Enzovoort. Wie de logica hiervan niet inziet vanuit een solidariteitsprincipe, kan ze allicht wel begrijpen vanuit eigenbelang: één zieke Aziaat kan de ziekte opnieuw doen opflakkeren in het westen, en omgekeerd.
Samenwerken met vreemden, concurrenten of zelfs vijanden, zit niet in onze psychologie ingebakken. Wie vertrouwd is met het zogenaamde 'gevangenendilemma' weet dat we eerder geneigd zijn om egoïsme als een rationele strategie te beschouwen, wat irrationele effecten heeft. De filosoof Michael Vlerick heeft dat in zijn recent gepubliceerde boek De tweede vervreemding. Het tijdperk van de wereldwijde samenleving (2019) indringend en helder beschreven. De inzichten die hij in zijn boek ontwikkelt, gebaseerd op speltheorie, economie en moraalwetenschap, zijn van fundamenteel belang om te begrijpen hoe we globale problemen, zoals de klimaatopwarming en de coronacrisis, kunnen oplossen. Cruciaal is het kunnen weerstaan aan de verleidingen van het groepsbelang en het kortetermijndenken. Als we de coronacrisis, zoals andere planetaire problemen, niet vanuit globaal perspectief en met het oog op het langetermijnbelang benaderen, dan lopen we het risico dezelfde weg op te gaan als pakweg de Neanderthaler of de Homo denisova. Ongetwijfeld zal onze soort ooit verdwijnen, maar wat mij betreft mag het best nog een tijdje duren.
Een ingekorte versie van dit essay verscheen eerder in De Morgen.
Kwintessens
Hoogleraar wijsbegeerte UGent en lid van de humanistische denktank Kwintessens
_Johan Braeckman -
Meer van Johan Braeckman

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws