• |
Kwintessens
Geschreven door Alain Vannieuwenburg
  • 320 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

1 maart 2019 Uitstelgedrag als beleidsoptie: over moskeeën, levensbeschouwing en overheid
In diverse kranten verscheen op 22 februari een beknopt artikel dat melding maakte van een beslissing van Vlaams minister van Binnenlands Bestuur Liesbeth Homans (N-VA) om de komende vijf jaar geen enkele moskee in Vlaanderen meer te erkennen.
De bevoegde minister is van oordeel dat de bestaande erkenningsvoorwaarden voorbijgestreefd zijn en dat het erkennen pas kan na het doorlopen van een soort proefperiode. Deze proefperiode maakt blijkbaar deel uit van een pakket maatregelen. Andere aandachtspunten zijn de transparantie omtrent de mogelijke geldstromen naar geloofsgemeenschappen, de zogeheten importimans (met bijzondere aandacht voor de lange arm van Erdogan) en de inburgeringsplicht. Zij komt tot deze conclusie op basis van een onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven. Op basis van dit onderzoek voert ze dus nieuwe criteria in voor o.a. gebedshuizen die een erkenning aanvragen.
De criteria die momenteel gelden zijn het best samen te brengen onder de noemer maatschappelijke relevantie. Hieronder moet worden verstaan de mate waarin de geloofsgemeenschap participeert in de lokale geloofsgemeenschap, het niveau van inburgering van haar leden en de openheid van de betrokken geloofsgemeenschap naar de samenleving toe.
Minister Homans worstelt reeds geruime tijd met dit dossier. Zij is echter niet de enige die hierin beslissingsbevoegdheid heeft. Eind 2017, in het kielzog van een dispuut over de erkenning van moskeeën, besliste minister van Justitie Koen Geens (CD&V) moskeeën grondiger op veiligheidsrisico’s te laten screenen. Het leek een strategische zet om Vlaams minister Homans (en enkele van haar collega’s) onder druk te zetten. Het is immers het Gewest dat de erkenning uitreikt.
Dit dossier en de aanpak ervan laten toe enkele bedenkingen te formuleren.
Een eerste bedenking is dat het onderzoek toevertrouwd werd aan de Katholieke Universiteit Leuven. Een universiteit waarvan algemeen geweten is dat ze nauwe relaties onderhoudt met de rooms-katholieke kerk, net die historisch dominante levensbeschouwing die aan de haal gaat met het grootste deel van de subsidiekoek. Enige subtiliteit in deze ware wellicht wenselijk geweest.
Een tweede algemene bedenking is dat, rekening houdend met de, ingevolge de opeenvolgende staatshervormingen opgesplitste bevoegdheidsverdeling wat de materie van de erkenning en de financiering van erediensten en levensbeschouwingen betreft (en ook rekening houdend met de afschaffing van de provincies), er ontegensprekelijk nood is aan een volledige herziening van dit dossier en hierbij de toewijzing aan één bestuursniveau wenselijk is.
De nood aan een gedegen aanpak is des te urgenter omdat reeds in 2006 in het uitgebreide verslag van de Commissie van Wijzen, belast met het onderzoek van het statuut van de bedienaars van de erkende erediensten, voorstellen werden geformuleerd m.b.t. de nood aan coördinatie van de regelgeving overeenkomstig de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie. De resultaten van die doorlichting van de bestaande wetgeving en administratieve praktijk waren trouwens bepaald onthutsend. Een tweede onderzoek uit 2010 door de Werkgroep Magits-Christians, werkgroep belast met de hervorming van de wetgeving inzake erediensten en niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties, resulteerde in duidelijke voorstellen tot aanpassing. De Werkgroep leverde zelfs een voorontwerp van wet af. Beide gedegen studies lijken niet langer relevant.
Een laatste bedenking is dat dit alles een voorbeeld is van uitstelgedrag. De kans dat de nieuwe erkenningscriteria nog voor de verkiezingen goedgekeurd raken is immers verwaarloosbaar.
Het Belgische erkennings- en ondersteuningsbeleid dreigt echter vast te lopen, wegens een gebrek aan transparantie en soliede gegevens, kortom wegens een gebrek aan materiaal dat een effectief en efficiënt beleid zou moeten sturen, niet in het minst wegens de vrees om de doos van Pandora te openen.
De verhouding tussen de erkende levensbeschouwingen en de overheid grondig herdenken en op de rails te zetten voor de 21ste eeuw is echter geen overbodige zaak.
Het is duidelijk dat het principe van de gelijke behandeling van alle levensbeschouwingen weinig of geen prioriteit heeft. Over het heikele onderwijsdossier willen wij het hier dan nog niet hebben.
Kwintessens
-
_Alain Vannieuwenburg Ethicus, promovendus Universiteit Leiden
Meer van Alain Vannieuwenburg

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws