• |

Scheiding van kerk en staat

De scheiding van kerk en staat was en is een belangrijk strijdpunt van de georganiseerde vrijzinnigheid. Ze raakt de kern van onze doelstelling: ervoor ijveren dat de overheid gevrijwaard blijft van levensbeschouwelijke inmenging en dat alle (erkende) levensbeschouwingen op een gelijkwaardige manier bejegend worden.

Thema’s en aspecten van de problematiek

Waarom de scheiding van kerk en staat?

John Locke verspreidde via zijn ‘Letter on toleration’ (1689) het inzicht dat geen enkele levensbeschouwing of belangengroep het recht op een monopolie over de politieke organisatiebeginselen van de maatschappij mocht vorderen. Een echte ‘civil society’ moest er één zijn van conflicterende strekkingen en belangen. Aldus kwam Locke tot een normatieve verdediging van het pluralisme en de levensbeschouwelijke tolerantie. Als de perceptie van ‘het goede leven’ niet afhankelijk is van een normenhiërarchie opgelegd door één levensbeschouwing, dan moet een natie volgens Locke eenheid vinden in neutrale, formele beginselen en procedures “die de discussie en het samenleven mogelijk maken zonder een vooraf bepaalde hiërarchie van waarden”. Dat formalisme moest de grondslag van een democratische ordening van een rechtsstaat en van een scheiding der machten zijn.

De VUB-professoren Derks en Stouthuysen onderscheiden vier modellen over de ideale organisatie van de staat op levensbeschouwelijk vlak: het verzuilingsmodel, het model van de vrije levensbeschouwelijke markt, het anticlericale model en het normatief burgerschapsmodel. Zij verwerpen het verzuilingsmodel wegens sociologisch achterhaald en ook het model van de vrije levensbeschouwelijke markt, waarin elke levensbeschouwing zich vrij mag organiseren, wordt niet gesteund wegens een te vrezen inflatie aan levensbeschouwelijk getinte organisaties die onvermijdelijk zou leiden tot inactiviteit. Ook het anticlericale staatsmodel zijn de auteurs niet genegen wegens “utopisch en onwenselijk” en “door de realiteit achterhaald”. Dit model vinden zij “negentiende eeuws”, te veel gericht op confrontatie met de gelovigen en bovendien tegenstrijdig met vrijzinnige waarden als pluralisme en tolerantie. Daarom verdedigen zij wel het normatief burgerschapsmodel waarin alle steun uitgaat naar collectieven die een verenigingsleven uitbouwen dat niet gericht is op het verwerven van macht als sleutel tot subsidies van de overheid, maar dat zich wel tot doel stelt de maatschappelijke meningsvorming te beïnvloeden.

Scheiding van kerk en staat op bovenlokaal niveau: België als systeem

De Belgische grondwet van 7 februari 1831 was een compromis tussen de katholieken en de liberalen. De katholieken waren gekant tegen een stelsel van scheiding tussen kerk en staat, de liberale atheïsten steunden op de principes van de Franse Revolutie. Aartsbisschop de Méan van Mechelen drong bij de liberalen aan op de vrijheid van godsdienst en onderwijs en vroeg gunsten als compensatie voor de nationalisering van de kerkgoederen door Napoleon. Het hoeft geen betoog dat het toen heersende belangenparallellisme tussen de revolutionairen en de katholieken (Willem van Oranje was protestants) bepaalde afspraken bespoedigde. Dupriez kenmerkte de nieuwe verhoudingen in België zo: « On a caracterisé le système du Congrès, qui n’est ni la séparation de l’église et de l’état, ni la subordination de l’une à l’autre, comme un système d’indépendance mutuelle entre les cultes et l’état dans lequel l’état doit aux cultes moraux professés en Belgique non seulement la liberté mais encore aide et protection. » (Bullet. Soc. – Etudes législ. 1905, p. 99)

België is een seculiere staat en huldigt de scheiding tussen Kerk en Staat als een fundamenteel beginsel. De Staat bemoeit zich niet met de benoeming of installatie van de bedienaren van de erediensten die een volledige vrijheid kennen wat inwendige organisatie betreft. Men noemt het Belgische systeem ‘sui generis’, omdat de verhouding tussen Kerk en Staat er zeer bijzonder is: België kent geen strikte scheiding, geen staatsgodsdienst en is ook geen concordatair regime, maar zweert bij een relatieve scheiding en wederzijdse onafhankelijkheid van kerk en staat. Enkele gevolgen van deze speciale regeling in België zijn de volgende:

  • De Kerk is autonoom in haar werking
  • De Belgische overheid toont zich bereid om de financiële last van de grondwettelijk gewaarborgde godsdienstvrijheid te dragen. Artikel 181 van de Grondwet stelt: “De wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten komen ten laste van de staat: de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken”. Twee voorwaarden gaan de erkenning van een eredienst vooraf: de wetgever moet berekenen of de eredienst voldoende gepenetreerd is in de bevolking én de uitoefening van de eredienst moet openbaar zijn. Momenteel zijn erkend: de katholieke, de protestantse, de joodse, de anglicaanse, de islamitische en de orthodoxe godsdiensten. Sinds de rondwetswijziging van 1993 wordt ook de georganiseerde vrijzinnige gemeenschap erkend, al lieten de uitvoeringsbesluiten van deze hervorming tot het jaar 2001 op zich wachten.
  • Openbare instellingen (kerkfabrieken, consistories, …) die zich bezighouden met het beheer van goederen die gebruikt worden voor erediensten, krijgen rechtspersoonlijkheid toegekend.
  • Er is een financiële tussenkomst van de provincies en gemeenten bij tekorten op de begroting van deze instellingen.
  • De huisvesting van de uitvoerders van de erediensten wordt verzorgd door de Staat.
  • Aalmoezeniers en morele consulenten staan in voor het geestelijk welzijn van personen in de krijgsmacht, in de gevangenis, in het hospitaal etc.
  • In officiële scholen worden zowel niet-confessionele als confessionele moraallessen aangeboden.
  • De openbare radio en TV zenden religieuze en vrijzinnige programma’s uit, alsook sommige missen.
Scheiding van Kerk en Staat op lokaal niveau: de gemeente

Er bestaan verschillende politieke niveaus. Het hoogste is op wereldniveau, dan spreken we over de Verenigde Naties. Je hebt ook het niveau van de werelddelen, voor ons is dan de Europese Unie belangrijk. Daarnaast is het niveau van de landen, voor ons is dat het federale België, dat verdeeld is in Gewesten en Gemeenschappen, maar ook in provincies. Het laagste politieke niveau is de gemeente. Zo heb je er in Vlaanderen 309. Hier bekijken we op welke manier een lokale politicus of een lokale vereniging kan toekijken op de naleving van het principe van scheiding van Kerk en Staat in zijn/haar gemeente.

Inplanting VOC’s en huizenvandeMens

Een VOC is een Vrijzinnig Ontmoetingscentrum. Je vindt ze in tal van steden en gemeenten in Vlaanderen en Brussel. Het zijn ontmoetingsplekken voor vrijzinnigen en sympathisanten, waar activiteiten en vergaderingen doorgaan. VOC’s zijn autonome verenigingen zonder winstoogmerk, opgericht op initiatief van plaatselijke vrijzinnige kernen. Ze worden uitgebaat door vrijwilligers van de lokale vrijzinnige verenigingen (HVV, Willemsfonds, Vermeylenfonds,…) en professioneel ondersteund door een moreel consulent van deMens.nu. Er zijn momenteel 25 VOC’s in Vlaanderen en Brussel, ze zijn verenigd in de vzw Federatie van Vrijzinnige Ontmoetingscentra.

De Huizen van de Mens zijn de eerste portalen van de georganiseerde vrijzinnigheid in Vlaanderen en Brussel.  Mensen kunnen er terecht voor informatie over de lokale vrijzinnige werking en voor morele dienstverlening (bij huwelijken, overlijdens, existentiële vragen,…). De Huizen van de Mens worden bemand door professionele medewerkers (moreel consulenten) en ondersteund door begeleidingsteams van vrijwilligers. DeMens.nu vult haar spreidingsplan zelf in volgens behoefte en financiële mogelijkheden en vindt daarbij steun bij de provincies.

Voorstel
De gemeente organiseert een behoeftenonderzoek bij haar inwoners om te peilen naar de wenselijkheid van de opening van een VOC. Het kan gaan om de opening van een eerste VOC, maar ook om de opening van een bijkomend VOC of verhuis naar een grotere locatie. Als de behoefte bestaat, vragen we aan de gemeente om jaarlijks een bedrag in te schrijven in de begroting voor de subsidiëring van de werking van het VOC.
Mechelen heeft zo een VOC. Het is gevestigd in het hart van de stad en bruist van de activiteiten. De stad Mechelen geeft op twee manieren steun aan dit VOC. Ze huurt een gebouw bij een particulier om dienst te doen als VOC en ze subsidieert ook de activiteiten die er plaatsvinden. Er gaan nu stemmen op om te verhuizen naar een grotere locatie, gezien het succes van het VOC en het groeiende aantal vrijzinnige verenigingen. Daarvoor zijn constructieve gesprekken opgestart met de stad.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 - De lokale mandataris start een gesprek op met de plaatselijke vrijzinnige vereniging(en). Samen bekijken ze of er behoefte is aan een nieuw of een bijkomend VOC. Zo ja, wordt er contact gezocht met de bevoegde schepen met de vraag om steun te zoeken binnen de meerderheid en het College van Burgemeester en Schepenen.

Stap 2 – Organiseer een persactie om jouw voorstel kracht bij te zetten. Huur voor één dag een leegstaand of actief winkelpand (sluitingsdag) en richt het in als VOC. Regel een optreden van een stand up comedian of een begenadigd spreker en nodig pers en geïnteresseerden uit.

Gemeentelijke begraafplaatsen

De aula’s van de gemeentelijke begraafplaatsen zijn ruimtes waar begrafenisplechtigheden worden gehouden. Ze hebben, net zoals de begraafplaats waartoe ze behoren, een neutraal karakter. Het zijn sfeervol ingerichte ruimtes, waar plechtigheden van gelijk welke levensbeschouwelijke overtuiging kunnen plaatsvinden. Maar meestal gaan hier burgerlijke of vrijzinnige begrafenissen door.

De meeste gemeenten hebben een kerk – meestal een katholieke – waar (katholieke) begrafenisplechtigheden plaatsvinden. Maar zeker de kleinere gemeenten hebben geen (neutrale) begrafenisaula voor burgerlijke, vrijzinnige of andere begrafenisplechtigheden op hun begraafplaats. Veel burgerlijke of vrijzinnige begrafenissen kunnen doorgaan bij privé-begrafenisondernemers die over een eigen infrastructuur beschikken, maar dat gaat lang niet op voor alle gemeenten en die zaaltjes zijn vaak te klein voor een grote groep rouwenden. Gezien de voortschrijdende secularisering van onze bevolking, ontstaat hier dus een behoefte die niet nieuw is, maar die wel steeds prangender wordt.

Het komt ook vaak voor dat de aula van een stedelijke begraafplaats te klein is. Het is voor niemand leuk om afscheid te moeten nemen van een nabestaande, wanneer men niet kan zitten, of - erger nog - wanneer men de plechtigheid buiten moet volgen. Ook hier stellen we vast dat deze situatie zich steeds vaker voordoet, omdat er nu eenmaal meer en meer vrijzinnigen of ongelovigen zijn wiens begrafenis veel volk op de been brengt.

Voorstel
Op basis van een sociologisch onderzoek van haar inwoners, bekijkt de gemeente of er een (neutrale) aula moet gebouwd worden op de gemeentelijke begraafplaats. Als er al een aula bestaat, gaat de gemeente na of een uitbreiding wenselijk is.
In Mechelen heeft de vrijzinnige gemeenschap ervoor geijverd om de aula van de stedelijke begraafplaats uit te breiden van 99 naar 350 zitplaatsen. Na drie jaren van onderzoek en gesprekken met het stadsbestuur werd de uitgebreide aula feestelijk geopend op 25 oktober 2010.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 – De lokale mandataris overlegt met de gemeentelijke diensten om het aanbod en de exploitatiecijfers van de gemeentelijke begraafplaats te bekijken.

Stap 2 – Als er een behoefte bestaat voor de bouw van een aula of voor de uitbreiding van de bestaande aula, dan brengt de mandataris dit punt op de agenda van de gemeenteraad. Deze agendering kan gecombineerd worden met een visuele actie enkele dagen ervoor. Samen met een moreel consulent van deMens.nu en de vrijwilligers van een lokale vrijzinnige vereniging kan er een ludieke “vrijzinnige” begrafenis geënsceneerd worden. Beelden van een doodskist doen het altijd goed in de media!

Herbestemming kerkgebouwen

Vroeger was bijna iedereen in ons land katholiek. Door de secularisering en komst van andere culturen en godsdiensten is dat vandaag niet meer het geval. Er gaan wekelijks nog 250.000 Vlamingen naar de kerk, dat is ongeveer 5%. Toch zijn er alleen al in Vlaanderen nog steeds ongeveer 1800 kerken en zes kathedralen. Ongeveer een derde daarvan is historisch beschermd. Leegstaande kerken zijn een verspilling van gemeenschapsgeld, omdat er altijd wel kosten aan verbonden blijven. Een gebouw dat leegstaat, is sneller onderhevig aan schade en verkrotting, waardoor er hoge onderhouds- en renovatiekosten ontstaan. Bovendien zijn veel gemeenten (vruchteloos) op zoek naar ruimten voor collectieve voorzieningen.

Steeds meer kerken krijgen daa    rom een herbestemming. Dat betekent dat ze gedesacraliseerd worden en dat ze een profane functie krijgen. Een ontwijding is daarbij niet strikt noodzakelijk, maar een desaffectatie wel. Dat is een zuiver juridische procedure waardoor de parochiekerk niet langer een openbare functie heeft. Maar daarvoor is er altijd een kerkrechtelijke beslissing nodig, volgens de regels van het canoniek recht.

Minister Bourgeois heeft de gemeentebesturen in Vlaanderen gevraagd om een langetermijnvisie uit te werken. In 2013 moet er een meerjarenplan uitgetekend zijn.

Er zijn veel nieuwe functies mogelijk voor een kerkgebouw: appartementsgebouw, museum, gezondheidscentrum, bibliotheek, sociaal restaurant, hotel,… De uiteindelijke bestemming zal vaak afhangen van flankerende parameters zoals ruimtelijke ordening, lokale behoefte, mobiliteitsrapporten enz.

Voorstel
We dringen erop aan dat de bevoegde schepen een overleg opstart met de betrokken actoren over kerkelijk patrimonium in het algemeen en herbestemming van kerkgebouwen in het bijzonder in de gemeente en dat de resultaten van dat overleg resulteren in een rapport dat wordt overgemaakt aan de minister.
Enkele voorbeelden:

  • In 2006 vroeg de stad Antwerpen aan het katholieke bisdom om een deel van zijn kerkgebouwen af te staan aan protestantse en evangelische kerkgemeenschappen die wel veel volk over de vloer kregen.
  • De Antwerpse Augustinuskerk is verbouwd tot muziekcentrum Amuz.
  • In Sint-Niklaas werd de Theresiakerk herbestemd tot sociale kruidenier “De Springplank”.
  • De Sint-Katelijnekerk in Brussel is via een ijzeren hek in tweeën verdeeld. De katholieke parochianen hebben hun gedeelte en de Roemeense orthodoxen hebben hun gedeelte. Er bestaan plannen om de kerk om te vormen tot een groentemarkt.
  • In Maastricht werd de kloosterkerk van de minderbroeders omgedoopt tot studiezaal van het Rijksarchief.
  • De voormalige Wolweverskapel in de Korte Dagsteeg in Gent werd een trendy kledingzaak.
  • In Tongeren, Bilzen, Harelbeke en Geraardsbergen werden kloosters omgevormd tot sociale wooneenheden.
  • In Leuven en Brugge gaven kloosterordes hun toestemming om de kloostertuinen toegankelijk te maken voor het grote publiek. In Mechelen werd door een politieke partij dezelfde vraag gesteld aan aartsbisschop Léonard en zijn aartsbisschoppelijk paleis met tuin.
  • De Sint-Niklaaskerk in Ieper herbergt vandaag een stedelijk onderwijsmuseum. Er gaan stemmen op om de kerk tot toegangspoort te maken van het nieuwe winkel- en wooncentrum De Meersen-De Looie.
  • Mechelen heeft een forse traditie wat herbestemming van kerken betreft: de Minderbroederskerk (werd een Cultureel Centrum), Heilige Geestkapel (huisvest nu figurentheater De Maan), Karmelietenkerk (nu hotel St. Martin’s Patershof), Arme Klarenklooster (thans een seniorie) en Predikherenkerk (nieuwe stadsbibliotheek).
  • In Munsterbilzen werd een hulpkerkje na verkoop in 2003 ingericht als… frituur.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 - Het is zeer belangrijk om omzichtig om te gaan met dit soort van dossiers. Omdat de toestemming voor een herbestemming meestal van de bisschop moet komen en er dus veel diplomatie aan te pas komt. Het is dus beter om een gestructureerd en constructief overleg op te starten met de kerkfabriek, de bisschop en de bevoegde schepen of burgemeester, dan een ludieke actie te organiseren waarbij je voor een kerk gaat staan om ze “officieel te openen als bibliotheek of als zorgcentrum”.

Stap 2 – Na dit overleg kan het gemeenteraadslid op de gemeenteraad een vraag agenderen voor het opstellen van een beleidsnota inzake herbestemming van religieuze gebouwen.

Controle op de kerkfabrieken

Elke parochie in Vlaanderen heeft een kerk, waarvan het beheer meestal in handen is van een kerkfabriek. Die kerkfabriek beheert de materiële middelen die nodig zijn voor de uitoefening van de eredienst in de parochie. De gemeenten zijn verplicht om de tekorten van de kerkfabrieken bij te passen, net zoals de tekorten van de kathedrale kerkgemeenschappen, de orthodoxe kerken en de islamitische moskeeën door de provincies moeten worden bijgepast. Naast die tekorten moeten de gemeenten ook een deel van de onderhoudskosten op zich nemen en een woonstvergoeding betalen aan priesters die niet over een pastorie beschikken. We danken dit systeem aan een Keizerlijk Decreet dat Napoleon in 1801 afsloot met paus Pius VII, waardoor de Belgen nog steeds afdragen, ook al zijn ze niet gelovig. Napoleon kocht namelijk de steun van de katholieke kerk door beloftes te maken die het verlies van de kerk – de Franse revolutionairen hadden de kerkelijke bezittingen genationaliseerd – moesten compenseren. Bij de stichting van België in 1830 werd deze regeling gewoon opgenomen in de Grondwet, waardoor wij vandaag nog steeds schulden afbetalen van de Franse revolutionairen. De dotatie van de Belgische gemeenten aan de kerkfabrieken bedroeg in 2010 ruim 75 miljoen euro. Deze kosten stijgen elk jaar met 4%.

De kerkfabrieken kosten de gemeenten jaarlijks veel geld en controle is er nauwelijks. Vroeger kon de gemeenteraad een rekening of begroting slechts negatief adviseren, waarna ze naar de Bestendige Deputatie ging die ze alsnog kon goedkeuren. Vandaag echter kan een gemeenteraad zo’n rekening of begroting ook schorsen.

Een kerkfabriek is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid en is gebonden aan de passieve openbaarheid van bestuur, zoals vastgelegd in artikel 32 van de Grondwet: “Iedereen heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regelgeving…”.

Voorstel
De gemeenteraad moet de rekeningen en begrotingen van de kerkfabrieken strenger controleren. Het is aan te raden dat de gemeente de detailposten van de rekeningen en begrotingen van de kerkfabrieken zou opvragen. Vandaag heeft men meestal enkel inzage in de algemene posten.

De gemeenteraad kan de meerjarenplannen van de kerkfabrieken, ingediend door het centraal kerkbestuur, afkeuren.  De provinciegouverneur moet er zich dan over uitspreken. Zowel de kerkfabriek als de gemeentelijke overheid kunnen tegen die beslissing van de provinciegouverneur beroep aantekenen bij de Vlaamse regering. Wanneer de gevraagde bijdrage in het jaarlijks budget de voorziene bijdrage in de meerjarenplanning overschrijdt, kan de gemeenteraad, zonder daartoe verplicht te zijn, het budget wijzigen, zodat het terugkeert binnen de perken van het meerjarenplan, behalve wat betreft “de kosten (…) die betrekking hebben op het vieren van de eredienst”. De gemeente moet die beslissing tot wijziging voorleggen aan de provinciegouverneur en de kerkfabriek kan ertegen in beroep gaan bij de provinciegouverneur. Over de jaarrekeningen van de kerkfabrieken heeft de gemeenteraad enkel adviesrecht. Hier is het dus de gouverneur die beslist.

Men zou de kerkfabrieken ook kunnen laten fusioneren, naar analogie met de gemeentelijke fusies in 1976-77. Op die manier kan de solidariteit tussen de kerkfabrieken spelen: wat de ene kerkfabriek tekort komt, kan bijgepast worden door de andere(n). De oprichting van een centraal kerkbestuur doet geen afbreuk aan deze vraag, want het centrale kerkbestuur is slechts een overlegorgaan dat de belangen van de afzonderlijke kerkfabrieken in hun relatie met de gemeentelijke overheid behartigt en instaat voor het gecoördineerd indienen van het meerjarenplan, de budgetten en de jaarrekeningen van de kerkfabrieken. Van transferten van de ene naar de andere kerkfabriek is geen sprake. Een wijziging van deze regelgeving is materie voor het Vlaams Gewest, maar niets belet de lokale mandataris om zijn partij of lokaal parlementslid hierover aan te spreken.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 - Het gemeenteraadslid dringt erop aan dat er zich binnen zijn fractie minstens één iemand bezighoudt met de agendapunten over de kerkfabrieken.

Stap 2 – Als er uit de detailposten van meerjarenplannen, jaarbudgetten en jaarrekeningen blijkt dat er door de kerkfabriek niet verantwoordelijk wordt omgesprongen met inkomsten en/of uitgaven, of als blijkt dat er onvoldoende transparantie bestaat, dan keurt het gemeenteraadslid en bij voorkeur de ganse fractie het agendapunt niet goed, doet men een voorstel van wijziging of geeft men een negatief advies.

Straatnaamgeving

De meeste gemeenten hebben wel ergens een Leopoldlaan, een Kanunnik De Deckerstraat of een Pastoor Van Genechtendreef. Maar bestaan er ook veel straten die genoemd zijn naar atheïsten, naar seculiere wetenschappers of naar uitgesproken vrijzinnige humanisten? Ze bestaan ongetwijfeld, maar het mogen er gerust meer zijn, zeker als we hun aantal in de weegschaal leggen met het aantal straten die genoemd zijn naar katholieke voortrekkers. Wat denk je van een Darwinstraat? Of een Spinozalaan? Of een Karel Cuypersplein? Moeten het trouwens altijd mannen zijn? Is er al een Mary Wollstonecraftpark in België?

Volgens het Decreet tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen van 28 januari 1977 is de gemeenteraad bevoegd voor het vaststellen of wijzigen van een straatnaam. Een gemeentebestuur kan daarbij altijd een beroep doen op de Koninklijke Commissie van Advies voor Plaatsnaamgeving. Bij het vaststellen van een nieuwe straatnaam is het gebruikelijk dat er een advies wordt gevraagd aan de gemeentelijke cultuurraad, maar er is geen verplichting daartoe. Daarna stellen eerst het College van Burgemeester en Schepenen en de Gemeenteraad een voorlopige naam voor. Na een periode van 30 dagen (aanplakking) waarin er bezwaren kunnen geformuleerd worden, zal de Gemeenteraad definitief beslissen. Bij het wijzigen van een straatnaamvolgt men dezelfde procedure, maar worden ook alle betrokkenen bij de beslissing tot wijziging aangeschreven.

Voorstel
De volgende legislatuur moet er minstens één straat genoemd of hernoemd worden naar een vrijzinnige humanist met lokale of bovenlokale verdiensten.

De Darwinstraat in Elsene heette vroeger Rue des Barnabites (Barnabietenstraat), verwijzend naar de voormalige kapel (1897-1898) die nu vervangen is door de Barnabietenkerk (1905), gelegen op het einde van de straat in Vorst. De straat werd herdoopt tot Charles Darwinstraat, naar de befaamde Engelse natuuronderzoeker (1809- 1882).

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 – De lokale afdeling of mandataris legt een lijstje aan van mogelijke personen naar wie een straat kan genoemd worden. Je kan bijvoorbeeld putten uit gegevens van de plaatselijke geschiedenis, het kunst- en cultuurleven, de toponymie en de volkskunde. Hou er rekening mee dat het Decreet voorschrijft dat men geen naam mag gebruiken van een nog levende persoon. Bovendien komen enkel de namen van uit historisch, wetenschappelijk of algemeen-maatschappelijk oogpunt belangrijke figuren in aanmerking. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan figuren die voor de gemeente of voor de onmiddellijke omgeving van betekenis geweest zijn.

Stap 2 – Bespreek het voorstel met een aantal lokale politici die het voorstel waarschijnlijk wel genegen zijn en organiseer een feestelijke opening – met straatnaambord, hapjes en champagne – van de nieuwe ‘xxx-straat’. Nodig de pers en de lokale politici uit.

Aparte zwemuren in openbare zwembaden

Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig. Culturele of godsdienstige bepalingen die daar afbreuk aan doen, kunnen hun waarde hebben voor particuliere culturen of godsdiensten, maar kunnen voor een overheid, die haar regels bepaalt op basis van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, nooit als basis dienen voor uitzonderingsmaatregelen. De vraag naar aparte zwemuurtjes voor vrouwen in openbare zwembaden is zo’n uitzonderingsmaatregel. Wij zijn tegen zo’n aparte zwemuurtjes, tenzij er in het gemeentelijk reglement een mogelijkheid bestaat voor groepen om het zwembad gedurende bepaalde uren af te huren. Op dat moment kan er niet geweigerd worden, omdat men dan zou discrimineren op basis van cultuur of godsdienst. Ook voor de zwemles op school mogen er geen uitzonderingen gemaakt worden.

Voorstel
Het reglement van het gemeentelijk openbaar zwembad laat geen aparte zwemuren toe voor specifieke doelgroepen. Trainingen in het kader van een opleiding tot redder of aparte zwemuren voor mensen met een specifieke aandoening (medische reden) zijn wel mogelijk.

In juni 2012 stelden drie moslima’s in Mechelen voor om apart zwemmen voor vrouwen in te voeren. Er was volgens hen nood aan sportmogelijkheden voor allochtone vrouwen en ze hadden niet de financiële mogelijkheden om het zwembad gedurende bepaalde periodes af te huren. De reactie van de bevoegde Schepen van Sport was negatief: “Maar er zijn al enorm veel mogelijkheden voor moslimvrouwen om te zwemmen of een andere sport te beoefenen. Tezamen met mannen natuurlijk, want we gaan geen segregatiepolitiek in stand houden. Dat is niet meer van deze tijd.” (Bron: Het Nieuwsblad online, 29 juni 2012)

De stad Gent schafte in 2003 de aparte zwemuurtjes voor allochtonen en voor senioren af. De Schepen van Sport wilde de publieksuren voor iedereen vrijhouden en niet voor specifieke doelgroepen. Gent, maar ook Londerzeel, kwamen de laatste jaren in het nieuws omdat ze om hygiënische redenen burkini’s weigerden in hun openbare zwembaden.

Hoe verwezenlijken?
Het kan best gebeuren dat er tijdens de legislatuur een actiegroep opstaat die aparte zwemuurtjes eist voor vrouwen, voor allochtonen, voor moslima’s enz. Meestal is het de bevoegde Schepen van Sport die daarop reageert. In de meeste politieke fracties bestaat de afspraak dat het individuele gemeenteraadslid individueel mag stemmen in ethisch-levensbeschouwelijke kwesties. Maak gebruik van die afspraak en laat uw stem horen, zowel tijdens de gemeenteraad als voor- of achteraf via een persbericht.

Religieuze symbolen in stembureaus

Wanneer de infrastructuur van openbare gebouwen niet volstaat om verkiezingen in te richten, kan het College van Burgemeester en Schepenen beslissen om andere lokalen in gebruik te nemen. Bijvoorbeeld de lokalen van vrije scholen. De Vlaamse overheid houdt nog steeds vast aan haar standpunt dat de tijdelijke openbare functie van een (katholiek) klaslokaal de aard en de bestemming van dat klaslokaal niet wijzigen. Wij zijn het daar niet mee eens. Wanneer lokalen of gebouwen worden ingericht als kieslokaal, verandert hun functie en krijgen ze het karakter van openbaar gebouw, waarin neutraliteit moet gelden. Zo niet, kunnen andersdenkenden aanstoot nemen aan het religieuze symbool en kunnen ze erdoor geïntimideerd worden, wat hun stemgedrag kan beïnvloeden. Dat moet vermeden worden.

Dezelfde redenering geldt voor voorzitters of bijzitters in het kiesbureau en eventuele dracht van religieuze symbolen zoals kruisbeeldjes of hoofddoeken. Zij vertegenwoordigen de overheid in hun tijdelijke functie en moeten wat ons betreft neutraliteit uitdragen.

De Vlaamse overheid, die toeziet op de organisatie van gemeenteraadsverkiezingen, laat beslissingen over religieuze symbolen en neutraliteit in het stembureau over aan de lokale voorzitter van het stembureau. De lokale voorzitter heeft de politie over het bureau en kan – al dan niet na een klacht – beslissen om religieuze symbolen te laten verwijderen.

Voorstel
In afwachting van een duidelijk standpunt van de Vlaamse regering, stellen wij voor dat het gemeentebestuur er bij de aangeduide voorzitters van de stembureaus op aandringt de neutraliteit te vrijwaren. Het gemeentebestuur licht de voorzitters ook in over hun rechten en plichten ter zake.
“Telkens er verkiezingen zijn in de gemeente Galmaarden, stel ik vast dat er kruisbeelden hangen in de klaslokalen van het gemeentelijke onderwijsnet. Je kunt er gewoonweg niet naast kijken!” (getuigenis enquête)

Hoe verwezenlijken?
Veel lokale mandatarissen treden in het stembureau op als getuige namens hun partij. Wees bij de pinken en wijs de voorzitter op mogelijke religieuze symbolen. Dien desnoods een klacht in of laat uw vraag en de eventuele weigering van de voorzitter opnemen in het proces-verbaal van het stembureau.

Kledij overheidspersoneel

Een van de beginselen van onze democratische rechtsstaat is dat de overheid neutraal is. De noodzaak voor een ambtenaar met een gezagsfunctie, zoals een rechter, een onderwijzer of een politieagent, is duidelijk. Maar gezien de toenemende diversiteit is het geen overbodige luxe het toepassingsgebied van het verbod op levensbeschouwelijke tekens – vaak onterecht verengd tot een hoofddoekenverbod - uit te breiden naar alle ambtenaren, want elke vorm van discriminatie van een minderheidsgroep en/of dominantie van een meerderheidsgroep is uit den boze. En hoewel geen enkel individu strikt neutraal is, mag er toch procedureel gestreefd worden naar neutraliteit. Wij verkiezen deze houding, omdat neutraal geklede ambtenaren het meest aansluiten bij de boodschap die de overheid wil overbrengen: iedereen wordt gelijk bediend, ongeacht levensbeschouwelijke voorkeur. Het dragen van levensbeschouwelijke symbolen kan in hoofde van de burger afbreuk doen aan die boodschap en kan onnodig verdeeldheid zaaien in de relatie tussen de ambtenaar en de burger.

Deze procedurele neutraliteit is inderdaad een beperking van de godsdienstvrijheid, maar geen enkel recht is absoluut. Want Artikel 9 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) stelt dat dergelijke inmenging in of restrictie van de godsdienstvrijheid kan, als ze een gelegitimeerde doelstelling nastreeft, evenredig is met die doelstelling en wettelijk wordt vastgelegd. Eenduidig communiceren over de neutraliteit van de overheid lijkt ons zo’n gelegitimeerde doelstelling.

Wij wensen ook geen onderscheid te maken tussen back en front office, want ambtenaren staan onderling niet altijd op gelijke voet en zeker in een hiërarchische relatie is het belangrijk dat niemand zich geïntimideerd voelt door de levensbeschouwelijke voorkeur van een overste. Gezien de thans geldende principes van dialoog en transparantie (openbaarheid van bestuur), komen burgers meer en meer in aanraking met de ambtenaren back office. Ook daarom is er geen reden om het toepassingsgebied van ons voorstel te beperken tot de ambtenaren die instaan voor het onthaal van de burgers.

Voorstel
Het gemeentebestuur voorziet een bepaling in de deontologische code van haar ambtenaren die stelt dat het dragen van politieke of levensbeschouwelijke kentekens tijdens de uitoefening van de job verboden is.

  • Na advies van de speciale commissie-Stasi, besliste Frankrijk in 2004 dat hoofddoeken niet toegelaten zijn in de openbare scholen.
  • In 2007 voerde de stad Antwerpen een kledingcode in: ambtenaren die in contact komen met de burger mogen geen ‘uiterlijke symbolen van levensbeschouwelijke overtuiging’ dragen.
  • Soms gaat het verbod op levensbeschouwelijke kentekens verder dan enkel ambtenaren. In veel scholen geldt bijvoorbeeld ook een verbod op levensbeschouwelijke symbolen voor de leerlingen. Zo kwam het Koninklijk Atheneum van Antwerpen in 2009 in het oog van de storm terecht. Om de druk die op jonge meisjes werd gezet om een hoofddoek te dragen, te verlichten, beslisten directrice Karin Heremans en haar lerarenkorps om een hoofddoekenverbod in te stellen. Dit verbod werd, samen met een algemeen verbod uitgevaardigd door het Gemeenschapsonderwijs, aangevochten via betogingen en procedures bij de Raad van State en het Grondwettelijk Hof.


Hoe verwezenlijken?
Kledingvoorschriften voor ambtenaren is een zeer gevoelig thema en kan voor grote verdeeldheid zorgen binnen een coalitie. Zorg er daarom voor dat er over dit thema duidelijke afspraken gemaakt worden in het coalitieakkoord. Op die manier vermijdt u dat dit onderwerp een splijtzwam wordt binnen de meerderheid waar je eventueel deel van uitmaakt. Als u in de oppositie zetelt, kunt u dit onderwerp uiteraard zonder problemen maar in overleg met de rest van uw fractie op tafel gooien.

Overdracht gemeentescholen

Vlaanderen kent verschillende onderwijsnetten. Tot het officieel onderwijs behoren de scholen van het Gemeenschapsonderwijs (GO!),  het stedelijk onderwijs en het provinciaal onderwijs. Daarnaast zijn er de vrije netten, waaronder het katholieke en het vrijzinnige onderwijs. In veel gemeenten werd het stedelijk onderwijs de laatste jaren overgeheveld naar een ander net, vaak omwille van besparingen in de gemeentelijke uitgaven. De overdracht van gemeentelijke scholen naar een ander net hangt meestal af van lokale coalities. Wij vinden dat een gemeentelijke school altijd moet overgedragen worden naar een school van het GO! Enkel zo blijft openbaar onderwijs openbaar en blijft de garantie op het aanbieden van niet-confessionele zedenleer overeind. Voorlopig ontbreekt er Vlaamse regelgeving op dit vlak.

Artikel 24 § 1 van de Grondwet stipuleert dat de gemeenschap de keuzevrijheid van de ouders op levensbeschouwelijk vlak moet waarborgen. Dat kan alleen door in elke gemeente officieel onderwijs te organiseren. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. Die neutraliteit houdt onder meer de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen in. De scholen, ingericht door openbare besturen, bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Voorstel
Het gemeentebestuur zal bij een overdracht van een gemeentelijke school altijd kiezen voor een overdracht naar het GO!.

  • In Oostnieuwkerke besliste het gemeentebestuur in mei 2010 om vanaf 1 september 2010 geen gemeentelijk onderwijs meer aan te bieden. Het gemeenteschooltje werd verkocht aan het vrije net.
  • In 2004 besliste het gemeentebestuur van Zutendaal om het gemeenteschooltje over te dragen aan het katholieke net. De oppositie diende een klacht in bij de provinciegouverneur van Limburg, maar die klacht werd afgewezen. Het actiecomité “Ontevreden Ouders” spande daarna een kortgeding aan omdat het vreesde dat de vrije keuze voor het vak niet-confessionele zedenleer in het gedrang kwam. Dat proces werd door de ouders verloren omdat de rechter oordeelde dat de leerlingen voldoende garanties hadden gekregen dat zij, conform de verplichting van art. 24 § 1 van de Grondwet,  tot het einde van hun loopbaan in het (katholieke) lager onderwijs van Zutendaal niet-confessionele zedenleer zouden kunnen volgen.
  • In 2011 werd beslist het gemeentelijke basisschooltje De Letterbijter uit Wezembeek-Oppem over te hevelen naar het GO! (het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap). De school kampte al jaren met een tekort aan leerlingen. Bij een sluiting zou de keuzevrijheid niet gewaarborgd geweest zijn, aangezien de Nederlandstalige kindjes dan voor een katholieke school hadden moeten kiezen.

Hoe verwezenlijken?
Het lokale gemeenteraadslid moet tijdig zijn voelsprieten uitsteken en het lokale onderwijslandschap kennen. Enkel zo kan hij tijdig detecteren of er plannen zijn om een gemeenteschool over te dragen en kan hij tijdig het GO! verwittigen om af te toetsen of er interesse bestaat om de school in beheer te nemen.

Let er ook op dat de ouders hun stem laten horen. Ze kunnen zich verenigen in een actiecomité en ze kunnen een petitie organiseren bij de ouders. Informeer u goed welke ouders vrijzinnig zijn en/of een sterk hart hebben voor pluralisme in het onderwijs.

Collectievorming bibliotheken

Volgens het Decreet Lokaal Cultuurbeleid moet een bibliotheek “een onafhankelijk en pluriform aanbod van informatie” bieden. De bibliotheek moet beheerd worden door een beheersorgaan. De samenstelling is niet beperkt tot bepaalde formules, maar moet conform zijn met de bepalingen van de cultuurpactwetgeving waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen wordt gewaarborgd. Er zijn twee formules mogelijk met betrekking tot de organisatie van inspraak via overleg- en adviesorganen:

  • Eén gemeentelijke cultuurraad met adviesbevoegdheid voor 'alle' cultuurmateries
  • Verschillende sectorale deelraden met adviesbevoegdheid voor 'specifieke' cultuurmateries (bvb. bibliotheekwezen) die vertegenwoordigd zijn in een overkoepelende raad met een algemene adviesbevoegdheid

De schepen van Cultuur fungeert als waarnemer in de adviesorganen, maar de collectievorming valt onder de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de bibliothecaris.

Voor vrijzinnige humanisten is het belangrijk dat hun lokale bibliotheek voldoende aandacht schenkt aan niet-religieuze filosofische of levensbeschouwelijke literatuur. Veel hangt af van de gevoeligheid van de lokale cultuurraad en bibliothecaris. De vinger aan de pols houden en de collectievorming aandachtig opvolgen, is dus belangrijk.

Voorstel
De lokale bibliotheek verruimt haar aanbod aan humanistische en atheïstische literatuur in overleg met de adviesraad en maakt dit aanbod ook ruim bekend via promotie en literaire happenings.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 - De Vlaamse openbare bibliotheken gebruiken SISO (Schema voor de Indeling van de Systematische Catalogus in Openbare Bibliotheken)of ZIZO (Zonder Inspanning ZOeken) als classificatiesysteem voor hun non-fictiecollectie.  SISO plaatst vrijzinnig humanisme en atheïsme onder de rubriek ‘Niet-kerkelijk religieuze, humanistische en atheïstische levens- en wereldbeschouwingen’. De lokale mandataris of afdeling onderzoekt of het aanbod in deze volstaat. Als dat niet het geval is, wordt een literatuurlijst van nuttige titels samengesteld.

Stap 2 – De lokale afdeling vraagt de lokale adviesraad om hierover overleg te plegen. Als de lokale afdeling nog niet vertegenwoordigd is in of aangesloten is bij de adviesraad, dan wordt er eerst een erkenning aangevraagd bij de lokale Dienst Cultuur.

Stap 3 – De lokale afdeling en/of mandataris organiseert in de bibliotheek een literaire happening (lezing, debat) met een vrijzinnig-humanistische of atheïstische auteur, gevolgd door een officiële overhandiging van de literatuurlijst aan de Schepen van Cultuur. Een goed alternatief is het laten declameren van passages uit ontbrekende werken door leden van de lokale afdeling. Nodig zeker ook de pers en de leden van de Gemeenteraad uit.

Te Deum versus pluralistische dienst

Het Te Deum (naar de eerste woorden van “Te Deum Laudamus”:  “Wij prijzen U, God”) is een in de 5de eeuw geschreven lofzang, gearrangeerd door o.a. Haydn en Verdi. Het wordt gebruikt bij dankdiensten, op de avond voor kerkelijke feesten, in processies en in missen voor de koning. Zo is het traditie dat de katholieke kerk in België een Te Deum organiseert op 21 juli – de nationale feestdag – en op 15 november – de Dag van de Dynastie of Koningsdag. Daarop worden telkens de officiële gezagsdragers van België uitgenodigd. Sinds 2001 organiseert de Belgische regering op 15 november een eigen viering van de Dag van de Dynastie in het Paleis der Naties, om de scheiding van kerk en staat in België te benadrukken. Veel lokale kerkgemeenschappen organiseren op 21 juli en op 15 november een Te Deum en ze nodigen daarop de lokale gemeenteraadsleden uit. Meestal nodigt de gemeente haar lokale verkozenen hiervoor uit (zie foto’s casus). En daar wringt het schoentje, want een overheid dient neutraal te zijn en mag wat ons betreft in haar officiële communicatie niet uitnodigen voor een plechtigheid die uitgaat van één specifieke levensbeschouwing.

Gezien de grondwettelijk verankerde neutraliteit van de Belgische overheid en in het bijzonder de scheiding tussen Staat en kerken, is het voor ons logisch dat de organisatie van officiële plechtigheden in een louter burgerlijk kader moet plaatsvinden. Er moet een einde worden gemaakt aan de verwarring tussen de officiële feestdagen, die zich richten tot het geheel van de burgers, en religieuze plechtigheden die zich per definitie slechts richten tot een welbepaalde categorie onder hen.

Voorstel
De gemeente mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, officiële plechtigheden organiseren, als deze naar een religieuze of niet-confessionele levensbeschouwing verwijzen.
De gemeentelijke mandatarissen kunnen, bij het uitoefenen van hun ambt, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, deelnemen aan officiële plechtigheden die door de gemeente worden georganiseerd en die naar een religieuze of niet-confessionele levensbeschouwing verwijzen.
De stad Mechelen nodigt haar verkozen mandatarissen jaarlijks uit voor haar vieringen van 21 juli en 15 november. Ze promoot tijdens deze communicatie telkens het Te Deum van de katholieke kerk.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 – Het individuele raadslid kan vrij kiezen of hij/zij aanwezig wil zijn bij het Te Deum waarop hij door de gemeente wordt uitgenodigd. Wij bevelen aan om afwezig te blijven en dit ook uit te leggen in een officieel persbericht.

Stap 2 – Het gemeenteraadslid kan een voorstel indienen in de Gemeenteraad dat vraagt om niet meer officieel uit te nodigen voor het Te Deum en als positief alternatief een pluralistische dienst te organiseren vanuit de gemeente, waaraan alle erkende en/of niet-erkende levensbeschouwingen op het grondgebied van de gemeente vrijwillig kunnen meewerken. De dienst op 21 juli kan een beschouwing bieden over het samenleven van verschillende culturen en levensbeschouwingen en de dienst op 15 november kan stilstaan bij de toekomst van ons koningshuis. 

Verdoofd slachten

Het thuis slachten van dieren is bij wet verboden. De huidige wetgeving laat onverdoofd slachten op daartoe geëigende plaatsen toe als dat gebeurt in het kader van religieuze rites. Maar dan gebruik je volgens ons god als alibi om dierenleed toe te laten. De toenmalige wetgever ging ervan uit dat verdoofd slachten van gewervelde dieren verkiesbaar is boven onverdoofd slachten. Daar zijn redenen voor. De regelmatig terugkerende beelden in het journaal van dieren die een lange doodstrijd voeren en stikken in hun eigen bloed, spreken voor zich. In november 2009 stelde het Europees Voedselagentschap al: “Wegens ernstige problemen van dierenwelzijn zou er altijd een verdoving moeten gebeuren voor het kelen.”

Daarom is het wenselijk om de uitzondering voor rituele slachtingen in de Wet op het Dierenwelzijn (paragraaf 2 van het KB van 16 januari 1998) te schrappen. Omdat geen enkel recht absoluut is, ook de vrijheid van godsdienst niet. Dit is echter federale materie. Omdat sommige lokale overheden in afwachting van deze wetswijziging het dierenleed toch zo veel mogelijk willen beperken, richten zij slachtvloeren in waar moslims hun schapen met behulp van machines kunnen laten verdoven, alvorens ze te slachten. Van deze mogelijkheid wordt echter vaak geen gebruik gemaakt. Steeds meer moslims kiezen ervoor om geld op te sturen naar hun familieleden in hun land van herkomst als alternatief voor het slachten van een schaap.

De meeste respondenten van onze enquête zijn voor het plaatsen van verdovingsmachines voor schapen tijdens het Offerfeest.

Voorstel
Na overleg met de islamitische gemeenschap beslist de gemeente om een tijdelijke slachtvloer met verdovingsmachines te installeren. Deze maatregel gaat gepaard met de nodige voorlichting en stimulering binnen de moslimgemeenschap. Na één jaar wordt deze maatregel geëvalueerd en wordt er beslist over mogelijke verlenging.

  • In Antwerpen keurde de Gemeenteraad van 24 oktober een stedelijk retributiereglement goed, geldend voor de periode van 1 november 2011 tot en met 31 december 2013. De retributie is verschuldigd door iedere persoon die een dier wenst te slachten op de tijdelijke slachtvloer en bedraagt 25 euro per dier. In 2012 maakten ongeveer 1.700 mensen gebruik van de slachtvloer aan Park Spoor Noord, 2.000 anderen kozen voor het slachthuis, 2.300 kozen voor een andere locatie.
  • In 2010 richtte het gemeentebestuur van Sint-Amands een tijdelijke slachtvloer in bij een schapenboer in de deelgemeente Oppuurs. Slachtvergunningen kostten 1,5 euro en konden aangevraagd worden bij de gemeentelijke milieudienst.

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 – Zo de maatregel van de inrichting van een tijdelijke slachtvloer nog niet in voege is, dringt de lokale mandataris er in de gemeenteraad op aan om in samenspraak met de moslimgemeenschap een behoefteonderzoek te organiseren over de wenselijkheid van het voornemen.

Stap 2 – Als de behoefte bestaat, kan er een meerderheid gezocht worden om het punt in te dienen op de gemeenteraad.

Stap 3 – De lokale mandataris kan altijd een motie – gericht aan de federale regering - voorleggen aan zijn collega-raadsleden waarin ze verklaren voorstander te zijn van het schrappen van de uitzondering voor ritueel slachten in de federale wet op het dierenwelzijn. Op die manier verhoogt hij de druk op de bovenlokale politici. Het is aan te bevelen om in dit geval ook de lokale pers in te lichten over dit initiatief. Het is immers interessant om zich af en toe te profileren op thema’s die het lokale belang overstijgen.

Moreel consulenten

Op moeilijke momenten speelt je levensovertuiging een belangrijke rol. In het ziekenhuis kan je kiezen voor godsdienstige ondersteuning, of voor vrijzinnig-humanistische bijstand. Het recht om te kiezen heb je altijd.  Vanuit de vrijzinnige gemeenschap wordt de spirituele zorg, de morele bijstand, verleend door een moreel consulent. Bij de moreel consulent kan je steeds terecht voor een warm en vertrouwelijk gesprek. Met respect voor ieders eigenheid, tracht de moreel consulent je vragen helder te krijgen. Als het zwaar wordt, zal de moreel consulent je ondersteunen en bijstaan.
Ook vrienden en familieleden van de patiënt kunnen kosteloos beroep doen op de moreel consulent.

Het KB van 23 oktober 1964 waarborgt de vrijheid van wijsgerige en godsdienstige overtuiging van de patiënt. Veel ziekenhuizen stellen filosofische keuzeformulieren ter beschikking van de patiënt (zit bij de infobrochure), maar ze doen dat zeker niet allemaal. Moreel consulenten kunnen opgenomen worden in het organogram van het ziekenhuis en van RVT’s, maar dat is niet afdwingbaar en verschilt sterk van regio tot regio en van politieke wil.

Voorstel
De gemeente kijkt erop toe dat de ziekenhuizen op haar grondgebied voldoende ruchtbaarheid geven aan de mogelijkheid een beroep te doen op een moreel consulent. Waar nodig verspreidt de gemeente infobrochures of start ze een overleg op met het lokale ziekenhuisbestuur.

  • “In Tienen werd het OCMW-ziekenhuis overgenomen door het Heilig Hart-ziekenhuis. Pluralisme is nu niet meer aan de orde. Het is zeer moeilijk werken voor de moreel consulenten.” (getuigenis enquête)
  • “De moreel consulenten komen in de Westhoek nauwelijks aan bod in de gezondheidszorg, daar waar bijvoorbeeld de pastoors of hun medewerkers een vaste locatie of spreekgelegenheid hebben. Er is  een gebrek aan kennis van het bestaan van de moreel consulenten en van wat ze doen. Het is zeer moeilijk om de directies van de gezondheidsinstellingen te bereiken, laat staan ze te overtuigen.” (getuigenis enquête)

Hoe verwezenlijken?
Indien het informatiebeleid van het ziekenhuis of van de gemeente te wensen overlaat, organiseert de lokale afdeling of politicus zelf een flyeractie met informatie over morele dienstverlening in ziekenhuizen aan de ingang van het ziekenhuis. Daarbij wordt de pers uitgenodigd.

Pluralistische geneeskunde

Zowel de Patiëntenrechtenwet, de Euthanasiewet, de Abortuswet, de Wet op Palliatieve Zorg als de Algemene Ziekenhuiswet garanderen pluralisme in de Belgische ziekenhuizen. Maar toch zijn veel rechten in veel ziekenhuizen nog niet toepasbaar. Dat is onaanvaardbaar, want de bewuste wetten zijn democratisch gestemd door het Belgische volk en de ziekenhuizen – ook de katholieke – worden gefinancierd met geld van alle Belgen, ongeacht hun levensovertuiging. Bovendien stellen we vast dat ziekenhuizen van de openbare sector (meestal OCMW) aan sneltempo in handen komen van de vrije sector. In 2008 bleek uit een antwoord op een parlementaire vraag aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Laurette Onkelinx (PS), dat 153 van de 209 algemene en psychiatrische ziekenhuizen in België tot de private sector behoren. Dat is 73% private sector versus 27% openbare sector. Vroeger lag die verhouding op 65% versus 35%. In Vlaanderen is de situatie nog hallucinanter: hier zijn 90 van de 112 ziekenhuizen, ofwel 80%, privé. Deze verzuiling is nefast voor de garantie op pluralistische geneeskunde in België.

Sinds 1994 zijn ethische comités in ziekenhuizen verplicht. Ze zijn niet echt gekend bij de bevolking en hun samenstelling varieert van ziekenhuis tot ziekenhuis. Een Ethisch Comité wordt verondersteld te overleggen met de Medische Raad en met de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. In grote ziekenhuizen wordt er vaak enkel beslist over algemene casussen, terwijl men in kleinere ziekenhuizen wel individueel beslist. De federale wetgever moet hier optreden. De werking van ethische comités moet federaal geregeld worden: ze zouden best multidisciplinair samengesteld worden en moeten een bevoegdheid zijn van openbaar bestuur en niet van de Orde van Geneesheren. Maar dat is federale materie.

We verzetten ons tegen volgende visie van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding op ziekenhuizen als tendensondernemingen: “Een katholiek ziekenhuis mag van zijn artsen verlangen dat zij in de uitoefening van hun functie de voorschriften over euthanasie van de rooms-katholieke kerk respecteren. Anderzijds kan de weigering tot aanwerving van een homoseksuele arts omwille van zijn of haar seksuele geaardheid beschouwd worden als strijdig met de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007.” Wij steunen wel de visie van E. Delbeke, die in ‘Juridische aspecten van zorgverlening aan het levenseinde’ (2011)stelt: “Besluitend kan dus worden gesteld dat instellingen een afwijzend beleid ten aanzien van euthanasie mogen voeren, maar dat een dergelijk beleid niet afdwingbaar is ten aanzien van de artsen werkzaam in de instelling. Ingevolge hun therapeutische vrijheid kunnen zij – ondanks een negatief beleid – toch overgaan tot geoorloofde euthanasie, zonder hiervoor gesanctioneerd te kunnen worden.”

De Algemene Ziekenhuiswet stelt dat ziekenhuizen geacht worden een rol van algemeen belang te vervullen. De gewetensclausule van artsen verandert niets aan het medische karakter van de handeling (bvb abortus). De clausule komt toe aan de individuele arts en niet aan het ziekenhuis.

De doorverwijsplicht is niet wettelijk geregeld. Wij pleiten voor een juridische verankering van deze doorverwijsplicht. In geval van euthanasie kan dit naar LEIF zijn.

Voorstel
De gemeente dringt erop aan dat ziekenhuizen op hun grondgebied duidelijk communiceren over ethische kwesties en dat de arts die om welke reden dan ook een vraag tot abortus of euthanasie weigert, de patiënt daar duidelijk over informeert.

De gemeente doet al wat mogelijk is om de Patiëntenrechtenwet beter bekend te maken en de patiënten te wijzen op het feit dat ze van ziekenhuis kunnen veranderen als hun rechten niet gegarandeerd zijn. We willen ook dat de werking van de LEIF-artsen en het ULTeam gepromoot wordt.

  • “Het Blankenbergs OCMW-ziekenhuis is sinds lange tijd verkocht aan vzw Gezondheidszorg Oostkust, een onderdeel van de zo vele christelijke vzw’s… De druk om alle zorgvoorzieningen over te nemen is groot, mede door de ongezonde situatie van de stadskas.” (getuigenis enquête)
  • “In de stad Lier is er geen openbaar ziekenhuis (meer). Het vroegere St-Elisabeth-OCMW-ziekenhuis is door het Heilig Hart-ziekenhuis opgeslorpt. Dezelfde methode is ook gebruikt door AZ Klina in Brasschaat: door ziekenhuizen te laten fusioneren zijn het de openbare ziekenhuizen die op alle mogelijke wijzen moeten inleveren: er is geen statutair personeel meer en enkel een pastorale dienst om patiënten bij te staan. Aan andere godsdiensten of een moreel consulent(e) is er blijkbaar geen behoefte, wat ik zeker durf betwijfelen. Volgens mij scoort het ziekenhuis van Lier zeer slecht wat betreft pluralisme.” (getuigenis enquête)

Hoe verwezenlijken?
Stap 1 – De lokale afdeling organiseert een jaarlijks overleg met één of meerdere mandatarissen over de toestand van het lokale openbare (OCMW-)ziekenhuis. Op die manier worden exploitatieproblemen tijdig opgespoord en kan er tijdig gezocht worden naar andere mogelijkheden dan een afstoting naar de vrije sector. Andere mogelijkheden zijn: fusieziekenhuizen (openbare en vrije sector slaan handen in elkaar) of de oprichting van een vzw of een coöperatieve vennootschap die het ziekenhuis overneemt en beheert.

Stap 2 – Wanneer er voldoende incidenten gesignaleerd worden om het anecdotische te overstijgen, vraagt de lokale afdeling of mandataris aan het gemeentebestuur om in de schoot van de stadsdiensten een Meldpunt Pluralistische Geneeskunde in te richten. Daar kunnen patiënten of hun familie terecht voor dringende vragen over hun rechten terzake en voor meldingen over overtredingen. Op basis van een jaarlijks rapport overlegt de gemeente met de Raad van Bestuur van het betrokken ziekenhuis.

Stap 3 – Aangezien de garantie op pluralistische geneeskunde vooral een bovenlokale (Vlaamse en federale) materie is, maar de bovenlokale politici weinig of geen actie ondernemen om de voortschrijdende verzuiling te stoppen, kan de lokale afdeling of mandataris een motie voorleggen aan de gemeenteraad en aan de nationale partij-instanties waarin gevraagd wordt parlementair werk rond deze materie op te starten.

Documenten


Keer terug