Patrick Loobuyck
Rik Lefevere
Non-fictie
  • 320 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

9 november 2022 Burgerschap. Politiek-filosofische perspectieven.
“Democratisch burgerschap is geen statisch gegeven en is nooit definitief verworven. Het wordt niet alleen uitgedaagd door nieuwe omstandigheden, maar ook door opvattingen en ideologieën die één of meerdere componenten van burgerschap onbelangrijk vinden of zelfs aanvallen. Dat was gisteren zo en dat zal morgen ook het geval zijn. Over wat burgerschap precies betekent en hoe we het kunnen vrijwaren voor de toekomst kan daarom niet genoeg nagedacht, gedebatteerd en geschreven worden.”
Patrick Loobuyck ving mijn aandacht voor het eerst met een spits artikel in De Morgen.
Op 30 april 2010 publiceerde deze krant zijn artikel ‘De rijke roomse hypocrisie’. Ik behoorde destijds tot één van de categorieën mensen die hij in zijn stuk rechtstreeks aansprak. Ik was toen godsdienstleraar. Ik las het met grote instemming en stuurde hem een persoonlijke reactie. We spraken elkaar enkele keren en toen hij op 30 november 2011 het pleidooi LEF voor de burgers van morgen lanceerde, was ik één van de medeondertekenaars. LEF is een voorstel om het vak levensbeschouwing op die manier te organiseren dat leerlingen van uiteenlopende gezindten fysiek bij elkaar zitten tijdens die lesuren. In dit plichtvak krijgen ze les over wat de ‘levensbeschouwelijke markt’ te bieden heeft, over filosofie, over burgerschap en over ethiek. Uiteindelijk is het aan de leerlingen om dan zelf een geïnformeerde en bewuste keuze te maken.
Ik volg Patricks geschriften en publieke optredens dus al een hele tijd. Het valt me daarbij telkens op hoe weldoordacht en welbespraakt hij zijn inzichten en standpunten weet te formuleren. Hij is iemand die zich nooit laat meeslepen door de waan van de dag. Bij hem geen losse flodders van een meninkje hier of een opinietje daar.
Door lectuur van Burgerschap kom je er deels achter hoe dat komt. Zijn visie is gestoeld op het stevige fundament van een zeer gedegen kennis van de traditie van de politieke filosofie. Wat Percy B. Lehning in de reeks Kopstukken van de filosofie schrijft over John Rawls geldt zeker ook voor hem:
“Hierbij dient bedacht te worden dat Rawls zelf geen positie koos in partijpolitieke debatten. Rawls was geen partijfilosoof, en hij richtte zich niet op de vluchtigheid van het dagelijks politiek debat.” pag. 8
De componenten waar in het citaat aan het begin van deze recensie aan gerefereerd wordt, beschrijft Deel 1 uitgebreid. Er zijn er drie. De eerste component van burgerschap is die van de juridische status. We vinden deze invulling terug in de liberale visie. De republikeinse traditie benadrukt vooral de tweede component, die van burgerschap als actief lidmaatschap van de samenleving. De derde component, het gemeenschapsgevoel, wordt naar voor geschoven door het communitarisme. Wat volgt is een omstandige uiteenzetting over de onderlinge verhouding tussen deze drie componenten. Naarmate men één component al of niet laat doorwegen in de balans van het burgerschap komt men tot andere samenlevingsmodellen met elk hun eigen opportuniteiten en valkuilen. Als een bepaald soort gemeenschapsgevoel bijvoorbeeld de overhand krijgt, dan komt de verlokking van het populisme om de hoek loeren. Loobuyck schrijft: “Het populistisch discours is vaak zo polariserend dat het de sociale cohesie en het wederzijds vertrouwen die een gezonde politieke gemeenschap nodig heeft, dreigt te ondermijnen. Populisme verenigt de bevolking niet, maar zet mensen tegen elkaar op.”
In Deel 2 krijgen we drie hoofdstukken gepresenteerd die de eerdergenoemde componenten nog verder uitdiepen. Als burgerschap een juridische status behelst, welke rechten heeft een burger dan? En gelden alle rechten voor élke burger? Heb je als burger het recht om wetten te overtreden in naam van de rechtvaardigheid? Horen sociale rechten ook tot het pakket dat de overheid moet vrijwaren?
Wat het actieve lidmaatschap betreft: wat mag/kan er van een burger verwacht worden? Welke rol moet het onderwijs spelen in het bevorderen van politieke participatie? Met welke motivatie en vooral inspiratie mag je deelnemen? Welk soort neutraliteit moeten de overheid en de burgers aan de dag leggen als zij het publieke forum betreden?
En tenslotte zoomt Loobuyck in op de vragen rond het gemeenschapsgevoel. Komt betrokkenheid bij de samenleving tot stand door het hebben van burgerrechten en het deelnemen aan de besluitvorming of is het omgekeerd? Tot op welk niveau is dat gevoel van ‘deel uitmaken van’ oprekbaar: het nationale, het supranationale en het globale niveau? De auteur breekt, conform zijn engagement voor LEF, een lans voor het interculturalisme: het streven naar lotsverbondenheid door mensen samen dingen te laten doen. In 1954 wist Gordon Allport al dat “contact en constructieve samenwerking in een gedeelde publieke ruimte het mogelijk maken dat vreemden het voor elkaar opnemen en elkaar gaan zien als onderdeel van een gemeenschappelijk Wij.”
Loobuyck put uitgebreid uit het werk van John Stuart Mill, John Rawls, Jürgen Habermas, Will Kymlicka en Chantal Mouffe. Op die laatste na dus allemaal witte, Westerse mannen. Er is een intermezzo in het boek met feministische kritiek waarin het te strenge onderscheid tussen het private en het publieke op de korrel wordt genomen. Maar: ofwel is de politieke filosofie inderdaad een blanke en masculiene aangelegenheid, ofwel heeft het te maken met de selectie die de auteur maakte.
In de lijn van het bovenstaande kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat de burger van de politieke filosofie een mens zonder geslacht, zonder lichaam, zonder huidskleur, zonder cultuur, zonder leeftijd en vooral zonder evolutionaire rugzak is. Ook de auteur kaart dit aan: “De politieke filosoof ontkent deze realiteiten niet, maar wil bestaande situaties, politieke praktijken en instituties kunnen beoordelen en doet dat vaak op basis van de ideale theorie over democratie, rechtvaardigheid en politieke gemeenschap.” “Over het belang en de wenselijkheid van het werken met ideal theory bestaat discussie. Sommige auteurs bekritiseren de ideale theorie omdat ze mogelijk te weinig aandacht heeft voor reële problemen in de niet-ideale wereld, in het bijzonder de gender- en rassenongelijkheid.”
De sociologie en de psychologie hebben het al gedaan: de inzichten van Darwin en het neodarwinisme geïncorporeerd in hun vakgebied. Misschien is hier ook voor de politieke filosofie een uitdaging weggelegd. De aftoetsing van de haalbaarheid van de ideal theory en de weg naar de effectieve realisering ervan kan alleen maar gebaat zijn met een grondig begrip van de aard van het beestje. Bij een dergelijke verkenning moet men zich uiteraard bewust zijn van de is-ought-fallacy.
Een concreet voorbeeld: de utilitaristische opvatting van onder anderen Hume op burgerschap kan, zoals Loobuyck terecht aangeeft, resulteren in een instrumentele visie op het recht en kan een vorm van calculerend burgerschap in de hand werken. Maar het naleven van de wet omdat het in het eigen voordeel is, kan een opstap zijn naar een meer intrinsiek-morele motivatie. Darwin c.s. leren ons dat we, net als onze dichtste evolutionaire verwanten, sociale wezens zijn. In ons sociaal verkeer speelt de balans tussen geven en nemen een grote rol. Elke menswetenschap zou deze biologische realiteit in zijn theorievorming moeten in acht nemen.
“Burgerschap” is niet meteen het meest toegankelijk boek van Patrick Loobuyck. Maar de geïnteresseerde lezer wordt wegwijs gemaakt in de finesses van dit boeiende luik van de filosofie. Het graaft diep en breed. Ten aanzien van de drie genoemde tradities neemt hij niet echt stelling. Hij blijft trouw aan zijn methodiek van ‘combinatiedenken’: “Er is niet noodzakelijk één zaligmakende benadering, en de benaderingen kunnen elkaar complementair versterken.”
Het boek biedt handvatten om de complexiteit van hedendaagse maatschappelijke vraagstukken te zien. Voorwaar een grote verdienste in tijden van steekvlampolitiek en het overaanbod van meningen en opinies waarmee we in de (sociale) media overspoeld worden. Loobuyck verstaat de kunst om abstracte, moeilijke en taaie materie door zijn helder taalgebruik behapbaar te maken.
Volgens een rondvraag van De Morgen in 2018 was Patrick Loobuyck de op één na invloedrijkste intellectueel van Vlaanderen. Voor mij persoonlijk staat hij al een tijd, en zeker na de publicatie van dit boek, met stip op één.

Rik Lefevere
Patrick Loobuyck
Rik Lefevere
Non-fictie
Rik Lefevere is leraar in de OKAN-klassen van het GO! in Roeselare.
_Rik Lefevere - Recensent
Meer van Rik Lefevere

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies