Claire-Louise Bennett
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 521 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

1 juni 2022 Kassa 19
Claire-Louise Bennett is geïnteresseerd in de waarde van ieder woord. Niet in zinnen, want woorden verliezen zich in zinnen. Ieder woord is een juweeltje. Zelfs een gewoon “gewoon” woord. De klank van een woord is zeer belangrijk. En ze is geïnteresseerd in boeken. Ze is een schrijfster voor boekenlezers. Ze schrijft over boeken, over wat er gebeurt in boeken, de andere dimensie van het verhaal dat ze vertellen. Een verhaal, een roman, moet natuurlijk niet per sé lineair zijn. Zoals dat het geval lijkt te zijn met dit boek.
Het begint al met hoofdstuk één dat “Een raar gedoe” heet. Dat “raar gedoe” doet ze in de eerste zes bladzijden van dit hoofdstuk en dat bestaat uit het omkeren van een pagina, het bladeren, hoe dat dan is, hoe dat gaat, hoe het eruitziet, wat je ziet en beleeft. Het is een activiteit die zeer belangrijk is voor Claire-Louise Bennett, want lezen lijkt een centrale bezigheid in haar leven en doorheen het boek is ze altijd wel ergens aan het bladeren,lezen of aan het denken over een boek, een schrijver of schrijfster, een personage, stijl, woorden, tijd, gedachten, invallen, het gebeuren. De overblijvende 4 bladzijden zit ze gewoon ergens (in het gras?) wat te denken aan boeken van Roald Dahl en een gestippeld torretje dat op de sombere voorpagina van ‘Phaedrus’ kruipt: “Stilstaan en doorlopen. Hierheen daarheen almaar rond” – “of misschien mieren of een spin.”
Het is meteen duidelijk dat je bereid zal moeten zijn om jezelf met de schrijfster in haar belevingswater te gooien en mee rond te zwemmen, soms onder water, zonder richting of veel lucht om te ademen, grillig, soms met wat lijkt op een stream of consciousness, dan weer gewoon een associatie, een idee, een gebeurtenis, een observatie, een commentaar, een stukje verhaal, véél literatuur, lijsten van schrijvers, titels van romans. Toch heeft het boek een onderverdeling in zeven hoofdstukken van erg ongelijke lengte, waarvan eentje “Wil je de vogels binnenbrengen?” ongeveer de helft van het boek beslaat.
Als je dan een tijdje meegelezen hebt, merk je dat “Kassa 19” toch wel een gewone, lineaire roman is. Je zit op het gras met een boek dat je zelfs nog niet opengedaan hebt. Maar ze vertelt toch verder en doorheen haar stijl begin je te voelen wie deze schrijfster is,  je bladert, je begint te weten hoe de dingen zijn en waarom ze zijn zoals ze zijn en gebeuren, of waarom ze misschien zo geworden zijn, of wat er gebeurde, zonder klare, gestructureerde uitleg, met flarden woord- en beeldassociaties, zij- of vooruit- of achteruitsprongetjes, zonder gebiedende chronologie, dromerij, poëtische observatie, die allemaal passen in de “gewone”, lineaire roman die je aan het lezen bent.
Het gaat over “ze”, het kleine meisje uit een arbeidersgezin, dat ontdekt dat ze zo graag leest. Ze ontdekt dat er een verschil is tussen de wereld van het boek en wat er rondom haar gebeurt, bijvoorbeeld op de lagere school. Ze bewondert en misprijst een leraar.
Ze wil graag de zichtbare wereld weergeven en probeert te tekenen. Maar zelfs met het gezicht van die leraar waar ze een “crush” op heeft, lukt het niet. Tot de lijn die ze tekent afbrak “in woorden, een paar woorden maar, en toen nog een paar woorden en de woorden zetten een verhaal op, alsof het er al die tijd was geweest. Binnen een paar tellen was het er, een verhaal - klein en compleet en onverwoestbaar.” Als ze dan haar “uitgeputte pen” neerlegt weet je dat je getuige geweest bent van het ontstaan van een schrijfster. Een verhaaltje dat ze, bij gebrek aan papier achteraan in een schoolschrift schrijft. Schrijven wordt een bedwelmende bezigheid. Tot “de” leraar achteraan in haar schrift gaat lezen en haar aanspreekt over haar verhaaltjes. Hij vindt ze bijzonder. Daarna schrijft ze er iedere week eentje en hij neemt het mee naar huis en leest het. Haar schriftje als een plaatsvervangende aanwezigheid in “zijn” huis.
“Om de paar jaar voel ik de drang om dit moment voor de geest te halen en op te schrijven.” Wat ze ook doet, veel verder in dit boek, maar dan toch een tikkeltje anders en veel uitgebreider, zodat je te weten komt wat dat eerste verhaaltje was. En je je misschien verbaast dat de leraar dat “goed” vond voor een klein meisje.
Van dan af lees je “gewoon” mee, organisch en wat je soms niet begrijpt of kan plaatsen is misschien wel interessant, raadselachtig of mooi, of verrassend en een deeltje dat je toevoegt aan de stijl die het beeld vervolledigt van de schrijfster. Want ze schrijft een autobiografie, natuurlijk.
Je komt haar weer tegen als ze beseft dat ze de kost moet verdienen. “Life is narrowing down.” Zij wil schrijfster zijn en niemand kan haar ondersteunen, terwijl zij enkel maar schrijft. Ze moet Engeland verlaten. Net zoals Annie Arnoux. Daarenboven voelt ze zich een klasseverraadster, met schuldgevoel. Ze heeft haar oorsprong verraden. Ze bevindt zich op een andere bladzijde dan de anderen. Hoe moet ze dit aan haar ouders vertellen. “Wie denk je wel dat je bent.” “Denk je dat je beter bent dan wij.”
Ze gaat naar Londen om Engelse literatuur en theater te gaan studeren. Dan trekt ze naar Ierland waar ze bijna zonder werken kan rondkomen en tijd heeft om te schrijven. Ze woont in een vertrek zonder meubels, “dus voel ik me tamelijk onbelast” tussen dozen en stapels boeken. “Mijn huis was in het donker en mijn gezellen waren schaduwen die wenkten vanuit een raam.” Daarna, in Parijs , worden haar boeken platgereden door een auto.
Ze schrijft een soort evaluatie van Anaïs Nin. Ze beeldt zich in één van de personages te zijn uit “A room with a view” en door op dezelfde plaats te gaan staan, met haar armen op dezelfde leuning, en postkaarten te verscheuren en in de Arno te gooien, dat personage te worden.
En ze veert altijd maar weer terug naar boeken, literatuur, schrijvers en schrijfsters. Dat zijn er honderden die ze vermeldt in dit boek. Soms zijn het lijsten. Van mannelijke schrijvers, van “on-Duitse” boeken die op bevel van Goebbels verbrand werden over gans Duitsland. “U doet er goed aan op dit middernachtelijk uur de boze geest van het verleden aan de vlammen toe te vertrouwen. Maar uit het puin zal triomfantelijk de Fenix van een nieuwe geest verrijzen.”  Het zou een wereld geweest zijn zonder Brecht, Dix, Einstein, Marx, Engels, Freud, Roth, Musil, Tolstoj, Wilde, Huxley en honderden anderen.
“Ik begon steeds meer boeken van vrouwen te lezen. De vrouw “wanneer die verdrietig was of nadacht over een tijd dat ze verdrietig was, stuurloos, overhoop, ontheemd, ontroostbaar, krankzinnig, ten einde raad.” En dan krijg je weer een lijst, van vrouwelijke schrijfsters deze keer.
Komt er nog een terloops personage het boek binnenstappen: een grote, blonde Rus met een klein, vintage-kleurig, bruin autootje, die de supermarkt binnenstormt, een paar keer een soort trial-run loopt, alvorens kalm te gaan winkelen. Hij zal daarna naar de kassa gaan. En de kassa, waar toevallig “onze” schrijfster zit om een centje bij te verdienen, en vol verwachting uitkijkt naar (een of) die Rus die naar kassa zal komen, is Kassa 19.
Vol uitweidingen, op zijsporen springend, zomaar in het midden van een betoog of een zin, een idee, een paragraaf, vol eigenaardige weerklanken, plotse invallen, beschrijvingen, overpeinzingen, opsommingen, een spreuk. Ze schrijft wat, beseft later dat dat fout was maar haalt het niet weg. Ze schrijft gewoon hoe de foute tekst had moeten zijn. Maar ook dat heeft zin, want het laat zien hoeveel verbeelding er in onze herinneringen zit.
In het derde en langste hoofdstuk, “Wil je de vogels binnen brengen?” zijn er inderdaad vogels die opschuiven op hun takje om alles beter te kunnen zien, komt Tarquinius Superbus opduiken en zal sporadisch hier en daar weer verschijnen, nergens en overal, in Wenen en in andere grote steden van Europa. Hij komt uit een verhaal dat Bennett ooit schreef maar kwijtspeelde. Ze detailleert hoe hij zichzelf in de spiegel ziet, hoe hij er moet uitzien? Maar de beschrijving, van zijn kleren bijvoorbeeld, zijn zoek-beschrijvingen: hoe was hij ook weer “echt” gekleed? En wanneer? Ook het decor waarin hij beweegt moet gereconstrueerd worden, tot en met de opsomming van de kruiden in zijn keukenkast. Superbus gaat op zoek naar die ene, geniale zin in de boeken van zijn bibliotheek. Dan blijkt – volgens de “Dokter” die zijn prachtige bibliotheek moet komen bewonderen, dat er geen enkel woord op de bladzijden staat.
Het is een boek dat zo verscheiden is, zo vol aanlopen, tegenstrijdigheden, poëzie, beschrijvingen, gedachten sprongen, innuendo, dat er enkele zinnetjes uit lezen het geen recht aandoet. Toch volgen er hier enkele, heel toevallig gesprokkelde.

- En ik zal mijn stem tegen Dale horen zeggen…

- En nu brandt die zin in de duisternis.

- De kat duikt weer op, stapt in zijn schoteltje melk en trippelt naar binnen, staart in de lucht, overal witte pootafdrukken achterlatend, alsof hij wil zeggen: ik ben hier, ik ben hier, ik ben hier en hier, ik ga nergens naartoe.

- De woorden dalen op hem neer als borstels, als vreselijke borstels op zijn hoofd, die hem stil krijgen, stil voor de spiegel, het kind Tarquinus staat stram voor de spiegel, in zijn stijve kraag.

- Haar donkere, vreemde woorden, die glansden in het donker.

- “Ik zat soms te kijken naar de buizen die door de muren mijn kamer inglipten, langs de muur liepen en er weer door verdwenen, verder, naar ergens anders, verder naar ergens anders wat ik niet kon zien en waar ik niet naartoe kon.

- Kijk hoe natuurlijk, hoe instinctief, ik alles over boord gooi. Ik wil het wel, maar ik wil het nog niet. Dat is, denk ik, wat ik dacht. Niets is beslist, niets is op zijn plek gevallen. Ervoor zorgen dat alles zoals het is, verkeerd is.
Een verfrissend boek, onschuldig, waarin je niet anders kan dan mee op creatieve tocht gaan. Een boek dat realistisch kan zijn en een verkrachting kan vertellen, zonder pijnlijk of voyeuristisch te worden. Zo voelt Tarquinius het aankomen dat hij moet braken, hoe het braaksel opstijgt in zijn mond, hoe hij over de balkonrailing braakt, het slijm op de grond spat en zich omvormt tot een wezentje dat weer naar boven klimt. Op geen enkel ogenblik wordt dat vies.
Een boek waarin je meespeelt met een personage waar je graag mee optrekt, omdat ze nog die kinderlijke verwondering heeft waardoor je verrast wordt, uitgedaagd, moet glimlachen, genieten en geïrriteerd geraken  door wat onbegrijpelijk blijft, of slordig lijkt, maar toch altijd spits is en vers.

Victor De Raeymaeker

 

Oorspronkelijke titel: Checkout 19
Vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer
Claire-Louise Bennett
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies