Niall Ferguson
Arno Keppens
Non-fictie
  • 486 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

17 mei 2022 Het plein en de toren: Verborgen netwerken uit de geschiedenis.
De Britse historicus Niall Ferguson hoeft geen onbekende te zijn. De echtgenoot van Ayaan Hirsi Ali doceert aan verscheidene gerenommeerde universiteiten en schrijft wereldwijde bestsellers, waaronder “Empire: How Britain Made the Modern World” (2003), “Civilization: The West and the Rest” (2011) en de biografie van Henry Kissinger (2015). Kissinger was als minister van Buitenlandse Zaken onder Nixon en Ford in zijn tijd “waarschijnlijk de invloedrijkste persoon in de wereld,” volgens Ferguson. Het uitpluizen van het globale politieke achterkamernetwerk van Kissinger voor diens biografie gaf later de aanleiding voor dit boek. Want, stelt Ferguson, “zowel mijn research als de ervaring leert me dat we op onze hoede moeten zijn voor de tirannie van het archief. Veel grote veranderingen in de geschiedenis zijn voortgekomen uit informeel georganiseerde groepen die nauwelijks zijn gedocumenteerd.”
Als lid van verschillende netwerken, waaronder het World Economic Forum en de gesloten Bilderbergconferenties, spreekt Ferguson inderdaad uit ervaring, wat aangevuld met eigen onderzoek resulteert in een turf van 640 bladzijden (waarvan een honderdveertigtal als appendices met noten en referenties). Ook al lijkt het “verborgen” in de titel van dit boek een beetje als catch-word te dienen, het gebruik ervan in het opzet van de auteur is dus wel correct: “In de meeste geschiedenisboeken wordt vaak gerept van successen, want de winnaars schrijven de geschiedenis. In de geschiedenis van netwerken is vaak het tegenovergestelde het geval. Succesvolle netwerken mijden de publiciteit; onsuccesvolle trekken haar aan, en het is vooral vanwege hun reputatie en niet door hun prestaties dat ze overdreven aandacht krijgen. Dit gold voor de illuminaten in het eind-achttiende-eeuwse Duitsland, maar ook voor Milner’s Kindergarten en Ronde Tafel.”
Naast de illuminaten en de Kindergarten passeren nog heel wat andere – al dan niet verborgen, maar wel historisch relevante – netwerken de revue. Verwacht je aan uitdiepingen omtrent de vrijmetselaarsloges van de Amerikaanse Founding Fathers, het huis van Saksen-Coburg en Gotha als unieke familie van Europese monarchen (inclusief de Belgische), de kapitalistische Medici en Rotschilds, de pentarchie die aanleiding gaf tot de Eerste Wereldoorlog, de socialisten onder Karl Marx (één van de grootste netwerken van de moderne tijd), cryptomunten zoals de Bitcoin, de Arabische Lente, de verkiezingsoverwinning van Trump met ‘hulp’ van Cambridge Analytica, de terreurnetwerken achter 9/11, de “kring van vijf” Russische spionnen in Cambridge, de maffia, het bankennetwerk achter de financiële crisis van 2008, internet en de opkomst van Silicon Valley, het World Economic Forum met organisator Klaus Schwab als nieuwe Kissinger, en nog een resem minder bekende voorbeelden.
Het mag duidelijk zijn dat Ferguson streeft naar volledigheid. Hij noemt mensen bij naam en gebruikt waar mogelijk netwerkdiagrammen om het kluwen van menselijke relaties grafisch weer te geven. Keerzijde van zijn aanpak is dat details soms moeilijk te volgen zijn, vooral in de beknopte vertaling van wetenschappelijke inzichten naar een lekenpubliek. Het grote plaatje blijft echter aangenaam leesvoer. Ferguson laat plaats voor nuance en ontkracht misvattingen waar nodig, al durft hij daarnaast wel enkele zeldzame keren een onverbloemde mening naar boven laten drijven (zie ook einde).
Netwerktijdperken
Ondanks de overvloed aan materiaal tracht Ferguson het overzicht te bewaren door de tekst in negen ruwweg chronologische delen met beknopte hoofdstukken (60 in totaal) te verpakken. In zijn geheel maakt dit boek “een onderscheid tussen de lange tijdvakken waarin hiërarchische structuren het menselijke bestaan overheersten en de schaarsere, maar dynamischere tijdvakken waarin netwerken de overhand hadden, mede door technologische veranderingen. […] dat geldt dan vooral voor twee specifieke periodes. Het eerste ‘netwerktijdperk’ begon met de introductie van de boekdrukkunst in Europa aan het einde van de vijftiende eeuw en duurde tot het einde van de achttiende eeuw. Het tweede tijdperk begon in de jaren zeventig van de twintigste eeuw, al zal ik betogen dat de technologische revolutie die we met Silicon Valley associëren eerder een consequentie was dan een oorzaak van de crisis in hiërarchische instituties. In de tussenliggende periode, ruwweg van 1790 tot 1970, was er sprake van een tegengestelde ontwikkeling: hiërarchische instituties herstelden hun controle en schakelden met succes netwerken uit of lijfden ze in. Het hoogtepunt van de hiërarchisch georganiseerde macht lag in het midden van de twintigste eeuw: het tijdperk van totalitaire regimes en alomvattend oorlogsgeweld.”
Een profetische uitdieping van de jongste overgang van een hiërarchisch naar een netwerktijdperk in de jaren zeventig van de vorige eeuw vind je in ‘Zbig’ Brzeziński’s “Between two ages” (1970). Ook Ferguson erkent een deel van zijn mosterd bij dit boek gehaald te hebben, al voegt hij daar terecht aan toe dat hiërarchieën eigenlijk een speciaal soort netwerken vormen. Zo “kan een ogenschijnlijk willekeurig netwerk zich ongelooflijk snel tot een hiërarchie ontwikkelen. Het aantal stappen tussen een revolutionaire menigte en een totalitaire staat is vaak genoeg verbazingwekkend gering gebleken.” Denk aan de snelheid en meedogenloosheid waarmee de bolsjewieken onder Lenin hun revolutionaire netwerk ombouwden tot een nieuw hiërarchisch systeem dat in veel opzichten wreder was dan het oude tsaristische regime.
“De belangrijkste reden voor de populariteit van hiërarchieën was dat de uitoefening van macht veel efficiënter kon plaatsvinden: het gecentraliseerde gezag van de ‘grote man’ smoorde (verminderde in elk geval) tijdrovende discussies over wat er moest gebeuren, discussies die vanuit het niets in een gewelddadig conflict konden ontaarden,” aldus Ferguson. Helaas vormt daartegenover de machtsparadox hun belangrijkste nadeel, wat aanleiding geeft tot (verborgen) netwerken van opposanten die zich van hun doorgedraaide despoot willen ontdoen: “het geheim van totalitair succes was het verbieden, verlammen of ronduit vermoorden van vrijwel alle sociale netwerken buiten de hiërarchische instituten van partij en staat om, in het bijzonder netwerken die onafhankelijke politiek actie nastreefden.” Dit gegeven maakt helaas nog steeds deel uit van de actualiteit, ondanks Ferguson’s indicatie van het huidige netwerktijdperk.
Parallellen
Beide netwerktijdperken begonnen met een (exponentiële) groei van het aantal verbindingen tussen mensen. Het eerste netwerktijdperk startte volgens Ferguson met het bewind van Hendrik de Zeevaarder (1415-1460) – toen Portugese zeelieden voor hun handel steeds verder van huis weg zeilden – en het gelijktijdige ontstaan van de boekdrukkunst in Europa. Het tweede netwerktijdperk ving aan in de tweede helft van de vorige eeuw als gevolg van de toenemende mobiliteit (per trein, auto en later vliegtuig) en uiteraard de opkomst van telefonie en internet die resulteerden in een globale ‘interdependentie’.
Het aantal verbindingen tussen mensen groeit echter niet op een homogene manier (zie de zeven inzichten in annex): “Ondanks de uiterlijke schijn van sociale netwerken dat het ‘grote nivelleerders’ zijn, zijn ze in feite ‘inherent oneerlijk en exclusief’ door preferente verbindingen – de neiging van goed verbonden hubs om nog beter verbonden te raken.” Dit geldt dus ook voor beide netwerktijdperken. “De ‘mannen van het woord’, voor wie de pen machtiger was dan het zwaard – schrijvers, dichters, romanciers, polemisten –, werden met steun van onverschrokken uitgevers de helden van [het eerste] tijdperk,” aldus Ferguson.
Ook in het huidige tweede netwerktijdperk zijn de ‘content creators’ (celebreties en influencers) samen met de ‘content mediators’ – de internetbedrijven als equivalent van de vroegere uitgevers – de grote (financiële) winnaars. Maar Ferguson ziet toch ook een belangrijk verschil tussen beide tijdperken: “Op innovaties en creatieve anarchie volgen vercommercialisering en regulering. Dat was in elk geval het patroon in de voorafgaande technologische revoluties. In het geval van het internet heeft de vercommercialisering zich voltrokken, maar is de regulering grotendeels uitgebleven. […] het mondiale sociale netwerk is het bezit van een exclusief netwerk van insiders in Silicon Valley. De sociale gevolgen van de post-opensourcetrend naar duopolies (Microsoft en Apple) en bijna-monopolies (Facebook, Amazon, Netflix en Google, of afgekort FANG – hoektand) waren net zo voorspelbaar als paradoxaal. De wereld is nog nooit zo onderling verbonden geweest, zoals de cheerleaders van deze ondernemingen maar blijven verkondigen. Desondanks is de wereld (in een aantal opzichten) ongelijk op een manier die in honderd jaar tijd niet is vertoond.”
Tot slot
Ferguson eindigt eerder pessimistisch met een bijkomende gelijkenis tussen onze tijd en de Reformatie: “het denkbeeld dat als de gehele wereld online gaat, er een Utopia van ‘netizens’ ontstaat die in cyberspace gelijkwaardig zijn, is altijd al een fantasie geweest – een even groot waanbeeld als Maarten Luthers droom over een ‘priesterschap van alle gelovigen’. In werkelijkheid is het mondiale netwerk een doorgeefluik voor allerlei soorten rages en angsten, net zoals de combinatie van boekdrukkunst en geletterdheid tijdelijk zorgde voor een toename van chiliastische sekten en heksenvervolgingen.” Het internet als modern openbaar plein biedt volgens Ferguson dus geen garantie tot succes: “De sleutelkwestie is in hoeverre [het huidige] netwerk van economische complexiteit een bedreiging vormt voor de hiërarchische wereldorde van natiestaten en of de dreiging van de politiek complexe netwerken voor de gevestigde binnenlands-politieke hiërarchieën daarmee vergelijkbaar is – in het bijzonder in 2011 in het Midden-Oosten, in 2014 [en nu!] in Oekraïne, in 2015 in Brazilië en in 2016 in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Eenvoudiger gesteld: kan ook een genetwerkte wereld een orde bezitten? Zoals we hebben gezien, geloven sommigen dat dit kan. In het licht van de historische ervaring bestaat er bij mij echter gerede twijfel.” Niet meteen een geruststellende boodschap…

Arno Keppens
Annex: zeven inzichten
Voor zijn gedetailleerde historische analyse ontleent Ferguson zeven kerninzichten uit de netwerktheorie – zie bijvoorbeeld http://networksciencebook.com/ (2015) voor een online inleiding – die hij specifiek toepast op menselijke interacties. Even op een rijtje:
1. Geen mens is een eiland. Als we ons individuen voorstellen als knopen in een netwerk, kunnen we hen duiden in termen van hun relaties met andere knopen of de lijnen die hen onderling verbinden. Niet alle knopen zijn gelijkwaardig. Bij belangrijke historische gebeurtenissen zoals de Amerikaanse Burgeroorlog blijkt dat daarbij soms een rol van doorslaggevende betekenis werd gespeeld door mensen die eerder een connector dan een leider waren, met andere woorden, individuen die een centrale rol speelden in de communicatie en verbinding.
2. Soort zoekt soort. Op grond van homosociale binding kunnen we sociale netwerken tot op zekere hoogte verklaren in termen van ‘soort zoekt soort’. Het staat echter niet altijd vast welke gedeelde eigenschap of preferentie ervoor zorgt dat mensen in clusters samenkomen.
3. Zwakke bindingen zijn sterk. Niet alleen de dichtheid van een netwerk is van belang, maar ook de mate waarin het netwerk met andere clusters is verbonden, al is het slechts via enkele zwakke bindingen.
4. Structuur bepaalt virale potentie. Veel historici nemen vaak aan dat de verspreiding van een idee of ideologie een gevolg is van hun inherente inhoud in relatie tot een vaag gespecificeerde context. We zullen echter moeten erkennen dat sommige ideeën zich razendsnel kunnen verspreiden ten gevolge van de structurele eigenschappen van het netwerk waarbinnen ze zich verspreiden. Een hiërarchisch top-downnetwerk is de minst waarschijnlijke omgeving waarbinnen ideeën zullen uitwaaieren, aangezien in zo’n netwerk de horizontale verbindingen tussen gelijken niet zijn toegestaan.
5. Netwerken rusten nooit. Netwerken zijn niet statisch, maar dynamisch. Ze kunnen evolueren naar complexe systemen met een groot aanpassingsvermogen en met eigenschappen die plots komen bovendrijven. Zeer kleine veranderingen, zoals de toevoeging van slechts een paar verbindingslijnen, kunnen het gedrag van een netwerk radicaal doen omslaan.
6. Netwerken doen aan netwerken. Als netwerken onderling interacties aangaan, zal dat resulteren in innovaties en uitvindingen. Netwerken die een verstarde hiërarchie verstoren, kunnen deze met een adembenemende snelheid omverwerpen. Als een hiërarchie echter een fragiel netwerk aanvalt, kan ook dat resulteren in de ineenstorting van het netwerk.
7. De rijken worden steeds rijker. Door ‘preferentieel attachment’ – mensen verbinden zich bij voorkeur met populaire mensen of ‘hubs’ die al veel verbindingen hebben – zijn de meeste sociale netwerken volstrekt niet egalitair.
Niall Ferguson
Arno Keppens
Non-fictie
Arno Keppens is wetenschapper aan de Belgian Space Pole (www.spacepole.be) en wetenschapsschrijver (www.sciencescripts.be).
_Arno Keppens -
Meer van Arno Keppens

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies