Bert Govaerts
Victor De Raeymaeker
Non-fictie
  • 470 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

31 maart 2022 Dubbelman. Een biografie van Marnix Gijsen en Jan-Albert Goris 1899-1984.
Er zijn van die figuren die deel uitmaken van het achtergrondbewustzijn van je denken. Ze behoren gewoon tot het landschap dat je kennis-, denk- en leefwereld uitmaakt en waarin bepaalde mensen altijd aanwezig zijn.
Marnix Gijsen was voor veel Vlamingen zo iemand, in elk geval tot kort voor zijn dood in 1984. Niet alleen omdat zoveel jaren (1940-1963) zijn stem iedere zaterdagavond te horen was op radio één vanuit De Verenigde Staten als “De Stem uit Amerika”. Een uitzending die ongewoon populair was in Vlaanderen. Vreemd, eigenlijk, want Vlamingen, toen, waren in het algemeen niet zo nieuwsgierig over wat er in “Amerika” gebeurde en dat soort uitzendingen scheerde normaal nooit hoge toppen. Maar Gysen was anders. Hij was in het bewustzijn van de Vlamingen aanwezig, met een zeker respect eindigend in een soort vraagteken.
Gijsen liep school in het Franstalige Sint-Ignatiusgesticht te Antwerpen (waar hij duidelijk de invloed onderging van zijn leraars jezuïeten) en  hij ging onder andere verder studeren aan de Katholieke Universiteit in Leuven. Doctor in de geschiedenis en ethiek (1925) om mooi af te ronden aan de Universiteit van Freiburg en Parijs en de London School of Economics.
Al de geleerdheid die hij daar opdeed belette hem zijn latere populariteit niet… En belette hem ook niet de muze te gehoorzamen en poëzie te gaan bedrijven. Alhoewel zijn eerste bekende gedicht eerder tot protest-poëzie behoorde, want “Tijdzang voor Herman van den Reeck † 1920” ter ere van de martelaar voor Vlaanderen werd geschreven naar aanleiding van het feit dat deze jonge communistische flamingant door de politie werd neergeschoten tijdens een protestbetoging. Communistische sympathieën hebben en flamingant zijn: je kon in het België van toen moeilijk meer provocatief zijn.
In 1927 krijgt hij een beurs en maakt een studiereis naar Seattle in de Verenigde Staten. Zijn volgend verhaal gaat daarover en heet “Ontdek Amerika”. Het lijkt een voorafspiegeling van wat er in de toekomst gaat gebeuren…

Gysen zal met de regelmaat van een klok ieder jaar een roman schrijven. Toen kwam plots het bijna iconisch geworden “Boek van Joachim van Babylon” dat het einde van zijn huwelijk beschrijft, en een reeks agnostische zinspelingen bevat die recht tegen geloof indruisen. In 1929 was hij een eerste keer getrouwd met Julia de Bie (1889-1983) en zij zal het rolmodel zijn voor de kuise Suzanna uit het apocriefe verhaal in het boek van Daniël. Dat honderden keren afgebeeld werd in de kunst, dankbaar onderwerp, want daar zat dan de kuise maagd in haar blootje, begluurd en benaderd door drie ouderlingen. Het huwelijk was heilig, kon niet “ontbonden” worden en kritisch zijn voor Kerk en geloof… Gysen plaatst zich heel apart en zijn werk zal daarna – alhoewel in afnemende mate - bijzonder kritisch behandeld worden door Kerk en het gelovige Vlaanderen.
Zijn persoonlijk leven zal nog meer het onderliggend onderwerp zijn voor zijn romans en het is opvallend dat net die romans en novellen in het “Gysen-geheugen” van de Vlaming zijn blijven hangen. “Klaaglied om Agnes” zijn grote liefde en verloofde die stierf aan de toen onafwendbare “killer” TBC, “Allengs gelijk de spin” (8 kortverhalen waarvan één over zijn zuster Alice), “Telemachus in het dorp”, “De afvallige” en de “Biecht van een heiden”.
Zijn ervaringen in Amerika vinden dan hun plaats in, bijvoorbeeld, “Goed en kwaad”, “De Kat in de Boom”, “Lucinda en de Lotoseters”, “De kroeg van Groot Verdriet”.

Gijsen was goed bevriend met SP politicus Marc Galle die herhaaldelijk de juiste helpende hand is op het juiste ogenblik, in het leven van Goris. Hij zal bijvoorbeeld onrechtstreeks diegene zijn die hem laat kennismaken met zijn tweede echtgenote (gehuwd in 1976) en secretaresse Maria Magdalena 'Leentje' Bambust. Hij zal na de dood van Gijsen ook diens archief beheren.
De andere kant van “Dubbelman” is zijn administratieve-diplomatieke carrière die ten minste even indrukwekkend is als wat zijn literair dubbelpersonage verwezenlijkt. Hij is afwisselend ambtenaar, doceert in Leuven, wordt kabinetschef van Frans Van Cauwelaert, zetelt in het gemeentebestuur, is directeur bij de dienst Schone Kunsten, organiseert twee keer het Belgisch Paviljoen voor de wereldtentoonstellingen in de VS en Canada en krijgt in 1975 de persoonlijke titel van Baron waardoor hij terechtkomt bij de Belgische erfelijke adel. Na niet zo lang voorheen nog de spot gedreven te hebben met dat “gedoe”. Hij is geïnteresseerd in plastische kunsten en heeft een kleine collectie, waaronder een waterverfkopie van een bekend Magritte doek, dat deze laatste voor hem schilderde omdat het oorspronkelijke werk dat Gysen zo graag had gewild, al verkocht was.
Enkele andere namen die in het boek en zijn leven opduiken zijn Gaston Burssens, Paul van Ostayen, Frans Cantré, Wies Moens, Floris Jespers.

Goris ging met pensioen in 1968, wat natuurlijk niet betekent dat Gysen op zijn lauweren ging rusten. Iemand voor wie 5 uur slaap volstaan heeft natuurlijk een boel tijd “over”.

Als de Erfgoedbibliotheek de volledige collectie van de bibliotheek van Marnix Gijsen ontsluit bevat die 1563 exemplaren, wat toch een kleine aanduiding is van het leesvoervolume van Gijsen en onrechtstreeks voor zijn eigen productievolume.
Ook typisch is zijn schrijversnaam "Marnix Gijsen" die een samenstelling is van de familienaam van zijn moeder “Gijsen” en een deeltje van de naam “Filips van Marnix van Sint-Aldegonde”, een Vlaamse schrijver, burgemeester van Antwerpen tijdens het beleg door de Spaanse troepen en raadgever van Willem van Oranje en die misschien ook wel de tekst van het Wilhelmus zou kunnen geschreven hebben. Het zich fabriceren van een dergelijk pseudoniem toont een man die zowel gewone burger is als ongelooflijk erudiet en scherpzinnig iemand voor wie de figuur van Marnix van Sint Aldegonde een alledaagse vanzelfsprekendheid is. Het was waarschijnlijk net omdat hij, in vergelijking met de gemiddelde Vlaming van toen, een Vlaamse intellectueel was, een man die veel wist, een achtergrond had in de Griekse klassiek Oudheid, een kosmopoliet was, in tegenstelling tot de “echt” Vlaamse schrijvers van streekromans zoals Streuvels, Timermans en Ernest Claes. En hij was de precieze, ietwat ironische aanschouwer en denker die de présence en klasse had die de Vlaming benijdde in de Fransen en in mindere mate bij de Nederlanders. Hij was de voorafspiegeling van wat misschien de toekomstige Vlaming zou kunnen zijn.
Stilaan ontstaan er kleine, storende geluidjes in het de bijna religieuze respect waarmee “de” Vlaming opkeek naar Gijsen. De jonge generatie dient zich aan en schrijvers zoals Maarten ’t Hart, Tom Lannoye en Brouwers maken er werk van te wijzen op het middelmatige – en soms slechte -  gehalte van Gysens werk, net zoals hij zelf als jonge beeldenstormer Van De Woestijne had “begraven”.
Het wordt duidelijk dat in het geheel van zijn boeken er toch weinige zijn die echt wat betekenen. Eigenlijk hebben ze bijna allemaal eenzelfde soort stramien en onderwerp met als enig “nieuw” element telkens een of andere opvallende gebeurtenis om de aandacht te trekken (moord, bedreiging, gevaar) en er hetzelfde verhaal rond te bouwen.
Nog meest verrassend is het feit dat blijkt dat Gijsen eigenlijk geen goede kennis heeft van het Nederlands, met veel anglicismen en leenwoorden uit het Frans en andere talen, lange zinnen schrijft die zo slecht in elkaar zitten, dat ze dikwijls onbegrijpelijk worden. Dat terwijl hij eigenlijk overkwam als de schrijver die strak en beheerst dacht en schreef, van wie “zijn heldere en zakelijke stijl” als kenmerkend beschouwd wordt, naast de grondtoon van ironie, en op een buitengewone taalkennis kon bouwen. Zijn teksten hadden heel veel verbetering nodig, zowel qua zinsbouw als tekstconstructie en gewone fouten. Hij rekende er waarschijnlijk op dat er in het productieproces van zijn boeken wel iemand was die zijn kopij aandachtig las en de nodige bekwaamheid en het talent had om zijn teksten wat te fatsoeneren. Jan Greshoff, die lange tijd die taak op zich nam, mag dus ergens wel beschouwd worden als co-auteur van Gijsen.
Gysen zelf was zich blijkbaar niet bewust van zijn tekortkomingen. Later, toen men het plan opvatte een keuze te publiceren uit zijn jarenlange radio “Stem” uitzendingen en hij diegene is die de keuze moet maken, beseft hij dat de radio-stukjes “erg zwak, oppervlakkig en slecht geschreven” waren, kan hij slechts een eerder dun boekje produceren.
Bert Govaerts zal het niet nalaten ook de mindere kantjes van Gysen te vermelden. Hij ziet het blijkbaar als zijn taak zo gedetailleerd mogelijk te zijn, waarbij hij soms overdrijft. De namen van drie katten, de prijs van een huis, last hebben met tanden kan je bezwaarlijk belangrijk vinden.

Hij is de tachtig voorbij en ziek maar blijft toch schrijven. Ook als er op het einde van zijn leven conservatieve, totaal onhumanistische uitlatingen verschijnen in “Het Gordijn Zakt”, zijn laatste boek. Homofoob, vrouwonvriendelijk, de toestand in Zuid Afrika.
Ander opmerkingen zijn eerder onkies ofwel door de onvolledige vermelding van de omstandigheden of gewoon onnodig:

- Als professor in Gent zal hij slechts één keer verschijnen. Hij gaf dus nooit les.

- In Pellenberg gingen de verpleegsters op het einde van zijn leven, hem niet graag verzorgen. Dat is gewoon iets wat veel gebeurt en, helaas, deel uitmaakt van een droevig ouderdomsproces en het vermelden niet waard(ig).
Ik moet toch even de reactie vermelden van “de onbekende volksvouw” die hem schreef bij het ophouden van zijn uitzendingen van de “Stem uit Amerika” legt misschien de vinger op een factor die toch wel meespeelde. Ze had nooit veel begrepen van wat hij allemaal vertelde, maar zijn stem had haar altijd rustig gemaakt en tevreden. Dezelfde reactie krijg je nog altijd van mensen die hem toen beluisterden. Zijn stem was zo speciaal. Ze hoorden die graag.
Stem, gekoppeld aan een zeer aanwezige persoonlijkheid en présence, zorgen er soms voor dat men de eigenlijke kwaliteit van het “werk” van zekere prominente kunstenaars (ook politiekers, zangers) niet ziet of verkeerd inschat. Ook rond Gysen was er die plotselinge stilte na zijn dood, toen zijn stem verstomde. Die mensen worden na hun dood (of soms eerder) zeer plots vergeten en je blijft over met een vreemde stilte. Filip de Pillecijn en Hugo Claus horen waarschijnlijk ook in deze categorie thuis.
Dit boek is natuurlijk erg goed. Er zal waarschijnlijk weinig of niets zijn uit het leven en oeuvre van Gysen dat niet ergens een plaatsje gekregen heeft. Bijna 400 bladzijden, 25 pagina’s noten plus een zeer welkom personenregister, indrukwekkend als je even door de (ten minste) 450 namen leest en wie dat allemaal waren.

Het is ook een prachtig foto album geworden dat je de Gysen toont in ieder stadium van zijn leven en zelfs enigszins zijn persoonlijke uitstraling.

Misschien worden die enkele boeken van Gysen, die het echt waard zijn, nu toch weer gelezen en krijgen ze in de Nederlandstalige literatuur toch nog de plaats die ze verdienen.

Victor De Raeymaeker
Bert Govaerts
Victor De Raeymaeker
Non-fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies