Joris Luyendijk
Nick De Clippel
Non-fictie
  • 946 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

21 februari 2022 De zeven vinkjes. Hoe mannen zoals ik de baas spelen.
Het was de tweede week van februari hard zoeken naar een krant of magazine zonder interview met Joris Luyendijk. Dat privilege heeft hij te danken aan baanbrekend vorig werk en aan de jonge uitgeverij Pluim, die duidelijk brood zag in De zeven vinkjes.
Blijkbaar voert het Nederlandse boek een discours dat zelfs in Vlaanderen goed in de markt ligt, al kan de lezer hier te lande best Wikipedia open laten liggen, tenzij hij weet wat onder meer Cito, havo, vmbo en het ‘corps’ betekenen en zij goed vertrouwd is met al wat zich BN’er mag noemen.
De impetus voor het boek lezen we achteraan: “hoe rouwt een mens over de instorting van een zelfbeeld dat hij nooit had moeten hebben?” In net geen tweehonderd bladzijden legt Joris Luyendijk vooral uit hoe het zit met het tweede deel van die vraag.
Dat zelfbeeld, zo lezen we, ging aan het schuiven na een tweejarige passage als medewerker bij The Guardian. Wat de arme Luyendijk daar overkwam, is wat mensen van kleur vandaag micro-agressies noemen. “Waar kom jij nou echt vandaan?” (blz. 21) kreeg hij daar voor de voeten geworpen . Een mens zou er voor minder de brui aan geven. Na de traumatische passage in het perfide Albion vielen de schellen Luyendijk van de ogen en zag hij in dat hij het een heel leven alleen maar voor de wind heeft gehad en dat hij zonder de zeven privileges die hem door de Fortuna zomaar gegund werden misschien nooit boven de anonieme middelmaat was uitgestegen. Luyendijk is een blanke man (wit in zijn boek) en hetero, hij doorliep exclusief secundaire onderwijs (categoriaal gymnasium) en behaalde een masterdiploma in de antropologie. Minstens een van zijn ouders is hooggeschoold en werd in Nederland geboren. Dat is zeven keer tjakka (sic). Die zeven adelbrieven deelt hij met amper drie procent van de bevolking, waardoor hij deel uitmaakt van een kleine elite die oververtegenwoordigd is in de hogere regionen van de samenleving en onkwetsbaar en ondiscrimineerbaar zou zijn. Toch in eigen land.
Zelfs al Luyendijks analyse correct zou zijn, rijst de vraag wat daar verkeerd mee is. Elke vergelijking begeeft zich op glad ijs, maar als Bart Swings goud haalt omwille van een aantal vinkjes die hij gewoon in de schoot geworpen kreeg (groot, gespierd geboren in een land met ijspistes en sponsors…) is die medaille dan gerechtvaardigd of niet? De auteur schijnt er zich over te verwonderen dat hij in Nederland vooral autochtonen tegenkomt en dat dat een boel dingen betekent: een eigen cultureel archief, subtiele omgangscodes… Maar waar ergens in de wereld of de geschiedenis is dat anders? En had hij dan liever kortgeschoolde opiniemakers gehad? En waarom geen ‘theoretisch geschoolde’ (sic) loodgieters? Dat zeven vinkjes niet meer zijn dan een goede springplank voor gedreven en ambitieuze mensen spreekt de schrijver niet tegen, maar hij blijft toch vooral naar de springplank kijken. Is het niet gewoon onvermijdelijk dat er in een vrije samenleving een toplaag ontstaat en is het niet evident dat een aantal factoren aard en getal van die toplaag bepalen? Wat is trouwens het alternatief voor een elite, op voorwaarde dat die werkt in het algemeen belang en de deuren niet gesloten zijn voor alle mogelijke kandidaten? Dat laatste is overigens ook weer problematisch, want we lezen dat klassemigranten het vaak lastig hebben. Het is ook nooit goed.
Er staat in het boek een hele waslijst figuren uit de Nederlandse politiek. Het lijkt Luyendijk ontgaan te zijn dat al die zevenvinkers (eigen woord, ndc) democratisch werden verkozen. Misschien komt dat niet enkel door wat ze zijn, maar door wat ze vertellen.
Luyendijk onderschrijft de intersectionele benadering (de term zelf duikt pas op in de verantwoording achteraan), maar deugt die wel? Vrouwen maken de helft uit van de bevolking, mensen van kleur niet. Het dominante vertoog wordt evengoed door vrouwen en een deel van de minderheden uitgedragen. Hoe minder vinkjes men heeft, hoe meer aanspraak men kan maken op allerlei steun. Een zevenvinker in een rolstoel zal ook wel eens een kans ontzegd worden. Daders en slachtoffers lopen dus door elkaar heen. Het klopt wel dat zevenvinkers zelden of nooit slachtoffer zijn, maar zijn ze daarom een zondebok?
De wereld is een wereld in snelle verandering. Nederland verschilt niet flink veel van België waar vrouwen pas stemrecht kregen in 1947, de eerste migrantengolf pas in de sixties kwam, en de meeste Afrikanen pas na de nineties arriveerden. Uiteraard verloopt de aanpassing aan geen van twee kanten meteen van een leiden dakje. Alleen wordt discriminatie bij ons systemisch weggewerkt en is dat met betrekking tot  vrouwen nagenoeg een voldongen feit, ook al beweert een handvol activistes halsstarrig het tegendeel. Geef een en ander wat tijd. De geschiedenis laat zich niet dwingen en waar men dat desondanks toch probeerde, viel dat behoorlijk tegen. Ik kan het maar even herhalen: nergens wordt zoveel aan discriminatie gewerkt als in het vermaledijde westen van de witman en zijn heptagonische elite.
Nogal wat observaties worden in het procrustesbed van zevenvinkjeshypothese gelegd. Zo vertelt de auteur dat homo’s al eens hun geaardheid verzwijgen om bij de minderheid van de zevenvinkers te horen (blz. 117), maar je kan net evengoed stellen dat ze dat doen om minder op te vallen bij de heterofiele meerderheid.
Scholen zouden migranten steevast naar verkeerde scholen doorverwijzen, maar is dat wel zo? Wat zijn verkeerde scholen? De doorverwijzingen zijn slechts adviezen, maar steeds gemotiveerd. Wel zijn ze niet enkel op de puntenscore gebaseerd en loopt het wel eens fout. Fouten zijn uiteraard te vermijden maar zijn wat anders dan systematische discriminatie. En dan staat er de grijsgedraaide riedel waarin Nederlanders van kleur voor hun uitstekend Nederlands gecomplimenteerd worden. Dat zal in de sixties wel courant geweest zijn en vandaag nog wel eens voorvallen, maar of dat meer is dan stemmingmakerij?
Luyendijk rekent voor dat witte mannen slechts een derde van de bevolking uitmaken en dus niet representatief zijn. Voor de andere twee derde worden alle geslachten en kleuren samengeteld. Dat is rare rekenkunde. En gaat zijn vertoog nu over de zevenvinker of over de witman? Dat niet alle witmannen zevenvinkjes zijn, staat expliciet in de tekst, maar de vermenging blijft.
De zevenvinker zou een obstakel zijn voor maatschappelijke verbetering (blz. 169), maar een bewijs voor die stelling heb ik nergens gevonden. Het is wel duidelijk dat hij (en soms een vrouwelijke zesvinker) veel stoelen bezet houdt en dat nogal wat minderheden graag een paar van die stoelen zouden hebben. Wel, die hebben ze ook. De cijfers tonen dat het beter moet, maar ze tonen gelijk dat het de goede kant opgaat en dat die evolutie veeleer wordt aangemoedigd dan afgeremd. (Bij zoekwerk stootte uw dienaar op een opvallend detail: vrouwen van etnische minderheden zijn in de tweede kamer beter vertegenwoordigd dan vrouwen van de etnische meerderheid, zie hier.) https://openjournals.ugent.be/rp/article/id/74095/ 
Wie deel uitmaakt van een dominant discours heeft voordeel. Daarom kon iemand als Aboutaleb zelfs wethouder van Rotterdam worden, ondanks zijn gebrek aan vinkjes.
Luyendijk heeft zoals veel wereldverbeteraars bedenkingen bij het dominante vertoog, maar er is altijd een dominant vertoog. Dat is niet altijd deugdelijk en is altijd voor verbetering vatbaar, maar is het daarom a priori slecht? Is ‘ons’ dominante vertoog niet dynamisch en zelfkritisch, mede dankzij de zevenvinkers? Of is het dat ondanks die elite? Voor Luyendijk is dat een uitgemaakte zaak, maar mij heeft hij niet kunnen overtuigen.
Achteraan lezen we dat geleerde woorden en verwijzingen vermeden werden, om de drempel laag te houden voor mindervinkjes (eigen woord, ndc), maar dat neemt niet weg dat De zeven vinkjes geen doorwrochte analyse is. Ad hoc worden er wel een paar namen en titels bijgehaald (van Max Weber tot Gloria Wekker), maar De zeven vinkjes blijft veeleer een subjectieve getuigenis die aansluiting zoekt bij een recente stroming die overal onrecht ziet en steevast de witman als schuldige voor alles en nog wat met de vinger wijst.
Luyendijk heeft een hoge pet op van Gloria Wekker. Een enthousiasme dat ik absoluut niet deel, maar ik voldoe allicht aan haar beschrijving in Witte Onschuld (2016): ik wil de privileges en de discriminatie gewoon niet zien. Het is onwil. Mijn vijf vinkjes zijn er wellicht een paar teveel.

Nick De Clippel
Joris Luyendijk
Nick De Clippel
Non-fictie
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven).
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies