Lucas Catherine
Victor De Raeymaeker
Non-fictie
  • 646 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

17 februari 2022 Koloniaal België
De auteur van dit boek over de koloniale geschiedenis van België, Lucas Cathérine, is historicus en auteur van een dertigtal boeken, die ofwel met Palestina ofwel met Congo/Afrika te maken hebben. Hij is medewerker aan een reeks films en theaterstukken, lid van een aantal studiegroepen en iemand waarvan sommige uitspraken nogal opschudding veroorzaken. Je kan je hier dus verwachten aan een “meer getrouwe en dus gedekoloniseerde visie van de koloniale geschiedschrijving” waarin niet Leopold II en Stanley, baron Dhanis en Emile Storms de hoofdpersonages zijn en de vrome missionarissen niet de grote beschavers.
De kolonisatie vanuit België begon niet met Leopold II, zoals door de “algemene” geschiedenis verspreid wordt.  Leopold I was immers een kind van zijn tijd. Alle Europese landen waren druk bezig met het koloniseren. Waarom zou België, op en ogenblik na Engeland het meest geïndustrialiseerde land, daar dan niet aan meedoen. Want het kapitalisme was losgebroken, beheerste de economie en liep nu tegen de muur aan van gebrek aan van dat meest noodzakelijk element: expansie. De kapitalistische economie moet groeien, dat weten we ondertussen. Dat kon nog maar enkel buiten de eigen grenzen en dus werden er druk andere landen bezet, ingelijfd, aangehecht en een landje zoals Engeland bouwde een echt keizerrijk uit. Met armen kon men ook niets aanvangen en die werden dan maar naar die kolonies geëxporteerd. Vandaar de honderdduizenden Ieren die naar De Verenigde Staten trokken, de massa “misdadigers” die door Engeland naar Australië gestuurd werden. Ook in Vlaanderen was er grote crisis in de textielindustrie en de aardappel- en graanoogsten mislukten enkele jaren na elkaar. Leopold I probeerde dus herhaaldelijk om met een kolonie te beginnen: Guatemala (al wat daar nu van overblijft is een kerkhof), Brazilië (nog enkel een paar straatnamen blijven over) en “Rio Nunez” in West Afrika.  Het betreffende koningshuis deed de verkoop te niet en gaf de grond aan Frankrijk.
Maar dan kreeg kroonprins Leopold II “de koloniale microbe te pakken”. Alhoewel hij nog maar 25 was, wist hij het zeker: “Il faut à la Belgique une colonie.” Hij kocht een steen van het Parthenon en liet zijn slogan daar op graveren. Hij was misschien nogal naïef in het begin, want hij vond dat je met vijf- tot zesduizend goed uitgeruste manschappen en enkele stoomboten in staat zou moeten zijn je tot keizer van de Oriënt te laten uitroepen. Er volgde een kolonisatiepoging in Sevilla en Egypte, hij ondernam een halve wereldreis en probeerde het opnieuw in Tarfaya aan de Marokkaanse kust. En daarna in het Rif Gebergte waar hij hoopte naast een Frans en Spaans Marokko ook een Belgisch Marokko uit te bouwen. Hij wedde echter op de verkeerde rebel die voor de leeuwen gegooid werd. Alhoewel het koloniseren niet lukte, wil dat niet zeggen dat hij ondertussen niet druk handel voerde en investeerde en overal spoorwegen ging aanleggen, een technologie waar de Belgen experten in waren. Hij was ondertussen ook nog elders bezig geweest. Hij had altijd al gedacht aan Midden Afrika, had een vereniging gesticht, waarvan het enige lid hijzelf was, de “Association Internationale Africaine” die al vijf expedities richting Centraal Afrika georganiseerd had.
Vanaf dit ogenblik herkennen we een versie van de Belgische kolonisatiegeschiedenis, zoals die op school en in geschiedenisboeken beschreven werd. Eén verhaal daarin was de beroemde expeditie van Stanley. Over wie Richard Burton schreef dat hij op zwarten schoot zoals op chimpansees, en zijn ontmoeting met de verloren gewaande Doctor Livingstone. Met het legendarische “Mr Livingstone, I presume” gebeuren waarvan de Britten beweerden dat het om een journalistieke stunt ging, dat men altijd al wist waar Livingstone zich bevond en het allemaal een opgezette vertoning was.
In 1885 kwamen alle Europese landen en de Verenigde Staten samen in Berlijn (de vorstenconferentie) om gezellig onder elkaar de kolonisatie van Afrika te regelen. Leopold II  liet één van zijn “Associations” Congo claimen en de conferentie “honoreerde zijn wensen”. Op voorwaarde dat er altijd absolute vrije toegang zou zijn tot Congo en er absolute vrijhandel moest heersen. Leopold ging daar natuurlijk mee akkoord, maar lapte dat later allemaal aan zijn laars. Een gebied zo groot als Congo koloniseren (“uitbaten”), 289.375 vierkante kilometer of tienmaal België, was natuurlijk een hele klus. Er werd wel overal verteld dat Congo een “leeg” gebied was, zoals je kon zien op de kaarten van Afrika met de grote, witte vlek in het centrum. Maar in werkelijkheid waren daar al eeuwen grotere en kleinere rijken gevestigd die handel dreven, hun eigen legers hadden, hun eigen bestuur en hun eigen plantages. En die inderdaad “slaven” hadden. Maar die slaven hadden rechten, konden zichzelf vrijkopen, tolk spelen, konden bijvoorbeeld lijfwacht worden en trouwen met “vrije” mensen. Maar vermits er slaven waren, gebruikten de kolonisators dat handig, beweerden dat ze de slavernij bestreden, die arme slaven hun vrijheid gingen geven, de slavernij gingen afschaffen. In feite zagen ze daar een reserve van werkkrachten hoog nodig voor het oogsten van ivoor en rubber. Het eerste jaar na de officiële oprichting van Congo-Vrijstaat bracht rubber 1.912.930 frank op, nu 9.564.650 euro. Wat er gebeurde met de bevolking die ingezet werd voor het winnen van rubber, gaat alle verbeelding te boven. Het afhakken van handen was er maar één van.
Gelukkig waren alle koningen en stamhoofden bereid gevonden hun land onder te brengen onder het bestuur van de grote, wijze, blanke, Belgische Koning en ze zouden zelfs hun land verkocht hebben aan Stanley en later aan de “autoriteiten” van de “compagnies” die na hem kwamen en zich “ L’état Indépendant du Congo” of “Congo- Vrijstaat”, noemden. Er werden zogezegd “contracten” afgesloten met stamhoofden die dachten dat ze  aan de blanken het recht verkochten om op hun grondgebied handel te drijven en te jagen in ruil voor substantiële gebiedsuitbreiding. Als het verschil in interpretatie duidelijk werd en er tegenwerking ontstond, moesten die “primitieve” stammen vernietigd worden, dorpen platgebrand, mensen afgemaakt. Want “Men zal de negers enkel kunnen beschaven met geweld. Wat een smerig ras, die negers”, schreef Leon van Holsbeek in zijn dagboek. Ook nog: “We besloten de dorpen aan te vallen. Vele mannen hebben we gedood en dan hebben we geplunderd! Een mooie buit, met gevangenen, levensmiddelen en 75 geiten.” Het lijkt nogal drastisch, maar in de plaats kregen ze een hogere beschaving en de ene ware godsdienst cadeau. Na een beetje aandringen, soms, zoals we kunnen lezen in berichten van die tijd waarin ook Nederlanders zich roerden om een stuk van de Congolese taart te bemachtigen en zich verzetten tegen de verdragen die Congo Vrijstaat afsloot met de lokale vorsten. Eén van hen, Anton Greshoff , “de luis in de pels van Leopold II” schreef in een artikel dat hij gemerkt had dat “alle dorpen tussen de Inkisirivier en Nzugu-Mbola zijn platgebrand”. Terwijl hier nooit enige melding is van gemaakt en alles wat hij van de Vrijstaat gezien heeft, lijnrecht in strijd is met haar programma van “menslievendheid, wetenschap, beschaving.”
Er was natuurlijk verzet. De Swahili, bijvoorbeeld, waren heel gemotiveerde en overtuigde moslims en zij leverden stevig weerstand. Maar de “Force Publique” kon meer troepen en wapens inzetten, o.a. kanonnen van Krupp en Nordenfeldt en “aan Congolese kant vielen 70.000 doden”. De inkomsten uit onder andere het ivoor ging voortaan naar Leopolds Congo. Hij zorgde meteen voor spoorwegen waardoor de buit vlot kon vervoerd worden naar Matadi en ingescheept met bestemming Antwerpen. De cijfers van de ivoorimport in Antwerpen tonen dat glashelder: in 1886 arriveerde er 81.698 kilogram ivoor, in 1894 was dat meer dan verdubbeld tot 180.570 kilogram en in 1910 was het al 236.000 kilogram. Daarvoor werden er slechts 1495 olifanten afgeslacht. Er zat natuurlijk ook nog veel aantrekkelijks in de ondergrond. Leopold en handelspartners verenigden zich in nog maar een compagnie, de “Compagnie de Katanga” met als aandeelhouders Generale Maatschappij, Bank van Brussel, Bank van Parijs en de Nederlanden, baron Leon Lambert, Franz Philippson, Albert Thyssen nog meer aandeelhouders van Parijs en Londen. De Compagnie zal weldra Katanga mee besturen. Ze veroverden de streek met vier militaire expedities, het koper werd Belgisch en de Union Minière du Katanga voerde tussen 1906 en 1956  4,5 miljoen koper naar Antwerpen uit. Volgden nog diamant, tin, goud, zilver, kobalt, mangaan, uranium (voor de kernbommen gegooid op Hiroshima en Nagasaki). De “Union Minière” heet nu “Umicore”.
Ik heb nu een bijzonder ingekort verslag geleverd van ongeveer de helft van het boek. Waaruit al volgt dat “onze” Congo nu één van de armste landen van Afrika is, slecht bestuurd en corrupt.
De andere helft is natuurlijk even interessant. Waar komt het begrip “Sarma” vandaan? Waarom is er een Kolonieënstraat in Brussel? Er zijn vandaag een 100.000-tal Afrikanen in België. Congolese soldaten vochten tijdens de twee Wereldoorlogen in Libië, Egypte, Palestina en aan de IJzer. Je kan een foto zien van een Congolese soldaat met Italiaanse gevangenen in Ethiopië, maar bijvoorbeeld ook een neger-knikkend missiebusje, een missionaris met zijn zwart kind. Afrikanen stonden op een lager ontwikkelingsniveau dan de Europeanen en dat kon men toen wetenschappelijk bewijzen met schedels te meten in het kader van de “fysische antropologie” zoals die wetenschap heette. Natuurlijk was er geen apartheid in Congo. Er waren wel stadsdelen voorbehouden aan blanken en andere delen die “cités” heetten voor de zwarten. Die mochten natuurlijk wel in het blanke deel komen om te werken, als “boy” bijvoorbeeld. De gebouwen hadden een aparte ingang voor witten en zwarten. Sommige steden waren gewoon helemaal wit, zoals Elisabethstad of Goma. “We” bouwden ziekenhuizen. Die voor blanken waren performant, met vele specialisaties. Die voor zwarten waren kleine kliniekjes. In Leopoldstad was er 1 ziekenhuis voor 15.740 blanken en 4 ziekenhuizen voor 300.000 Congolezen.
Er werden grote wegen aangelegd in functie van de mijnbouw en de plantagebouw. Naast de vrachtwagens van de grote maatschappijen mochten de Congolezen ze ook gebruiken te voet of per fiets. Er werden scholen gebouwd. Lagere scholen. Vreemd dus dat er bij de onafhankelijkheid geen enkele zwarte dokter, advocaat of ingenieur was. Gelukkig waren er de missies die goed werk verrichten. Die gingen wel niet zo ver dat ze de Afrikanen gingen onderwijzen in hun dorpen. Eigenlijk kochten ze vooral kinderen op om er, binnen de grenzen van hun missieposten, christenen van te maken. Jongens van 14 en meisjes van 12 werden onderling uitgehuwelijkt. In de kapelhoeve 350 in 1908. Ze bleven er wonen en voor de missie werken. Interessant is natuurlijk ook wat je kan lezen over de immigratie van Congolezen naar België, met kaart en cijfers. Er is de geschiedenis van de Congolese Onafhankelijkheid en wat er gebeurde met  de eerste Congolese premier, Patrice Lumumba. Wat niet te verwonderen was na wat hij in zijn speech van 22 april 1959 wist te zeggen: “Wij hebben de politieke onafhankelijkheid veroverd, nu willen we economische onafhankelijkheid.” Het duurde dan ook niet lang of zijn lijk werd opgelost in vaten zuur van Union Minière.
Dat allemaal in een boekje van een 150-tal bladzijden, met foto’s, bijlagen, een adressenlijst 1910 en verspreiding Congolezen in België 2021, een apart hoofdstukje dat het algemeen aanvaarde begrip van wat slavenhandel is, even bijstelt, een chronologisch overzicht en de voornaamste bronnen.
Scherp, kritisch, met namen, cijfers, monumenten, gebouwen, die verwijzen naar het koloniaal verleden waarin er bedrijven en families rijk werden: Cockerill, Union Minière, Boelwerf, Delhaize, Colruyt, Unilever, Sarma, Empain, Umicore, Solvay, Wittouck, Van Thillo, Bekaert, Lippens, Janssen Pharmacy die zo blij waren in Congo te kunnen investeren want daar was “geen elite en dus geen zorgen”, vakbonden waren verboden en stakingen werden dus gemakkelijk onderdrukt.
Het is belangrijk “ons” dit te herinneren. “Als er ooit herstelbetalingen komen voor de kolonisatie, zullen de bedrijven en de families die rijk geworden zijn tijdens de kolonisatie een kolonisatietaks moeten betalen, niet de gewone Belg, want die werd onder dezelfde kapitaalgroepen uitgebuit.” Een boekje met een stuk geschiedenis van een land met 105 miljoen Congolezen, een tijdje in handen van België en waar het bestuur na de onafhankelijkheid in handen kwam van een Congolese elite, de zogenaamde Comprador-elite in handen van het internationaal kapitaal.
Bij het lezen van dit boekje kan je je niet ontdoen - zeker na mijn korte en dus nog scherper aanvoelende bespreking - van een zeker vermoeden van vooringenomenheid door de schrijver. Hij vertelt alles zeer  nadrukkelijk, zodat het soms lijkt alsof hij er geen ogenblik aan twijfelt dat hij “het” weet en dat een zekere nederigheid, nuance of voorzichtigheid toch wel zou passen. Alhoewel… Veel van wat Lucas Catherine hier schrijft, heeft hij al ooit gezegd, geschreven, betoogd, geantwoord en ik kan me niet herinneren ooit een steekhoudend tegenargument gehoord te hebben.

Het is in elk geval een boekje dat zo ruim mogelijk zou moeten gelezen worden niet alleen om een stuk verwrongen geschiedenis recht te zetten, maar misschien ook zeer veel onrechtvaardigheid.

Victor De Raeymaeker
Erratum
Zoals mijn collega recensent Karel D’huyvetters me in een mail laat opmerken, waarvoor dank, klopt er in de tekst van bovenstaande recensie iets niet met de getallen die te maken hebben met de vermelding van de oppervlakte van “onze” Congo.

Met een “oppervlakte van ongeveer 290.000 vierkante kilometer” en slechts “tienmaal België”,  zou de toenmalige “Kongo Vrijstaat” toch wel erg klein geweest zijn in vergelijking tot de 2.345.000 vierkante kilometer die Karel in zijn mail aangeeft.

De “ongeveer 290.000 vierkante kilometer” waarnaar er in de tekst verwezen wordt, slaat enkel op wat Lucas Catherine als “Leopolds privédomein” bestempelt.

De Koning “schonk” onder internationale druk zijn bezit aan België, maar onder voorwaarde dat het Kroondomein (tweederde van de Vrijstaat) zijn eigendom bleef en mits nog de betaling van een aankoopsom door de Belgische Staat.

Waar hij nog een jaartje heeft kunnen van genieten voor hij stierf en zijn lichaam en het Kroondomein aan de hoede van de  Belgische Staat werden toevertrouwd.
Lucas Catherine
Victor De Raeymaeker
Non-fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies