Mary Beard
Victor De Raeymaeker
Non-fictie
  • 587 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

16 februari 2022 Twaalf keizers. De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu.
Mary Beard mag zich deze dagen “Dame” noemen en laten noemen en ze heeft dat zeer zeker verdiend. Ze heeft het nog moeten meemaken dat ze universitaire studies ging aanvatten en dat dit niet erg au sérieux genomen werd, want ze was een vrouw, en vrouwen konden universitaire studies niet aan. Nog niet zo heel lang geleden, als je er even over nadenkt… Ze promoveerde in 1982 op een proefschrift dat “The State Religion in the late Roman Republic” heette. Ondertussen zijn daar nog een twintigtal boeken bijgekomen en die hebben allemaal te maken met het klassieke Romeinse Rijk.
Je zou dus met recht kunnen denken dat ze wel een van die stoffige klassieke geleerden zou zijn. Wat gelukkig niet zo is. Dat ligt niet in haar aard en samenstelling en ze leeft wel degelijk en uitgesproken ook in het heden.  Zo liet ze, als reactie op “9/11”, met een nuchtere historische linkse reflex weten dat die aanslag “het gevolg was van het beleid van de V.S. en de Westerse Bullies”. Wat in de slachtoffer-hysterie die er toen heerste geen uitspraak was om iemand populair te maken.
Ze is een uitgesproken, consequente  feministe op de koop toe. Dat, naast andere twistpunten zoals de rassenkwestie, wetenschap en religie, abortus, inwijking, sociale ziekenzorg en nog een resem andere “issues” die controversieel zijn in de Verenigde Staten en waar zij ook een uitgesproken mening over heeft. Zodat je maar enkel kan concluderen dat het moet te danken zijn aan haar talent, verstand en kennis, dat deze erudiete, onopgesmukte, grijzende dame een overlopend vat van kennis, weetjes, verhalen, inzichten en vooral meningen is, die toch een “knighthood” kreeg en heden een alom gekende, gerespecteerde en zelfs populaire verschijning is op forums, in panelgesprekken en op conferenties. Zonder te vergeten dat zij het is, die we allemaal kennen als wandelende reïncarnatie van alles wat “Romeins” is op de BBC, met een indrukwekkende reeks documentaires, die vooral opvallen door het feit dat Mary Beard daarin veelal de verhalen moet rechtzetten die verteld werden over zekere gebeurtenissen en aspecten die te maken hebben met het Romeinse Rijk, omdat die niet  altijd ‘waar’ waren, zoals wij ze nu zien en waar het gewicht van haar bewijsvoering moest komen van haar “vak als classicus, historicus, docent, scepticus en af en toe spelbederver”.
In dit boek behandelt ze één enkele breed gestelde vraag: In de veertig jaar van niet aflatende studie was het haar opgevallen dat er een bepaald beeld was ontstaan van Romeinse Keizers en ze was zich beginnen afvragen hoe en waarom dat was ontstaan en “waarom kunstenaars sinds de Renaissance deze eeuwenoude persoonlijkheden zo vaak en op zoveel verschillende manieren in beeld hadden gebracht. Tot en met vandaag, eigenlijk... Waarom werden en worden die afbeeldingen zo druk gekocht? Wat denkt een modern iemand bij die “tronies van dode, vaak eerder kwaadaardige dan heroïsche autocraten?”
De eerste hoofdstukken in dit boek zijn gewijd aan de eerste twaalf keizers, van Julius Caesar tot Dominitianus en de afbeeldingen die de Romeinen zelf van hun keizers maakten.
Daarna volgt een breed scala van latere kunstenaars, Van Mantegna, Titiaan, tot Alna Todema, allemaal zeer bekend binnen de Westerse traditie tot en met de naamloze vaklui zoals wevers, schrijnwerkers, drukkers, restaurateurs, schoonmakers.
En dan volgt die laatste groep die de keizers bestudeerd hebben en er nu nog in geïnteresseerd zijn en dat zijn wijzelf, de voorlopig laatste reeks.
Onderzoek waarbij ze hoopt “voor u een paar verrassingen in petto te hebben en wat onverwachte, bizarre weetjes uit de kunstgeschiedenis.” Wat natuurlijk datgene is wat de lezer van een Mary Beard verwacht die voorhoudt: “Ik heb meer intiem samengeleefd met deze oude heersers, 40 jaar lang , hun geschriften, vonnissen tot hun grapjes - of tenminste 10 jaar met tussenpauzes.”
Het is een indrukwekkende kanjer van een boek geworden dat nederig “twaalf keizers” heet, dat ongeveer 430 bladzijden eerder kleine druk telt, met een voorwoord, een inleiding, 40 pagina’s noten, 36 bladzijden bibliografie, 15 bladzijden afbeeldingsverantwoording, 8 bladzijden register, een dankwoord, een bijlage van 14 bladzijden met daarin de verzen (met vertaling) uit de reeks “keizers en keizerinnen” van De Saedeleer.
Wat overblijft is een tekstboek van 282 bladzijden onderverdeeld in 7 hoofdstukken, inclusief een  150-tal illustraties (of groepen van illustraties in kleur) van kunstwerken en ander illustratief materiaal van de klassieke Romeinse tijd tot nu. Het is een boek dat eigenlijk verdient uitgegeven en gelezen te worden in ruimer formaat, met illustraties die groter zijn en betere kleuren krijgen. Maar misschien zou dat de indruk geven dat dit geen studieboek is, maar eerder een kijkboek.
Het is zeker geen gemakkelijk leesboek. Meteen, van bij het begin, weet je dat een inspanning nodig zal zijn. Afhangend van je historische kennis en inzicht, kan dit zelfs een moeilijk, misschien verwarrend boek zijn.
Om te beginnen mag je het niet lezen zoals we dat gewoon zijn bij haar vorige boeken. Het lijkt wel alsof ze nu eens gebruik wou maken van alles wat ze weet over ieder van deze twaalf keizers, de tijd en omstandigheden waarin ze leefden, en – wat de opgave is die ze zich stelde - waarom ze deel zouden uitmaken van deze groep van twaalf die zo ongewoon populair werd en bleef - maar niet kan nalaten zich ondertussen toch nog op zijpaadjes te begeven en nog vergelijkingen te gaan maken met andere keizers of keizerinnen, andere omstandigheden en nog onderdeeltjes van die andere takjes. En om het nog verwarrender te maken, komen er beschrijvingen tussen van afbeeldingen, beelden, schilderijen, namaaksels van beelden, muntstukken, medailles, tapijten, gravures…
Het wordt gemakkelijker als je voor ogen houdt dat Mary detective aan het spelen is  en dat ze als “bewijs” soms kleine details nodig heeft, nuances.
Mary Beard is deze keer niet in de eerste plaats geschiedenis aan het schrijven, maar een raadsel aan het oplossen Vertrekkend van afbeeldingen van keizers, als leidraad deze legendarische twaalf en passerend langs oorlogen, intriges, romeinse politiek.
Van belang is bijvoorbeeld het kunstgehalte, de juiste voorstelling, op de echtheid of de vervalsing, of  gewoon een slechte kopie van het kunstwerk. Konden de machthebbers zich herkennen in het kunstwerk? Waren die realistisch of onderhevig aan zekere conventies? Moesten ze flatteren? Bevatten ze ergens symbolen? Brachten ze een boodschap over? De nadruk ligt op de vraag of men er in gelukt is het voorgestelde juist te interpreteren. Stelt die scène wel voor wat men altijd al dacht dat ze voorstelde? Tot welke misverstanden kon dit leiden? In hoeverre was dit gemanipuleerd en dus “fake”? Tot welke doeleinden gebruikten de keizers hun afbeeldingen? Waar hingen dan die tapijten en waar stonden hun standbeelden? Waarom gebruikten ze zo graag muntstukken met hun afbeeldingen erop? Wat deden latere machthebbers met de afbeeldingen van keizers uit het Oude Rome? De identiteit van de keizers werd later dikwijls verkeerd geïnterpreteerd. Waarom wilden latere machhebbers zo graag afgebeeld worden met een toga? Waarom was dat pakket van “de twaalf keizers” zo belangrijk of gegeerd dat er hele reeksen kopieën werden van gemaakt? Gewoon verzamelwoede?
Zo gaat het, bijvoorbeeld, met het tot in de meest minuscule details uitgewerkte detective onderzoek van de beeltenis(sen) van Julius Caesar himself. Mary Beard vertelt het grappige verhaal van hoe er in de loop van de decennia telkens weer een hoofd van Julius komt opduiken, met deze keer het “bewijs” dat dit nu “zeker” Julius Caesar voorstelt, “bewijs” dat telkens weer wordt weerlegd en vervangen door een telkens en telkens weer volgende kandidaat, om uiteindelijk te eindigen in de erkenning dat men het niet meer weet. Behalve dat er één ding zeker is: er is geen “allerheiligst” Julius Caesar standbeeld, borstbeeld of afbeelding whatsoever.
Dat in tegenstelling met Augustus van wie men wel met zekerheid weet welke standbeelden hem voorstellen en waarvan er tussen 25.000 en 50 .000 exemplaren verspreid waren over het Romeinse Rijk. Dit moet trouwens op een georganiseerde manier gebeurd zijn, met een prototype dat nauwkeurig nagebootst diende te worden. Dat er zo’n prototype bestond, is eenvoudig vast te stellen, al was het alleen al door de manier waarop de lokken onveranderlijk geplaatst werden op ieder van die beelden. En omdat er zo maar eventjes 200 portreten zijn waar de meeste archeologen het over eens zijn dat de koppen Augustus voorstellen. Minder duidelijk is wie ze maakte. Wie stond in voor het verzenden ervan? Naar analogie met beelden, kan je je veronderstellen dat er evenveel muurschilderingen van moeten hebben bestaan, en tapijten, ook daar wijdt schrijfster vele pagina’s aan. Zoals ze al deed over de voorstelling van de moord op Caesar en wat er kan uit afgeleid worden. En dan zijn er nog de massa afbeeldingen van Augustus op muntstukken. Vermits Augustus niet wou doorgaan als “koning” of “tiran”, liet hij alle zilveren beelden van hemzelf smelten on zich nederig te laten doorgaan als een gewone Romeinse burger, maar dan toch de eerste burger, die wel overal tegenwoordig was in “gewone” afbeeldingen en muntstukken om het centrale gezag te benadrukken en misschien om toch al een kleine opening voor te bereiden naar het “God worden”. Propaganda, zouden wij nu zeggen.
Deze manier van het benadrukken van macht en dan meer bepaald macht verenigd in de gedaante van één persoon, moet zo zeer volgende machthebbers hebben aangesproken dat ze het enthousiast gingen toepassen, aangevuld met andere propagandatechnieken, van het ogenblik dat die ontstonden, zoals gravures, drukkunst, schilderkunst op paneel of doek. Dit “onderzoek” zal tot in de kleinste vertakkingen uitgebreid worden tot meerdere Romeinse keizers, hun vrouwen, familie. Mary Beard zal dit spoor verder opvolgen van picturale voorstellingen in  het Romeinse Rijk tot en met “Messalina die ’s avonds uitgaat met een andere vrouw” in een tekening van Aubrey Beardsley, in de 21e eeuw. Of bijvoorbeeld met Anselm Kiefer. En het vreemde verschijnsel van de vreemde rustplaatsen van de sarcofaag die in de jaren zestig voor “The Arts and Industries building” van de Smithsonian Institution aan de Mall in Washington stond, ooit meegebracht vanuit Libananon, waarvan men niet weet voor wie ze bestemd was, maar waarin Andrew Jackson niet wilde begraven worden en die nu op de afdeling vervoermiddelen staat in het depot van de Smithsonian Institution in Maryland.
Mary Beard wil dus het fijne te weten komen van de eigenaardige populariteit van “de twaalf keizers” en zet al haar kennis en intuïtie in om daar als het ware voor zichzelf klaarheid in te scheppen. Ze tast de vele openingen af die misschien tot begrip zouden kunnen leiden en focust zich uiteindelijk op een reeks van twaalf keizerschilderijen die Titiaan ooit schilderde. Die waren zo buitengewoon populair dat hele reeksen ervan werden nageschilderd. De oorspronkelijke schilderijen bestaan niet meer. Toch verkiest ze boven bestaande gekopieerde schilderijen een gegraveerde versie, omdat ze weet dat gravures bijna altijd de meest betrouwbare kopieën van een schilderij blijken te zijn. Ze weet dat de oorspronkelijke werken in een vertrek hingen: Camerino dei Cesari op de eerste verdieping van het uitgestrekte paleis van de Gonzaga’s met fresco’s op het plafond, de keizers “enerverend, radicaal, levensgroot” afgebeeld in driekwart aangezicht en meteen een magneet voor bezoekers. “Meer echte keizers dan schilderijen”, zoals een tijdgenoot het wist te zeggen, in verschillende houdingen en met tekenen van respect, vijandigheid, vriendschap en afstand wat ongewoon was, gezien het een groep was die gewoonlijk nogal gezapig werd afgebeeld. Mary lukt erin het vertrek te reconstrueren met waar ieder van de keizerportretten zich bevonden, met het passende schilderij dat een scène voorstelde uit het leven van die keizer. Ze lukt er bijna altijd in uit te leggen wat die gebeurtenis precies is, ze stelt vast dat er eigenlijk maar elf schilderijen van keizers waren, kan de fresco’s op het plafond beschrijven en duidelijk maken waarom deze vertrekken de bewondering wegdroegen van gans Europa. Ze kan dat, omdat ze zich baseert op stukjes tekst, snippers van tekeningen, overgeleverde maten en getallen die ze allemaal ergens in haar geheugen heeft opgeslagen of weet zitten.
Net zoals nog een waaier van “nevengeschikte” onderwerpen die ze terloops vermeldt of behandelt:  frenologie; fysiognomie; het Parijse salon van 1856; Hans Memling en zijn schilderij “Man met de munt” (Wat is er vreemd aan deze munt?); De slag om Quebec tussen de Fransen en de Britten in 1759”; de gedachte de  gelijkenis die Van Dyck’s ruiterportret van Karel 1 oproept met het beeld van Marcus Aurelius; silverware; de televisieserie “I, Clausius”; Asterix; Agrippina de Oudere en de Jongere onder de loep: de eerste een onbuigzame martelares, de tweede de vrouw van Claudius en de moeder van Nero die eindigt als een gruwelijk in stukken gesneden lijk. 

Wat het lezen gemakkelijker maakt is Mary Beard’s zin voor humor, het zich vrolijk maken over het dwaze, belachelijke, kortzichtige, de haastige conclusies en de duidelijke onkunde. De illustraties worden besproken met een bijhorende tekst en ze bevinden zich ook altijd in de buurt van de chronologisch zich opvolgende onderwerpen.

Victor De Raeymaeker

Vertalers: Brenda Mudde, Maarten van der Werf
Mary Beard
Victor De Raeymaeker
Non-fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies