Eric Min
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 400 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

6 juli 2021 Gare du Nord
“De decors: de damp van de Gare du Nord, de steile trappen in Montmartre, de Bar Vert, de namaakleren banken van Le Mabillon op de Boulevard Saint-Germain(…). De rekwisieten: een exemplaar van Sartres La Naussée, okergele schoenen met spekzolen, halflege flessen Juliénas en cognac, zwarte truien, de flipperkast van Le Tournon. De geluidsband: Milles Davis, Chet Baker, My Funny Valentine (…) Het is allemaal waar en het is allemaal gelogen. Alsof het gedrukt staat” (p. 388)
_1.
Waarschuwing: net als Eric Min herken ook ik iets van mezelf in de mensen en de dingen waarover hij schrijft. Ook ik duik graag in dit soort twijfelachtige verledens. Ook ik voel ‘hun’ tijd door ‘mijn’ aderen stromen. Want in de door hem beschreven rookpluimen van het majestueuze en beeldbepalende station rondzwalpen, wekt nu eenmaal weemoed op en hartzeer om de herinneringen aan het Parijs van mijn jonge jaren. Het Parijs van de neo-mandarijnen en de would besituationisten en de gepowerflowerde revolutionaire avant-gardes…

Herinnering: ik leun log tegen de tapkast van het stationsbuffet. Wetend dat ik de laatste trein terug (naar het noorden) zeker niet mag missen. Ik drink mijn kleintje rood zoals steeds in één slok leeg. We hebben allemaal iets of iemand nodig die ons troost brengt, toch? Na een zoveelste Parijse avonturentrip. De barman neemt het glas en vraagt: nog eentje? Ik schud van nee want ik moet nu echt weg. Ik zet me neer op de bank en de trein zet zich in beweging. Ik blader wat in Drijfzand, een mijmering van Marsman, maar lees niet echt. Ik zit achter het opengeslagen boek en suf me blind op de wegsmeltende zwarte regels – want, “Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagage-depot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld kwam, het souterain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad.” (p. 323)

Paris sera toujours Paris: une lanterne magique.
_2.
In Gare du Nord, het station waar het gros van de noorderlingen arriveert, schetst Eric Min hoe de Ville Lumière zo’n honderd jaar lang, van pakweg 1850 tot 1950, als een rode lap werkte op een geëxalteerde kudde Lagelandse kunstenaars, schrijvers, muziekmakers en consoorten.

In vijftien chronologische en indrukwekkend meeslepende hoofdstukken (her)tekent hij de stad en het doen en laten van generaties inspiratie- en succeszoekers. Hun reiskoffers bulkten van steile ambitie, jeugdige overmoed, allesverslindende lust en een niet te stillen honger naar haute nouveauté.

Enfin. Ik zou mijn rechterhand met een toneelmes afhakken, mocht ik alsnog een uitnodiging kunnen bemachtigen voor een van de toenmalige beruchte bals des fous bij de Simenons in hun loepzuivere art deco – appartement op de Place des Vosges 21. Waar ik me zou vergapen aan Tigy’s schilderijen van saxafonisten en zwarte girls and boys terwijl Georges me vanachter zijn chromen bar américain een zeldzaam exquise coctail aanreikt – “ Als de kleren uit gaan en het feestje uitloopt op een soort van orgie, steekt de heer des huizes alle lampen aan. (…) Af en toe verplaatst de actie zich naar de Ostrogoth, de ruime kotter die Simenon zich heeft aangeschaft. Begin april 1929 meert het schip aan bij de Square du Vert-Galant, voor zijn inzegening door de vicaris van de Notre-dame en een party die drie dagen en nachten mag duren. Hoofdrollen zijn er voor Sim, Tigy, de hond Olaf, Boule (dienstmeisje, matroos en geheime maîtresse van de schrijver), hun mondaine kennissen, maar evengoed toevallige passanten. Bij gelegenheden als deze vermengt Simeon zijn pijptabak met hasj.” (p. 352)
_3.
Zouden ze nog bestaan, die krakende mansardes met maximaal twee kleine dakvensters? Gewoontegetrouw op de bovenste verdieping van een hoog huis (met een weids uitzicht over de daken van Montmartre, de banlieue en de hemel) waar zwermen kunstenaars zich niet zelden, zo goed als een heel leven hebben weggecijferd om er, net als Vincent Van Gogh, regelrechte meesterwerken te maken – “Als ik in Parijs een mansarde neem, mijn schilderkist en tekengerij meebreng – dan kan ik wat het werk betreft in eens af doen wat ’t meest presseert - die studies van antiek die mij zeker helpen zullen tegen dat ik bij Cormon zou gaan. Ik kan ’t zij in de Louvre ’t zij in de Ecole des Beaux Arts gaan teekenen. Wij konden dan overigens, voor wij er toe overgaan ons anders te installeren, zoo veel beter verzinnen en overleggen.” (p. 128)

Hoe zo’n gedroomd kunstenaarsarendsnest er eind jaren 1890 dan ongeveer uit zou moeten zien? Wel, – “ drie tamelijk groote kamers, een cabinet en een keukentje. De woonkamer was geriefelijk en gezellig met Theo’s mooie, oude kast, een gemakkelijke sofa en een grote vulkachel want de broers waren beiden even kouwelijk; daarnaast was Theo’s slaapkamer. Vincent sliep in het cabinet, en daarachter was het atelier, een gewone kamer met één, niet bizonder groot raam.” (p. 131)

Al lezend kijk ik in gedachten mee door een kier in een ijzeren poort en zie een lege binnenplaats met wat esdoorns, wat achter een bal aanrennende jongens en een kleine maisonnette. Eens binnen sta ik voor een kaduke houten trap die helemaal boven per definitie zal uitgeven op een in vol zonlicht badende werkplaats. Natuurlijk met houten vloer, gigantisch schuin dakraam en gietijzeren radiatoren. Waar het schildersmodel Manette Salomon ons vanavond weer zal voorlezen uit een bundel op roze papier gestencild decadent pamflet dat uit de koker rolde van het infernale triumviraat Théo Hannon, Joris-Karl Huysmans en Félicien Rops met als onderwerp – “parfums en speeksel, absint en kohl, borsten en dijen, korsetten en bas de soie – of zijn het bas de joie? – in alle kleuren van de regenboog.” (p. 109)
In mijn kop verandert de stoeizieke Manette al snel in de liefelijke Australische diva Vali Myers. Ze leest me voor in obligatoire jaren ’50 bluejeans (bleu de Gênes), én een existentieel zwarte, kasjmierwollen trui terwijl ze koffie slurpt met op haar schoot een zachtblauw lapjesdeken dat ze liefelijk omklemt – “knalrood haar, een bijna doorzichtige blanke huid en enorme groene ogen die ze met kohl accentueerde.” (p. 391) Onder het deken kunnen we straks samen lekker wegdromen op het ritme van een redelijk geschifte trompetspeler: Play it again, Charlie!

Loom flaneren in dit boek is alsof een loden mantel langzaam van je schouders glijdt. Mogelijk waren de Parijsvaarders, die Eric Min in het boek opnieuw tot leven brengt, veruit de beste waarnemers van hun tijd, maar evengoed de slechtste. Het waren ontegensprekelijk prikkelende tijden met ongeziene vergezichten. Maar, net als nogal wat chansonniers uit mijn grootvaders collectie, bezongen ook zij hem vaak net iets te overdreven romantisch.

Antoine Wiertz (p. 35), Adolphe Sax en Ary Scheffer (p. 53), Jongkind en de gebroeders Stevens (p. 69), Kees van Dongen en Jan Sluyters (p. 243), Spilliaert, Wouters en Mondriaan (p. 277), Elly, Hugo & compagnie (p. 363) trokken allemaal naar Parijs om “het leven te leven”. De stad was hun eigenste liederlijke decor die de couleur locale opleverde voor de vaudeville dat ze vol goesting om beurten in scène zetten. Ik liet me, doorheen het lezen, maar wat graag leiden door hun eerder toevallige ontmoetingen en indrukken.
_4.
Mogelijk is Eric Mins schrijverschap in een nieuw stadium beland. Een stadium van herwonnen hartstocht die kromt naar uitbundige vrolijkheid. Alom woekerende vrolijkheid die het haalt van krenterige zuurheid.

Ik vond het bijgevolg indrukwekkend om lezen met welke verbeten vrolijkheid Min me een verhaal schetst waarin de verzengende zon even krachtig straalt als de schaduw van de allengs aanrollende zwarte donderwolken. Omdat die samen één allesverterend beeld van aanhoudende spiegelingen opleveren. Ik hou van schrijvers die me, vanaf de eerste zinnen het verhaal binnentrekken. Die me laten voelen hoe de lichtheid van de laatbarok er moet uitgezien hebben voor al te zwaarmoedige liefhebbers van heel vroege, nog doemdonkere gotiek. En neen, ik hou niet van kale zinnen. Ik hou van Mins schrijfstijl omdat die mijn zintuigen verhaspelt, omdat die de taal van Molière durft vergelijken met de trompetklank van Charly Parker.

Ik hou van zijn doorspekte zinnen die me naast de diepste zielenroerselen van de hoofdpersonen ook het hoe en het waarom vertellen van het archetypische universum waar het verhaal zich afspeelt. Ik hou van zijn proza dat zich laaiend en furieus afwendt van de aloude en door en door vermolmde pointes van het noordelijke calvinisme: dorheid, lusteloosheid en ratio.

Min registreert de roerige jaren van een pleunum outsiders nu eenmaal graag als een groot feest. Zijn portretten getuigen volop van de treiterige veelvuldigheid van een losbandig levensmotto. Lol, plezier en leut, chachacha. De anamnese van een tijdsgewricht. De meeste gasten gaan zo op in de lokroep van deze stad, worden zo bekoord door haar imposante bouwwerken en dito levensstijl, dat ze niets merken van hun aanzwellend eigen verval. Want er is natuurlijk ook de schaduwzijde. Naast het glamoureuze Paris bestaat een Parijs waar schrijnende armoede wordt geleden, waar vrouwen zich nu eenmaal moeten prostitueren en karrenvrachten mindere goden dagelijks moeten knokken voor hun shlemielige bestaan. De ongezouten realiteit van bouwdozen vol van treurig gecementeerde schuld en boete, zeg maar.
_5.
Het laatste hoofdstuk Parijs speelt in de jaren 1950 en we lopen er duvelstoejagers tegen het lijf die zich ondertussen in mijn (en ontegensprekelijk ook in jullie) collectieve geheugen hebben genesteld als waren het tweelingnamen voor de stad. We maken er kennis met Ed van der Elsken, Lucebert, Rudy Kousbroek, Remco Campert en Hugo Claus (met zijn Elly) en natuurlijk ook met de spreekstalmeester van dienst Simon Vinkenoog – “Zie hem daar zitten, de jonge kunstenaar, enigszins onscherp en verbeten tikkend achter zijn schrijfmachine. Binnen handbereik op het kleine tafeltje: een volle asbak, een koffiepot, glazen en een fles met iets sterks. Wél scherp op de foto staan het tijdschrift en de rechterhand van de vrouw die het vasthoudt; vlak voor Vinkenoogs tafeltje ligt zijn muze op het bed te lezen. Ze heeft haar witte beha aangehouden.” (p. 371)

Niet zelden kwamen ze rechtsreeks aanvliegen vanuit hun vogelnestjes in de meest vergeten provincieplaatsjes aan de Noordzee. Om te landen op de met romantiek geplaveide tricolore landingsbanen van Hesperia, waar de boom met gouden appels groeit. De eerlijk ruisende elegische velden van Parijs en de banlieues rondom.
_6.
Mijns inziens zijn schrijvers doorgaans beter in eerste dan in laatste zinnen. Het gros van hun passie storten ze meestal in openingen en niet in sluitstukken. In vergelijking met die hartstocht komen laatste zinnen er eerder bekaaid af. Wat niet zo is in dit verhaal, want Eric Min eindigt met een bijzonder glansrijk fragment over de vrouw op het omslagbeeld voor het boek - “De man aan haar rechterkant legt haar sjaaltje goed; Antonio is de coiffeur van het gezelschap. De spontane verschijning op mijn lievelingsfoto blijkt een Zweeds model te zijn, de hele onderneming een fotoshoot voor een lifestyle-magazine. Zoals wij niet zijn wat wij zijn, zien wij niet wat we zien.” (p. 395)

In deze laatste vijfsterren-zinnen zit verlossing besloten, hoop en loutering. Dit soort zinnen doet je rusteloos verlangen naar nog zoveel meer herinneringen aan dingen die je zelf nooit meemaakte, aan mensen die je nooit in het echt ontmoette, alleen maar in boeken, maar waar je desalniettemin nu reeds een onblusbare heimwee naar hebt.

De wind steekt op. Het wordt fris. De hoogste tijd misschien om in een helse rotvaart de ondertussen verloren jaren nog één keer in te halen. Ik sluit mijn ogen en zie me al samen met de schrijver rondscheuren op een roestkleurige “Captain America”. Nog één keer ongebonden richting El Dorado. Peter Fonda en Dennis Hopper achterna. Looking for adventure - Firing all our guns at once.

Ach wat zou het; alles kan beter. Eric trekt zijn zwart lederen jack aan. Hij kijkt me aan en gaat soepel achter het stuur van zijn Egyptisch blauwe Mercedes Benz 450 SEL zitten terwijl het buiten ijzig stil blijft. Dan stap ook ik in. Hij start de motor, doet het rijtuig van de handrem en rijdt weg. ― “Lekker Monsieur Lelouch in zijn onnavolgbare C'était un rendez-vous nadoen en door de ochtendlijke straten gassen,” zegt hij. (1)
Eindelijk. Achter de wolken schijnt opnieuw de zon. Als de bliksem razen we als koortsige sterrenkinderen over de brug naar een hernieuwde date met de geschiedenis (aan de overkant van het water), terwijl we schaterlachend via het Spotify audiosysteem naar een kraakvrije versie van Josephine Bakers smachtende hit J’ai deux amours luisteren.

Zodra ik terug thuis ben van die paar nachten Parijs gris ik naar een van de boeken die ik haastig op de keukentafel heb achtergelaten. Ik blader door naar achteraan en vind wat ik zoek. Ik herlees de passage en ben al gauw doortrokken van de betekenisvolle ironie die doorheen de zinnen vlamt

– “Ik heb aan alles, van ver, en doodsbang, geroken. Alleen prut onthouden, opgestapeld. Ik ben ondertussen, in Parijs al, iets vergeten, verloren dat de plaats had moeten innemen van wat ik geworden ben. Futiliteiten, mijn baan, mijn laksheid, mijn leugens hebben mij met babyvingers ongemerkt in de vernieling gedrongen en het ergste is dat het mij niets kan schelen.”
(Hugo Claus, Een zachte vernieling, 1988:188)

Want groots en meeslepend willen wij leven. Marsman, Masereel en Maigret uit de Roaring Twenties achterna. En nog dezelfde avond lopen wij samen de steile trap op die uit de metrohalte Saint-Michel naar het gelijknamige plein bij de Seine leidt. Als je ergens groots en meeslepend kunt leven, dan is het wel hier. Of beter: “grootsch en meesleepend, want in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw mogen de woorden wat langer duren dan vandaag’.(p. 321)
_7.
Parijs en zijn satellieten gaan vandaag de dag ten onder aan niets of niemand ontziende braafheid. Toch? Heeft dringend nood aan een nieuwbakken, al dan niet neergeschreven, geschilderd of gezongen spektakel met veel bombast, emotionele kracht en artistieke verfijning. Iets raars en spottend, maar bovenal iets snaaks, iets om zich een uurtje of zo te kunnen vermaken. Iets in de aard van Rops – Vandaag de dag kan je niet normaal genoeg zijn. “Eruitzien als Baudelaire” is echt wel iets van eergisteren: die mode hangt tegenwoordig in dezelfde kleerkast als de zwaluwstaart van Gavarni en de hoge hoed van Henri Monnier.” (p. 217)

Dit soort beklijvende observaties katapulteren me mijlenver terug in de tijd. En verplichten me vanaf nu, onaangekondigd een hele zwik werkwoorden in een of andere verleden tijd zetten. Eén van de moeilijkere dingen van het Franse werkwoord in vergelijking met het Nederlands is keuze maken tussen de gewone verleden tijd (imparfait) of het voltooid deelwoord met hulpwerkwoord (le passé composé). De voltooid tegenwoordige tijd: ik las dit boek met heel veel plezier, of toch maar: ik heb het boek met heel veel pret gelezen? 

Ach, er zijn boekbesprekingen die minder inspirerend eindigen, maar ik vind Gare du Nord nu eenmaal een schat van een boek waar ik niet in uitgelezen raak(te). Waarvoor onnoemelijk veel dank Monsieur Min.
Noten

1. C'était un rendez-vous is een kortfilm van Clade Lelouch uit 1976 van een langdurige dollemansrit door de zo goed als lege straten van Parijs op een zondagochtend in augustus.
Eric Min
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies