Dick Walda
Marc De Bock
Non-fictie
  • 228 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

3 november 2020 Trompettist in Auschwitz
Samson (Lex) van Weren (1920-1996) was een Nederlands trompettist, dirigent en arrangeur. In de jaren vijftig en zestig maakte hij furore als dirigent van het orkest van het City Theater in Amsterdam.
Het was een van de laatste bioscooporkesten die de omlijsting van filmvoorstellingen en de begeleiding van variéténummers in het voorprogramma verzorgden. Verder speelde van Weren jarenlang trompet voor radio en televisie. Grote populariteit verwierf hij met zijn belangeloze optredens voor charitatieve doeleinden. Lex van Weren kwam uit Den Haag, maar groeide op in Amsterdam. In 1934, op veertienjarige leeftijd, na het bijwonen van een opvoering van de beroemde Amerikaanse bigband van Cab Calloway, wist hij het meteen: hij wou musicus worden en het liefst trompettist. Zonder behoorlijke muzikale ondergrond - hij was autodidact - verwierf hij heel wat ervaring bij meerdere bekende orkesten.
Hij verloofde zich met Tilly Tijsse Heynis, waarmee hij na de oorlog zou trouwen. In 1941 werd hij trompettist bij het Joodsche Symphonie-Orkest, samengesteld uit door de bezetter ontslagen Joodse musici van de grote symfonieorkesten. In dit orkest, gefinancierd door een Joodse industrieel, vertoefde van Weren tussen de beste musici uit het vak. Het speelde acht maanden in de Hollandsche Schouwburg, later door de Duitsers gebruikt als lugubere verzamel- en deportatieplaats voor Amsterdamse Joden. Walter Süskind, een Joodse Duitser van deels Nederlandse afkomst, lukte het als dagelijks beheerder van de schouwburg om ongeveer 600 Joodse kinderen via de nabijgelegen crèche naar onderduikadressen weg te leiden.
Bijna even bekend als musicus is Lex van Weren thans vanwege zijn rol als trompettist in de kampen van Auschwitz. Na jarenlang zwijgen haalde de Amsterdamse schrijver Dick Walda hem eind jaren zeventig over om zijn ongelooflijk verhaal als gevangene nummer 163848 te vertellen en te publiceren onder de titel Trompettist in Auschwitz, zij het bij een andere uitgeverij (dan hier besproken). Ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de bevrijding van Auschwitz, kon Dick Walda de uitgeverij Balans in Amsterdam overtuigen om in 2020 een herziene en uitgebreide editie van het gelijknamige boek uit te brengen. 29 september 1943 was een keerpunt in het leven van van Weren. Als lid van de Amsterdamse Joodse Raad dacht hij er wel onderuit te komen, maar werd toch opgepakt - net zoals zijn ouders een maand daarvoor.
Overal waar hij zou komen, was hij de enige die een trompet kon bespelen. Dankzij deze vaardigheid zou hem veel, maar lang niet alles bespaard blijven. Hij was immers een geval apart, geen nummer meer. Een “Musiker”, een “prominent” gevangene. Want de nazi’s hielden van vrolijke avonden met veel muziek na weer een moordlustig weekje.
Eerst speelde van Weren in het orkest van Westerbork waar de toenmalige commandant Albert Konrad Gemmeker een groot liefhebber van revuevoorstellingen bleek te zijn. Tot het doorgangskamp plots leeg moest vanwege een uitbraak van kinderverlamming. Hij zag zijn moedeloze en gelaten ouders op transport gaan. Op 16 november 1943 moest hij zelf in de wagon, richting Auschwitz-Birkenau. Hij was toen pas drieëntwintig jaar, jong en gezond. Over zijn aankomst in Auschwitz zegt hij: “Dat letterlijk alle Joden uitgeroeid moesten worden, kwam niet in mij op. Ik zag die crematoria roken en tóch wilde ik het niet geloven. Het ging mijn bevattingsvermogen te boven.”

Hier begon het proces van verdierlijking. Hij werd uitgekozen voor werk in de kolenmijn Janina, 20 kilometer van Auschwitz. Natuurlijk deed hij het daar niet goed, want hij was niet sterk genoeg en werd dus dikwijls in elkaar geramd. Maar de kampcommandant kwam te weten dat hij muzikant was. Van dan af veranderde er wat. Hij kreeg een voorwereldlijk soort kornet en speelde met Kerstmis “Stille Nacht, Heilige Nacht”, terwijl de doden van die dag bij de kerstboom werden gelegd. Hij maakte grote indruk en mocht vanuit Janina terug naar Auschwitz. Dat was een bijzondere gunst en tegelijk zijn redding.
Niettemin vermeed hij nipt een fatale selectie dankzij een naamsverwisseling. Hij belandde in de ziekenbarak en ontsnapte opnieuw, als bij wonder, aan de gaskamer. Daarna werd hij tewerkgesteld in diverse werk-Kommandos die meestal enkel maar bestonden om de gevangenen te pesten:
“We moesten loopgraven hakken, zomaar midden op een stuk land. En die moesten we ’s middags weer dichtgooien, dan in, dag uit”. Ook waren er zondagmiddagspektakels waarbij de “deelnemers” door de geamuseerd toekijkende SS’ers werden getreiterd met allerlei vernederende spelletjes en kunstjes.
Van Weren kwam in de gunst van muziekfanaat Franz Hössler, Lagerführer van Birkenau, die hem tot eerste trompettist van het kamporkest promoveerde. Overal moest in die akelige tijd muziek worden gemaakt. Voor de buitenkampen werden kleinere ensembles gevormd. Altijd met één trompettist. Dat was Lex van Weren. Maar de gruwelen hielden niet op. Van Weren getuigt over de wreedheden van kampartsen en de macabere grappen van de SS. De Russen naderden echter, en samen met bijna honderdduizend gevangenen werd hij op 18 januari 1945 geëvacueerd. De tocht voerde hem naar Dachau. Hij kreeg er tyfus maar overleefde toch. Op 25 april 1945 werd hij op de trein gezet, richting Oostenrijk. In het stadje Mittenwald nam hij met een groepje van zes man de benen. De bossen in. Bijna liep het faliekant af. Plotseling botsten ze op enkele soldaten. Amerikanen!
Het was 1 mei 1945. Via Nancy, Parijs en Brussel belandde van Weren in een fauteuil van zijn Amsterdamse woning. Vol ongeloof en verwondering. Ook Tilly kwam thuis…
Het verleden is van Weren steeds blijven achtervolgen. Samen met zijn vrouw ging hij meermaals op bezoek in Auschwitz of trok hij af en toe zomaar naar Duitsland. Steeds probeerde hij te achterhalen of de Duitsers een ander soort mensen zijn en hoe het mogelijk was geweest dat gewone mensen zoiets hebben aangericht. Het gebeurde nog vaak dat hij de slaap niet kon vatten, dat het leven in de kampen als een film aan hem voorbijtrok. Hij was een tijdje enorm agressief - wat hij had meegemaakt was te enerverend en krankzinnig geweest.

Hij poogde ook het systeem van de Duitsers te doorgronden: “De macht van de SS lag in het delegeren. Gevangenen macht geven over andere gevangenen, dát was de sleutel van de tucht in het kamp. Verdeel en heers.” 
Ook wilde hij de kracht van het fascisme kunnen verklaren: “Ik denk dat door groepsverbinding aan de ene kant en de mogelijkheid tot ontplooiing van machtsstreven aan de andere kant het fascisme op zovelen zo’n aantrekkingskracht had.” Maar het helemaal begrijpen, dat heeft hij nooit gekund.
Later ontdekte van Weren dat Gemmeker een tabakswinkel uitbaatte in Düsseldorf. Hij reisde hem tegemoet om bij hem een doos van zijn favoriete Hofnar-sigaren te kopen. Hij liet de Obersturmführer de sigaren inpakken met feestpapier, en zag hoe hij beefde en knoeide met het plakband…

Deze tweede druk is een ooggetuigenverslag dat de lezer onafgebroken zal boeien. Geschreven in een sobere, maar heldere stijl. Fascinerend en aangrijpend, en bovendien verteld met een bewonderenswaardige nuchterheid. Ook is het boek geïllustreerd met fotomateriaal en werd het aangevuld met een beklemmend interview dat Dick Walda op voorstel van Lex van Weren kon versieren met kampcommandant Gemmeker. Een relaas over de uitvaart van de in 1996 overleden protagonist en een liefdevol voorwoord maken het werk compleet.

Maar dit is bovenal een verhaal met als grote boodschap: vrijheid is het kostbaarste goed dat wij bezitten. Een boodschap die nog steeds niets aan urgentie heeft ingeboet…
Dick Walda
Marc De Bock
Non-fictie
-
_Marc De Bock -
Meer van Marc De Bock

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies