• |
Jacques R. Pauwels
Paul Van Aelst
Non-fictie

Waardering boekreview

10 september 2019 De Groote Klassenoorlog 1914-1918
Jacques Pauwels (° 1946) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en doctoreerde aan de University of Toronto, waar hij later zelf les gaf. Hij schreef meerdere geschiedenisboeken, zoals ‘De mythe van de goede oorlog. Amerika en WO II’, ‘Het Parijs van de sansculotten’ en ‘Big business met nazi-Duitsland’.
Met ‘De Groote Klassenoorlog 1914 – 1918’ schreef Pauwels er een magnum opus bij. Het is een zeer omvattend werk van 582 pagina’s, gevolgd door 60 pagina’s voetnoten en bibliografie. Gelukkig is Pauwels een vlotte schrijver, zodat het werk je nooit loslaat.
De auteur beschrijft dit deel van de wereldgeschiedenis in drie hoofdstukken. In het eerste deel beschrijft hij de lange 19de eeuw van 1789 tot 1914. Hij heeft het hierin over de fundamenten, de sociale orde en het gedachtegoed - om de wortels van de ‘Groote Oorlog’ bloot te leggen. Uiteindelijk zal hij hier de moeder van WO I vinden. Naast de militaire ontwikkeling, ziet hij vooral de ontwikkeling in het sociale en economische leven als oorzaken van een onafwendbare oorlog. De hoop op verandering is groot, maar de tegengestelde belangen tussen enerzijds het werkvolk en de landbouwers en anderzijds de adel, kerk en lagere bourgeoisie, verhinderen dat de democratie zich kan ontplooien. De contrarevolutie van 1815 en een kapitalistische economie (Adam Smith) beheersen deze periode. De Verlichting met het rationele denken en de drang naar kennis maakt plaats voor romantiek waarin gevoel, intuïtie en geloof de belangrijkste rol spelen. De burgerij wordt rijker en zal zich tegen het werkvolk keren. De laatste proletarische revolutie – de Parijse Commune – wordt hardhandig door het leger neergeslagen. De adel behoudt de politieke en militaire macht, terwijl de burgerij haar rijkdom uit de groeiende economie haalt. Er ontstaat een hevige concurrentie tussen de industriële grootmachten; staatsbelang zal leiden tot oorlog. De ‘fraternité’ moet eraan geloven en ‘egalité’ was er eigenlijk nooit. In de plaats daarvan komt er een sterk imperialisme en militarisme (met verplichte legerdienst) dat leidt tot nationalisme. Concurrentie tussen deze industriële grootmachten zal uiteindelijk mee een beslissende factor zijn bij het begin van de oorlog.
Pauwels merkt op dat er een zeker parallellisme bestaat tussen de verovering van het westen in de Verenigde Staten en de drang naar het oosten in Duitsland. Wanneer het proletariaat met het opkomend socialisme, dat een kind van de Verlichting is, een groter klassenbewustzijn krijgt, vreest vooral de adel dat het voor hen afgelopen is. Ze rekenen op de kerk en zullen tevens hun invloed op de bureaucratisering vergroten, zodat ze hun greep op het land behouden.
Volgens Pauwels is het vooral de angst voor de ‘proletariërs aller landen’ en voor een internationale revolutie die tot oorlog zal leiden. De heersende adel en hoge bourgeoisie hopen door een externe vijand de binnenlandse problemen onder controle te krijgen. De Groote Oorlog als resultaat van een ondemocratische, antisocialistische en contrarevolutionaire politiek.
Oorlog wordt door de elite opgehemeld als een ‘eerlijke sport’ en door de kerk als iets goddelijks. De adel hoopt dat door een oorlog de volksmassa zal worden uitgedund.

Vanaf 1892 worden de meest verrassende bondgenootschappen gesloten tussen: Rusland en Frankrijk, Engeland en Frankrijk, Engeland en Rusland, Italië, Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. Tegelijkertijd zijn de betrekkingen tussen Engeland en Duitsland door familiebanden zeer nauw.

Naast dit alles zal Pauwels in dit boek de hele wereldsituatie nauwgezet ontleden en alle componenten van de situatie vόόr 1914 bekijken en de gevolgen ervan ontleden.
In deel 2 komt dan de eigenlijke oorlog, vanaf 1914, aan bod. De aanleiding – de moord op de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger – ziet Pauwels als het perfecte voorwendsel voor zowat àlle strijdvaardige landen om met de oorlog te starten. Pauwels onderzoekt hier minutieus de oorlogsevolutie.

Wanneer Duitsland op 4 augustus 1914 België binnenvalt, treedt Engeland onmiddellijk mee in de oorlog - uiteindelijk waren beide landen in de eerste plaats geïnteresseerd in de haven van Antwerpen. De auteur gaat dieper in op twee aspecten van deze oorlog: de Groote Oorlog als een “verticale oorlog” (een strijd tussen landen), maar ook als een “horizontale oorlog” (een klassenstrijd binnen elk land). De angst voor een revolutie van het proletariaat overheerste overal en adel en bourgeoisie hoopten dat er in de oorlog heel wat werkvolk zou sneuvelen en dat zij de winst konden opstrijken, onder de vorm van gebiedsuitbreiding en afzetmarkten. Niemand hield rekening met een nederlaag, en, zeker in de eerste maanden, trok men enthousiast naar het slagveld. Ook de socialistische leiders verlaten het internationalisme in de hoop voordeel op te doen met de democratische beloften, zoals uitgebreider kiesrecht. Er ontstaat als het ware een wedloop tussen oorlog of revolutie.
De buitenlandse oorlog kan sociale vrede in het binnenland garanderen. Je kan spreken van een ‘rassenoorlog’ tussen Germanen en Slaven en tussen Latijnse volken tegen barbaren. In de herfst 1914 volgt al de desillusie: het democratiseringsproces valt stil, de proletariërs zijn weggeborgen in het leger en het einde is niet in zicht. Enkel adel en bourgeoisie kennen het voordeel dat het spook van een revolutie verdwenen is. Al vlug is duidelijk dat oorlog geen romantisch avontuur is van ridders, maar een ongelijke strijd van infanterie tegen machinegeweren en artillerie. Oorlog als exponent van technologie en industrialisering met enorme verliezen aan manschappen.
De generaals – ver van het front – blijven op een verspilzuchtige manier hun manschappen inzetten. Oorlogsmoeheid en oorlogspropaganda overtroeven elkaar.
Door de sociale breuklijn tussen officieren en soldaten vertrouwen deze laatsten de bevelen niet meer, met als gevolg desertie en overgave. Soldaten zien de vijandelijke soldaten meer als lotgenoten dan als tegenstanders. De grote oorlogsplannen – zowel langs Franse zijde als bij de Duitsers – mislukken, met enorme verliezen tot gevolg.
Ook in de Balkan graven de legers zich in. Van een bewegingsoorlog stapt men over naar een stellingenoorlog met ongeziene slachtingen. Soldaten krijgen het gevoel dat ze nooit meer levend uit de loopgraven zullen komen, terwijl de rijken superwinsten boeken met het leveren van oorlogsmateriaal. Ook de burgers worden oorlogsmoe door voedseltekorten en algemene schaarste. Hiertegen verhardt de houding van de elite nog met dictatoriaal gezag. De kerk doet hieraan mee met het Heilig Hart dat Frankrijk de zege zal schenken, en talrijke verschijningen van Maria en Fatima. Het laatste zal in Portugal de dictator Salazar opleveren.
1917 wordt een ‘annus horribilis’ waarin de overwinning voor iedereen verder dan ooit is en in Rusland de revolutie uitbreekt. Ondanks het feit dat de bevolking niet enthousiast is, verklaren de Verenigde Staten de oorlog aan Duitsland (hoewel ze lang twijfelden welke zijde ze zouden kiezen). De VS werd echter ongerust dat ze bij het einde van de oorlog niet mee de buit zouden kunnen verdelen. Bovendien hadden Engeland en Frankrijk veel geld geleend bij de Amerikaanse bank Morgan, die vreesde dat geld te verliezen bij een overwinning van Duitsland.

In Rusland slaagt uiteindelijk de revolutie, met grote sociale aanpassingen tot gevolg. Ook het westen profiteert hiervan doordat de leiders noodgedwongen sociale hervormingen doorvoeren – hoofdzakelijk uit schrik dat de revolutionaire vlam naar hier zou overslaan.
In deel 3 beschrijft Pauwels ‘de lange schaduw van de Groote Oorlog’. Nu de oorlog tussen landen gestopt is, blijft de sociale onrust wel duren. De adel heeft haar onmacht bewezen en behoort tot het verleden. De kerk verliest invloed en prestige. Het is de bourgeoisie die als winnaar overblijft door ongeziene winsten in de oorlog. Haar economische en politieke macht groeit bijgevolg zienderogen.

De Groote Oorlog zette de Amerikanisering van Europa in gang. Enkel Rusland zorgt voor een alternatief en zal als voorbeeld dienen voor de onafhankelijkheidsstrijd van de westerse kolonies. De westerse elite ergert zich dan ook aan het Russische socialisme als bron van inspiratie en hoop. De westerse toegevingen van democratie en welvaart voor de proletariërs zijn dus eigenlijk te danken aan Lenin en Stalin.
Pauwels ontrafelt op deze manier het politieke en sociale klimaat dat aanleiding zal geven tot WO II. Zelfs tot op vandaag ziet hij gevolgen van de Groote Oorlog. Na de val van de Sovjet-Unie wordt in het westen de welvaartsstaat teruggeschroefd. Omdat de Koude Oorlog tegen het communisme eindigt, zoekt en vindt men een nieuwe vijand: het terrorisme, dat wereldwijd is en nooit zal eindigen. Paul Van Aelst
In ‘De Groote Klassenoorlog’ brengt Pauwels niet enkel het relaas van de vier oorlogsjaren, maar bekijkt hij vooral de aanloop tot die oorlog en de gevolgen die tot nu nog doorwerken. Hij kijkt daarbij verder dan het ‘buitenste wiel’ van de geschiedenis, namelijk het militaire verloop. Hij legt eerder nadruk op de culturele en sociaal-economische impact en laat de sociale en politieke conflicten zien binnen het grote internationale conflict. De klemtoon komt te liggen op de tegenstelling tussen zij die de oorlog wensten, en de ondergeschikten die in de loopgraven het vuile werk dienden op te knappen. Pauwels isoleert nergens feiten, maar zoekt naar hun plaats in het grote geheel. Dit weet hij volledig, maar zeker niet langdradig te brengen. Dit boek biedt daarom een uiterst boeiend perspectief op de Groote Oorlog. Ook het andere gevolg – de Russische revolutie – weet de auteur boeiend te situeren en verklaren, met inbegrip van de nasleep ervan ná die Groote Oorlog.
De grootste verdienste van dit boek is dat het je doet nadenken en dwingt kritisch te zijn, ook over alle details die bij het oorlogsverhaal horen. Pauwels bekijkt deze oorlog niet op een afstandelijke manier, maar concentreert zich op de sociale verhoudingen, op de interne spanningen en revoltes die zich in elk van de deelnemende landen voltrokken. Los van alle gegevens over de Groote Oorlog valt het boek ook nog op door het grote aantal verzen, gedichten en liedjes die er in zijn opgenomen. Ze maken de feiten zeker niet mooier maar verhogen wel het leesplezier.
Na de drie grote delen over de Groote Klassenoorlog volgt er in dit boek nog een ‘Annex’: ‘De Flamenpolitik, instrument van het Duitse imperialisme’, geschreven door Bruno Yammine. In dit deel – 20 pagina’s lang – wordt de Duitse Flamenpolitik en het Vlaamse activisme behandeld. Hij schrijft hoe het activisme is ontstaan uit patriottisch enthousiasme in België, om vanaf 1860 in Vlaanderen een anti-Belgische stroming te worden. In de jaren vόόr de oorlog bestaan er verschillende plannen van hoe Duitsland België en Nederland zullen aanpakken. Uiteindelijk richtte Duisland zich vooral op België om te kunnen doorsteken naar Frankrijk, en om de haven van Antwerpen in handen te krijgen. Dat Albert I met een Beierse prinses gehuwd is, zette de Duitsers ertoe aan om Vlaanderen als satellietstaat te annexeren. Ook de Kempen worden enorm belangrijk, gezien er steenkool wordt gevonden. Als tegemoetkoming zullen de Duitsers in december 1915 de universiteit van Gent vernederlandsen.

De anti-Belgische stroming (het Vlaams-nationalisme) in de Vlaamse Beweging is het belangrijkste en meest duurzame effect van de Flamenpolitik. Deze politiek leidde in 1970 tot het federaliseringsproces, en ze is nu nog steeds meer anti-Belgisch gezind dan Vlaamsgezind.

Dit is een duidelijk voorbeeld van het belang van geschiedenis om uit het verleden het heden te begrijpen.
Jacques R. Pauwels
Paul Van Aelst
Non-fictie
-
_Paul Van Aelst -
Meer van Paul Van Aelst

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies