• |
Alain Badiou
Sophia De Wolf
Non-fictie

Waardering boekreview

3 mei 2019 Het ware leven, of Waarom de jeugd gecorrumpeerd moet worden.
Voor Plato was de belangrijkste filosofische vraag: ‘Wat heeft een filosoof de jeugd te vertellen?’. De 81-jarige Franse denker Alain Badiou doet zijn persoonlijke duit in dit wijsgerige zakje en windt er daarbij geen doekjes om: hij pleit in dit boek voor een alliantie tussen de ‘volwassenheid voor zich uitschuivende, dolende’ jeugd en de ‘tot deportatie naar gemedicaliseerde sterfhuizen bedreigde’ ouderen.
In het eerste hoofdstuk van zijn boek wil hij – als antwoord op Plato’s vraag én met Socrates als voorbeeld - de jongeren corrumperen zodat ze inzien dat ze zich best zo ver als mogelijk weg houden van het valse leven dat door de dominante leeftijdsklasse van gemiddeld 35 à 65-jarigen wordt geleid en geïdealiseerd. De toon is meteen gezet, hij schuwt daarbij de uitersten en de veralgemening niet.
Badiou schetst hoe er een nieuwe wereld ontstond door afschaffing van tradities en hiërarchieën: de jeugd kent geen initiatieriten meer en de ouderen worden niet meer naar waarde geschat. Hij stelt dat dit geleid heeft tot een crisis van het subject met als opvallendste aspect het enorme en groeiende probleem van de jeugd om in die nieuwe, ingewikkelder geworden wereld haar plaats te vinden. Dat is de echte crisis. Niét het moderne financiële kapitalisme is in crisis, integendeel, het kapitalisme is in volle mondiale expansie, dixit Badiou.
En dat heeft zo zijn gevolgen.
In het tweede hoofdstuk schetst de auteur die gevolgen en wat deze betekenen voor de hedendaagse ontwikkeling van jongens, om dan vervolgens hetzelfde te doen in het derde en laatste hoofdstuk voor de meisjes. Waarom hij daar een onderscheid in maakt, wordt snel duidelijk. De jongens missen hun ‘rite de passage’ omdat ze geen legerdienst meer moeten doen. Om te verduidelijken waarom hij dat een probleem vindt, haalt hij er Jacques Lacan en de psychoanalyse bij.
Het is de vraag of de jongens geboeid zullen blijven tot aan het einde van zijn soms ingewikkeld en vaag discours. Ze kunnen misschien maar beter onmiddellijk overgaan naar het hoofdstuk over de meisjes. Zo saai het soms bedenkelijke deel over de jongens is, zo opmerkelijk en nieuw, maar toch herkenbaar, is het deel over de meisjes. En dat is niet omdat ik er zélf een ben - of correcter: een oudere versie ervan.
Voor vrouwen van mijn generatie en ouder, voor mannen en jongens zou dit hoofdstuk wel eens confronterend respectievelijk weinig opbeurend kunnen zijn. Het is in ieder geval overduidelijk dat meisjes van nu in onze cultuur - na eeuwenlang onder ‘de verdrukking van de voor de goegemeente noodzakelijke initiatie door en via een man’ te hebben geleefd - op heel korte tijd een inhaalbeweging hebben gemaakt die niet meer terug te draaien is. Of dat positief of negatief is, hangt af van hoe je het bekijkt, en welk aspect je ervan in ogenschouw neemt. Het kan in ieder geval zeker alleen maar toegejuicht worden op het gebied van vrouwenrechten. De auteur echter ziet het doembeeld opduiken van slechts consumerende, zich verder koest houdende dames. Hij vreest verder voor een groot en dominant bourgeois feminisme, een feminisme dat helemaal niet voor ‘een waar leven’ staat, maar dat de wereld wil overleveren aan de macht van de vrouwelijke rechters, ministers, CEO’s, enz. Voor de vrouwen die dat allemaal niét zijn – de meerderheid - wordt dat zelfs de norm om naar te streven.
Tijdens het lezen dringt de vraag dringt zicht meermaals op of Badiou niet te fel generaliseert: de zonen blijven allemaal steken in de adolescentie, de dochters bereiken (te) vroeg de maturiteit. Badiou bekritiseert doorheen het hele boek het ‘kapitalistische monster’ waaraan onze hedendaagse maatschappij overgeleverd is. Hij spreekt de jongeren rechtstreeks aan: ‘Jullie zijn de tijdgenoten van een maatschappelijke crisis die de laatste resten van de traditie dooreenschudt en vernietigt? Wat de positieve aspecten van die negatie of vernietiging zijn, weten we niet zo goed. Wat we wel weten is dat ze onmiskenbaar een vorm van vrijheid schept. Maar die vrijheid bestaat vooral uit de afwezigheid van bepaalde verboden. Het is een negatieve vrijheid, de vrijheid van de consument’.
De oplossing ligt, volgens Badiou, dus niet in het kapitalisme en het volgen wat de markt beslist. Evenmin ligt ze in de terugkeer naar traditie, hiërarchie en religie. Hij pleit voor egalitarisme: collectivisering van de rijkdommen, effectieve afschaffing van ongelijkheid, erkenning van verschillen en tenslotte afschaffing van de afzonderlijk etatistische overheden. Sophia De Wolf
De jongeren zullen wellicht een beetje op hun honger blijven zitten, misschien ook zelfs een beetje bij de pakken blijven zitten, zeker de jongens. Maar misschien vindt Badiou dat ‘corrumperen’ volstaat. En dat ze dus zélf maar verder moeten uitzoeken hoe ze dat ware leven zien en hoe ze dat door hem gewenste egalitarisme in praktijk brengen. Hoe ze de gebaande wegen kunnen vermijden en niet volgzaam gehoorzamen aan wat maatschappelijk gangbaar is. De achterflap laat uitschijnen dat Badiou iedereen moed inblaast. Je krijgt eerder het gevoel dat hij de jeugd opzadelt met een immense verantwoordelijkheid. Alsof ze zomaar even het tij kunnen keren. Dat is wel een héél grote ballast leggen op hun jonge schouders. Bovendien gebruikt hij soms een ondoorgrondelijke taal, waardoor de vrees naar boven komt dat zijn pleidooi enkel de meest intelligente jeugd zal bereiken. En dan nog. Duistere zinnen zoals: ‘We kunnen zeggen dat een vrouw het Een verijdelt, hetgeen geen plaats maar een handeling is’, en andere mysterieuze uitweidingen laat vermoeden dat de meerderheid zal afhaken - er zijn immers altijd wel leukere bezigheden dan ondoorgrondelijke passages ontcijferen en je laten om de oren slaan met doemberichten.
Wat niet wegneemt dat Badiou duidelijk merkbaar het beste met hen voorheeft en zijn verantwoordelijk neemt. Hij wil, als filosoof en vader, de vinger op de wonde leggen. Die bekommernis heeft hij gemeen met Socrates, zijn notoire voorganger, die eveneens begaan was met de jeugd en daarvoor - zoals bekend - veroordeeld werd tot het drinken van de gifbeker. De bezorgdheid én tevens het besluit van de auteur is dat er nog heel wat vragen onbeantwoord blijven. Misschien moet hij daarbij de overbekende zin uit ‘Subterranean Homesick Blues’ van Bob Dylan (waar hij zelf naar refereert) ter harte nemen en erop vertrouwen dat jongeren voor zichzelf weten wat precies voor hen het ware leven inhoudt: ‘You don’t need a weatherman to know which way the wind blows’.
Alain Badiou
Sophia De Wolf
Non-fictie
recensent en boekenwurm
_Sophia De Wolf Bestuurslid HV/GG Zottegem
Meer van Sophia De Wolf

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies