• |
Margaret MacMillan
Guido-Jules Kindt
Non-fictie

Waardering boekreview

10 april 2019 Vredestichters. De verdragen van Versailles en Parijs 1919.
Na de ‘Grote Oorlog 1914-1918’ kon het niet anders of er moesten verdragen worden gesloten tussen vriend en vijand. Er zou rust worden gecreëerd in de Westerse wereld, zodat het in de komende decennia niet opnieuw zou ontaarden in machtshonger en verovering van betwiste geografische of etnografische gebieden.
Nu beseffen we dat al die verdragen en dure eden boter aan de galg waren en dat er een nieuwe wereldoorlog in de maak was, die twintig jaar later ontbrandde.

Was het de fout van hen die de verdragen sloten in 1919? Putte Nazi-Duitsland zijn ongenoegen uit de vernederende afspraken die in dat jaar werden gemaakt? Het lijvige boek (700 p.) van Margaret MacMillan, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Toronto, brengt de verpletterende betekenis aan het licht van de ruim zes maanden durende onderhandelingen, waarin de hoofdrollen werden gespeeld door de Amerikaanse president Woodrow Wilson, de Britse premier David Lloyd George en de Franse premier Georges Clemenceau. In ieder geval zag de wereld er na afloop totaal anders uit.
Alles begon met de verrassende deelname van de Amerikaanse president, die al van bij de aanvang zijn veertienpuntenplan voorlegde aan de vergadering. Het was een opsomming van ‘wishful thinking’, samengesteld door een oerchristelijke Amerikaan uit het Zuiden, met onmogelijk realiseerbare idealen. Het enige dat op wat bijval kon rekenen, was punt 14: de oprichting van een Volkenbond.
_De drie protagonisten
Vooraleer de auteur tot de essentie komt, brengt ze een boeiende beschrijving van de hoofdfiguren: hun karakters, hun herkomst, hun hebbelijkheden, hun kleine kantjes en hun drijfveren.
Als eerste komt de Amerikaanse president Wilson onder de loep. Hij was een raadselachtige figuur, die enerzijds de verheven taal van de Bijbel hanteerde, maar tegelijkertijd meedogenloos was tegenover wie hem dwarsboomde. Zijn republikeinse tegenstander bij de presidentsverkiezingen noemde hem ‘de onoprechtste en kilste opportunist die we ooit als president hebben gehad’. Op foto’s ziet hij eruit als een uitgemergelde doodgraver maar in werkelijkheid was hij een knappe man, met fijne, regelmatige gelaatstrekken en een slank, recht lichaam. In zijn optreden had hij iets van een dominee. Zoals de meeste Amerikanen was hij doordrongen van een geloof in de uitzonderlijkheid van zijn eigen land. Hij koesterde het verlangen om de wereld te verbeteren, maar had de neiging zich af te wenden als niet naar zijn boodschap werd geluisterd.
De tweede figuur die wordt doorgelicht is Georges Clemenceau, de eigenzinnige 78-jarige premier van Frankrijk. Op zijn aandringen werd de conferentie gehouden in Parijs, hoewel een neutrale stad voor de meeste andere deelnemers meer aangewezen leek. De Britse onderhandelaar Lloyd George zei: ‘Ik heb de conferentie nooit in zijn vervloekte hoofdstad willen houden, maar de oude man jammerde en protesteerde zo luid dat we hebben toegegeven.’

Clemenceau was afkomstig uit de kleine landadel in de Vendée en zijn familie was republikeins, radicaal en fel antiklerikaal. Hij voltooide een opleiding als arts, maar had meer belangstelling voor journalistiek werk, politieke activiteiten en… voor zijn liefdesaffaires. Als jonge man bracht hij geruime tijd door in de Verenigde Staten en sprak vloeiend Engels. Daar vond hij ook zijn echtgenote Mary Plummer, ‘een mooi, dom en zeer conventioneel meisje uit New England’. Hij vertrouwde haar in Frankrijk toe aan zijn ouders en ongetrouwde tantes in de Vendée en zette zijn carrière voort in Parijs. Het huwelijk hield niet lang stand, maar Plummer bleef in Frankrijk en werd museumgids voor Engelstaligen. Ze stierf in 1917.

Volgens de Britse onderhandelaars lieten Clemenceau en de Franse delegatie zich leiden door herinneringen aan vergane glorie, overtuiging van de eigen superioriteit, wrok tegenover de Angelsaksische welvaart en angst voor Duitsland. Clemenceau had immers de vernederende oorlog tegen Duitsland meegemaakt in 1870. Met president Poincaré kon hij niet opschieten en zei: ‘’Er zijn maar twee volstrekt nutteloze dingen op de wereld. Het ene is de blindedarm en het andere is Poincaré’. De president was pietluttig, formalistisch, pedant en zeer katholiek. ‘Een druk baasje, dor, vervelend en zonder lef’, zei Clemenceau.
De derde belangrijke figuur was de Britse premier David Lloyd George, afkomstig uit Wales, die een stuk jonger, fitter en veerkrachtiger was dan zijn Amerikaanse en Franse tegenpolen. Hij kwam uit de eenvoudige middenklasse: Velen herinnerden zich diens radicaal verleden als vijand van privileges, rangen en standen. Hij bezat een buitengewoon vermogen om aan te voelen wat anderen dachten, was een uitstekende causeur maar kon tegelijk ook goed luisteren. Churchill vond van hem dat hij ‘volkomen gespeend was van alles wat leek op gewichtigheid en arrogantie’.

Zijn vader overleed toen hij nog jong was en hij werd opgevoed door een oom, die onderwijzer en lekenbroeder was. Wanneer Lloyd Georges ontdekte dat hij zijn geloof in God had verloren, vergaf zijn oom hem.
Terwijl de Amerikaan Wilson de grote banken aanpakte en Clemenceau de kerk aanviel, richtte Lloyd George zijn pijlen op grootgrondbezitters en de aristocratie. Zijn geografische kennis vertoonde grote lacunes. Wanneer de troepen van het Ottomaanse rijk zich oostwaarts van de Middellandse Zee terugtrokken, sprak Lloyd George dramatisch over hun vlucht naar Mekka. ‘Ankara’, verbeterde een van zijn medewerkers hem. Waarop de premier luchtig zei: ‘Lord Curzon is zo vriendelijk mij te corrigeren over een onbeduidend detail’.
_Alarmerende toestanden
Naast deze drie hoofdfiguren speelden in Parijs nog heel wat andere personages een rol waarover de auteur van ‘Vredestichters’ haar licht laat schijnen. Gedetailleerde opmerkingen en anekdotes maken van het boek een briljante mix van vertelling, commentaar, verwijzingen naar het heden, en een overvloed aan ‘couleur locale’.
Zo komen de betrokken landen en regio’s aan bod, elk met hun eigen eisen en moeilijkheden. Om te beginnen Rusland, waar pas een revolutie had plaatsgevonden. De protagonisten van de West-Europese landen wisten er eigenlijk geen blijf mee. Stonden de Sovjets aan de kant van de geallieerden, of heulden ze nog samen met Duitsland, zoals tegen het einde van de oorlog? De vrees ontstond dat de communistische revolutie oversloeg naar westerse landen. Churchill en de Franse maarschalk Foch waren voorstander van een militair ingrijpen maar de andere ‘vredestichters’ zagen daar geen heil in. In feite wisten ze even weinig over Rusland als over de achterkant van de maan.

De Britse premier Lloyd George dacht dat het Bolsjewisme vanzelf zou uitsterven en zei: ‘Wij hebben niet het recht om ons te mengen in hun binnenlandse aangelegenheden’. Achteraf gezien hadden Churchill en Foch in feite gelijk. Maar de regering in Rusland ontwikkelde zich tot een systeem van angstaanjagende en ongebreidelde macht, dat later Stalin de vrije hand gaf voor paranoïde grillen die miljoenen doden vergden.
De verantwoordelijkheden rond de naoorlogse situatie waren angstaanjagend groot. Uit alle windstreken van Europa kwamen alarmerende berichten: miljoenen werkloze mannen, wanhopige huisvrouwen die hun uitgemergelde kinderen in leven hielden met aardappelen en koolsoep, ziekenhuizen zonder medicijnen, mensen die kolengruis of houtkrullen aten.

In de Balkan was het een heksenketel, waarbij sommige volkeren elkaar regelrecht naar het leven stonden - Serven, Kroaten, Slovenen, Bosniërs, Montenegrijnen,… Sommige daarvan hadden de diepe invloed ondergaan van de Ottomanen en waren moslims geworden, andere waren Grieks-Orthodox. De enen voelden zich mediterraan, anderen – zoals de Roemenen - leunden aan bij hun Romeinse voorouders.
Na veel getouwtrek en tegen de zin van een aantal gedelegeerden, kwam dan Joegoslavië tot stand - naast Bulgarije, Roemenië, Albanië en Hongarije. In veel van deze gebieden, zoals ook in Griekenland, hadden de Ottomanen gedeeltelijk hun erfenis achtergelaten (de keuken, bureaucratie, corruptie en mentaliteit9.

Een grote moeilijkheid bij de beslissingen was dat leiders als president Wilson of premier Lloyd George amper onderscheid konden maken tussen Bosniërs, Slovenen, Kroaten of Serviërs en niet eens wisten waar Montenegro precies lag, laat staan het Banaat (een regio aan de oostgrens van Roemenië). Toen de grenzen uiteindelijk waren vastgelegd, bleven 60.000 Serviërs achter in Roemenië, en 74.000 Roemenen en 400.000 Hongaren in Joegoslavië. Dit was uiteraard vragen naar problemen in de komende decennia.
In de winterpauze, die begon eind februari 1919, leek Parijs in een naoorlogse euforie te verkeren. De stad raakte overstroomd door indieners van petities, journalisten en nieuwsgierigen – ‘ramptoeristen’ zouden we kunnen zeggen. Britse kunstschilders als William Orpen en Augustus John kwamen er portretten schilderen. De internationale kletstante Elsa Maxwell kwam over uit New York om te feesten en de befaamde actrice Sarah Bernhardt gaf voorstellingen voor liefdadige doelen. Bezoeken aan de voormalige slagvelden van Noord-Frankrijk tot Passendale leken op toeristische griezeluitstappen. Sommigen waagden zich in de loopgraven en raapten Duitse helmen en granaatscherven op als souvenir.

Tussendoor werd nog een aanslag gepleegd op Clemenceau door een zwakzinnige anarchist.
_Struikelblokken in overvloed
De straf voor Duitsland en de preventie van nieuwe conflicten waren grote struikelblokken. “Duitsers mogen dan nog over vrede praten”, zei Wilson, “ze brengen nergens recht, leggen anderen hun macht op en buiten iedereen uit om er zelf groter van te worden.” Maar toch moest rekening worden gehouden met de dreiging van het Bolsjewisme vanuit het oosten en dit kon alleen gebeuren met hulp van Duitsland.

“Maar als we zo dom zijn Duitsland toe te staan een groot leger te trainen en te bewapenen”, zei de Amerikaanse onderhandelaar Edward House, “zouden we het lot verdienen dat we door een dergelijke dwaasheid over onszelf afroepen.” Het leek een visie op de toekomst.
Het opmaken van de rekening voor de verliezers vergde eindeloze discussies. De Franse minister van Handel en Industrie, Etienne Clémentel, deed uitstekende voorstellen die zouden geleid hebben tot een Verenigd Europa, maar hij stuitte op actief verzet. Eerst na WOII zou Jean Monnet deze economische organisatie tot stand brengen: de EU. Guido-Jules Kindt
Frankrijk en België hoopten hun oorlogskosten te kunnen claimen, maar al snel kwamen de onderhandelaars tot de conclusie dat nooit aan alle eisen kon worden voldaan zonder het Duitse volk tot eeuwigdurend slavendom te brengen. Uiteindelijk kwam het tot een compromis waarbij zou worden gestreefd naar een democratisch Duitsland, plus een gematigde herstelbetaling, het opgeven van alle Duitse koloniën en een vijftien jaar durend bestuur van het Saarland door de Volkenbond.
_Geografische ingrepen
Na de talrijke problemen te hebben aangepakt rond Polen, Tsjechië en Slowakije werd de rekening gepresenteerd aan Oostenrijk. Er werd gesleuteld aan alle grenzen van het grote Habsburgse rijk Oostenrijk-Hongarije. Dit had tot gevolg dat een verarmd Oostenrijk na de jaren ’20 van crisis tot crisis strompelde en telkens moest worden geholpen met karige leningen van de geallieerden. Het was dan ook geen wonder dat de nazi’s er in 1938 werd ontvangen als bevrijders. Ook Hongarije was van mening dat het in Parijs ‘meedogenloos’ was behandeld.
In mei 1919 deed in Parijs al de sinistere ‘grap’ de ronde dat de onderhandelaars “een rechtvaardige en blijvende oorlog” aan het voorbereiden waren. De meningsverschillen waren zo groot, dat de Italiaanse onderhandelaars opstapten. Ze hadden een groot deel van de oostelijke Adriatische kust opgeëist (nu behorend tot Kroatië) maar kregen slechts grondgebied tot en met Triëst. (De Amerikaan Wilson dacht eerst dat Triëst een Duitse stad was).


Het zou ons te ver leiden om hier alle problemen waarmee de onderhandelaars nog werden geconfronteerd, verder uit te diepen. Die handelden over Japan en rassengelijkheid; de binnenlandse verdeeldheid in China en de invloed van Japan op dit land; de problemen met Griekenland dat stukken van Albanië en Turkije opeiste; het einde van het Ottomaanse rijk, de Arabische onafhankelijkheid (beloofd door Lawrence en geweigerd door Groot-Brittannië); het lot van Palestina en het conflict uitgelokt door Italië dat delen van Turkije begon te bezetten.
Het meest beschamende en idiote gedrag van de onderhandelaars betrof ongetwijfeld de ‘verdeling’ van Turkije. Terwijl ze bezig waren in Parijs om Izmir en de hele Adriatische kuststreek aan Griekenland te schenken, een zuidelijk deel van de taart aan Italië te geven, de Fransen een stuk wilden van het noordelijke Anatolië, en de Verenigde Staten het mandaat kregen over Armenië en Constantinopel (Istanboel), bracht de Turkse nationalist Atatürk een volksleger op de been.
Terwijl de deelnemers aan de internationale conferentie lijnen op kaarten trokken en volkeren virtueel naar dit of dat deel van het land lieten verhuizen, schudden Atatürk en zijn volgelingen hun Ottomaans verleden af en werd de Turkse natie geboren. Alleen de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Arthur Balfour, had de waanzin door: “Ik heb hier drie almachtige, alwetende mannen zitten die continenten verdelen met niet meer dan een kind om aantekeningen voor hen te maken.”

Atatürk wist de Grieken te verdrijven uit Smyrna (Izmir) en omgeving, maar het zou nog duren tot juli 1923 vooraleer hij definitief het nieuwe Turkije had geschapen en er een lekenstaat van had gemaakt. En dit terwijl de meeste Westerse onderhandelaars vooral bang waren geweest van een Islamitische vloedgolf.
Op 7 mei 1919 waren de ‘vredestichters’ klaar met hun verdrag, maar een paar onderhandelaars die elkaar in het holst van die nacht tegen het lijf liepen tijdens een wandeling in de verlaten straten van Parijs, uitten zware twijfels. “We waren het erover eens”, vertelde Herbert Hoover nadien, “dat de gevolgen van veel onderdelen van het voorgestelde verdrag uiteindelijk tot rampspoed zouden leiden.”


´Vredestichters´ is beslist geen boek dat men in één ruk uitleest.
Het brengt een stuk geschiedenis met enorme, vaak catastrofale gevolgen.
Die paar maanden uit het begin van de 20ste eeuw legden de basis voor een korte vrede, een nieuwe wereldoorlog en leidden uiteindelijk tot een diepgaande Europese bezinning.
Margaret MacMillan
Guido-Jules Kindt
Non-fictie
recensent
_Guido-Jules Kindt recensent
Meer van Guido-Jules Kindt

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies