Kwintessens
Geschreven door Johan Braeckman
  • 265 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

17 april 2022 Vierde brief van Johan Braeckman aan Hans Van Dyck
Beste Hans
Ik schrijf dit de avond van 17 april, ruim drie maanden nadat ik jouw brief mocht ontvangen, waarvoor trouwens mijn grote dank.
Drie maanden is niet zo'n lange tijd, toch lijkt de aardas ondertussen een beetje te zijn gekanteld. Ik heb het natuurlijk over de inval van het Russische leger in Oekraïne, op bevel van president Vladimir Poetin. Hans, wij zijn beiden geruime tijd na de Tweede Wereldoorlog geboren en zijn al lang gewend aan vrede in Europa. Zeker, in 1991 brak vreselijk geweld uit toen Joegoslavië uiteen viel. Dat conflict duurde tien jaar. Er was een eindeloze stroom aan nieuwsberichten over etnische zuiveringen, massaslachtingen, sluipmoordenaars die onschuldige burgers vermoordden … Dit alles in een land dat vele Belgen jarenlang als een ideale vakantiebestemming zagen. Van Brussel naar pakweg Zagreb is slechts een goeie 13 uur rijden. Ter vergelijking: als je vanuit onze hoofdstad met de auto in Kiev wil geraken, doe je er makkelijk 23 uur over. Dat leert Google Maps me toch. Toch lijkt wat nu gebeurt in Oekraïne anders dan de onnoemelijke ellende die Joegoslavië trof. Hoe hevig Kroaten, Serviërs, Bosniërs en anderen elkaar ook bevochten, het gevaar dat het conflict zich zou uitbreiden naar andere gebieden leek eerder klein. De NAVO kon tussenkomen en beïnvloedde in sterke mate mee het beëindigen van de oorlog. Geen van de Joegoslavische deelgebieden die elkaar naar het leven stonden, beschikte over kernwapens. Dat is nu helemaal anders. Niet alleen heeft Rusland kernwapens, Poetin alludeerde er al enkele keren op dat hij bereid is ze te gebruiken. Louter grootspraak en intimidatie? Misschien, maar misschien ook niet. Bovendien is de vrees reëel dat zijn territoriale honger niet gestild is, mocht hij Oekraïne veroveren. Hij kon zich nooit verzoenen met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie na de val van de Berlijnse muur en hunkert ernaar om de invloedssfeer van Rusland uit te breiden tot ver buiten de huidige grenzen. Je zou nochtans denken dat het land al groot genoeg is. Dat de Baltische staten en Finland, Polen, Moldavië en meerdere andere landen zich daar zeer ernstig zorgen over maken, is geheel begrijpelijk. Kortom, het huidige conflict is van een andere orde dan wat in de jaren negentig op de Balkan gebeurde. Ook niet onbelangrijk: Poetin is meedogenloos en lijkt er niet om te geven de geschiedenis in te gaan als een massamoordenaar. Dat geldt ook voor andere criminelen als Slobodan Milosevic, Ratko Mladic en Radovan Karadzic, maar zij hadden geen kernwapens en leken niet in staat een derde wereldoorlog uit te lokken. In het geval van Poetin ligt dat anders. Het is op dit moment onvoorspelbaar hoe de situatie zal evolueren, veel hangt af van de positie die landen zoals India en China in de zeer nabije toekomst innemen. Laat ons hopen dat niemand massavernietigingswapens inzet. Het zou niet noodzakelijk het einde van de wereld betekenen, zelfs niet het einde van de mensheid, maar het zou alles wat we met beschaving associëren, in sterke mate ondergraven – zie The Precipice: Existential Risk and The Future of Humanity (2020), een scherpzinnig boek van de Australische filosoof Toby Ord.
Het begrip beschaving dat ik zonet gebruikte, is overigens een raar concept. Etymologisch is het verwant aan woorden die naar steden, stedelijkheid en stadsbewoners verwijzen. Wie in een stad woont, is beschaafd. Wie buiten de stadsmuren leeft, is onbeschaafd, wild en ongeciviliseerd. Het nomadische leven wijst op een gebrek aan beschaving, het sedentaire is er een noodzakelijke voorwaarde voor. Maar de betekenis van beschaving is ondertussen veel ruimer dan dat. Poetin is een stadsbewoner, maar het minste wat we over zijn daden kunnen zeggen, is dat ze onbeschaafd zijn, of zelfs anti-beschaafd. Wat Poetin doet, is onmiskenbaar onethisch en inhumaan. Hij liegt zijn land en bevolking voor, tast de waardigheid van miljoenen mensen aan en haalt het slechtste uit zijn lakeien en soldaten naar boven, in plaats van het goede aan te wakkeren. Naarmate de oorlog escaleert, vervaagt de grens tussen goed en kwaad. The fog of war brengt de gangbare normen en waarden uit focus. Het is voorspelbaar dat steeds meer soldaten, aan beide zijden van het front, moreel zullen ontsporen. Alle sociaalpsychologische factoren die mensen aanzetten tot wreedheden, zijn aanwezig: een opgeklopt vijandbeeld, dehumanisering, groepsdruk, een wij-tegen-zij-verhaal, de illusie voor de goede zaak te strijden en hogergeplaatsten die de verantwoordelijkheid lijken op zich te nemen. Van het bloedbad van Babi Jar tot Rawagede en My Lai, we zien steeds dezelfde dynamiek.
Beste Hans, ik had het tot nu toe nog niet over de inhoud van je brief, maar ik ben die niet uit het oog verloren. Je vraagt me om mijn visie op de verhouding tussen de natuur- en menswetenschappen meer in detail uiteen te zetten. De essentie ken je reeds. Zeggen dat ik de kloof tussen de wetenschappelijke en academische culturen betreur, is een understatement. Ik verfoei ze en denk dat er enorme nadelen aan verbonden zijn. Al zie ik ook de voordelen: de opsplitsing van wetenschapsgebieden, faculteiten, disciplines, vakgroepen enzovoort, leidde tot steeds meer specialisatie. Of misschien veroorzaakte het laatste het eerste: naarmate wetenschappelijk onderzoek zich meer en meer specialiseerde, nam de versnippering steeds meer toe. Het een versterkte het ander, en dat neemt alleen maar toe. Zelfs goedbedoelde pogingen tot overbruggingen, tot trans- of interdisciplinair onderzoek, geven ironisch genoeg zelf ook weer aanleiding tot meer specialisatie. Ik zetelde meerdere jaren in de commissie voor interdisciplinair onderzoek van het jou goed bekende FWO, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Samen met de andere commissieleden evalueerde ik onderzoeksvoorstellen die wel degelijk interdisciplinair zijn, bijvoorbeeld een samenwerking tussen ingenieurs, cardiologen en fysici, die een prototype van een kunsthart willen ontwikkelen. Voor zoiets heb je kennis nodig uit meerdere domeinen, en ik juich dat vanzelfsprekend toe. Maar als het project succesvol is, dan geeft het al snel aanleiding tot een nieuwe specialisatie. Over vijf of tien jaar is dan een disciplinaire commissie nodig die de onderzoeksaanvragen over kunstorganen moet beoordelen. Het lijkt wel onvermijdelijk.
Maar ik weet dat dit niet je centrale punt is, Hans. Waar je op aanstuurt, is de noodzaak van een menswetenschap die onze soort niet ziet alsof ze uit de hemel is gevallen en op wondere wijze cultuur produceert, waarover wetenschappers dan doctoraten kunnen maken. Zo krijgen we geen dieper inzicht en begrip, maar enkel de ene interpretatie na de andere. Het levert perspectieven op, maar geen intellectueel bevredigende verklaringen. Ook wat mij betreft mogen en moeten de menswetenschappen heel wat ambitieuzer zijn. Daartoe dienen we op de eerste plaats de juiste vragen te stellen, dat wil zeggen: fundamentele vragen. We willen niet enkel weten wat de betekenis is van een mythe, een roman of een film, maar waarom mensen verhalen bedenken en vertellen. Ik wil niet enkel inzicht in de directe oorzaak van een gewelddadig conflict, maar wil snappen waarom onze soort zo vaak gewelduitbarstingen kent. Ik heb niet alleen maar interesse in de interpretatie van Het Lam Gods, maar bovenal in de vraag waarom we reeds tienduizenden jaren esthetische objecten maken. De kennis die de menswetenschappen ons nu aanbieden, hoe indrukwekkend ook, is verbrokkeld en fragmentarisch, en gaat niet ten gronde in op de diepste vragen die er over onszelf bestaan. Een onderzoeksproject dat zo'n fundamentele vraag wil aanpakken, maakt geen kans bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Veel te hoog gegrepen, te overmoedig, zelfs niet vatbaar voor een wetenschappelijke benadering – dat is de teneur. Net zoals jij ga ik ervan uit dat dit te wijten is aan de eenzijdigheid van het dominante mensbeeld in de menswetenschappen. Er is kennis noch input vanuit de biologie, maar ook de onderlinge interactie laat te wensen over. Psychologen, economen, antropologen en literatuuronderzoekers, om maar enkele voorbeelden te geven, werken amper samen. Het hele veld van de cognitieve wetenschappen, dat toch een evidente invalshoek biedt op allerlei vragen die in de menswetenschappen aan de orde zijn, wordt niet of nauwelijks benut. Ik las het boek van Liam Drew – Ik, zoogdier – waarnaar je verwijst, en ook ik zie er het nut van in om dergelijke inzichten mee op te nemen in het menswetenschappelijke curriculum, maar het zal niet meteen gebeuren. Natuurlijk is het van belang dat we zoogdieren zijn, dat we over miljoenen jaren heen evolueerden, dat natuurlijke en seksuele selectie zowel ons lichaam als onze psychologie mee vormden, en dat onze genen het mogelijk maken dat we culturele wezens zijn. Er is geen tegenstelling tussen nature en nurture. Integendeel, zonder nature kan nurture niet bestaan. Het is niet dat over dit alles geen leesbare, populariserende boeken bestaan. Integendeel, er zijn er genoeg, en sommige ervan zijn bijzonder goed. Ik denk aan Steven Pinkers Het onbeschreven blad (2003), Matt Ridleys Wat ons mens maakt (2004) of Robert Sapolsky's Behave (2018). Ik zou dergelijke boeken op de leeslijst willen krijgen van studenten geschiedenis, literatuur, talen en kunst, maar ook de criminologen, economen en sociologen zouden er baat bij hebben.
Het belang van dit alles is niet zozeer het intrinsieke nut om zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk kennis over onszelf bij te brengen. Ik ben ervan overtuigd dat een veel vollediger menswetenschap nodig is, om een situatie zoals die nu aan de gang is in Oekraïne te vermijden, of, op zijn minst, te begrijpen en op te lossen. Een geïntegreerd wetenschappelijk inzicht in onszelf, maakt het mogelijk om het beste dat we hebben te stimuleren, en het slechtste te verhinderen. Willen we beschaving, in de ruime zin van het woord, bewaren en bevorderen, dan moeten we de kloof tussen de disciplines dichten. Kan kunst de wereld redden? Neen, helaas niet. Maar een beter inzicht in het hoe en waarom van onze soort, kan dat wel. Vladimir Poetin is niet alleen een gefaald politicus, hij heeft bovenal een gebrek aan kennis van de menselijke natuur. Wedden dat het hem zuur zal opbreken?
Ik kan het tot slot niet laten om een anekdote aan te halen over Alexander de Grote, ook iemand die om dubieuze redenen vond dat hij andere landen mocht aanvallen en onschuldige burgers kon vermoorden. Ik las ze onlangs in het boek Philippus en Alexander. Wereldveroveraars uit Macedonië (2020), van de Britse historicus Adrian Goldsworthy. Alexander en zijn leger bereikten op een bepaald moment India. Daar ontmoetten ze 'Indiase heilige mannen' of brahmanen, die ze 'naakte filosofen' noemden. De brahmanen stampten herhaaldelijk met hun voeten op de grond, tijdens een gesprek met Alexander. Ze deden dat om hem eraan te herinneren dat zelfs een heerser zoals hij 'in werkelijkheid niet meer bezat dan de aarde waarop hij stond en waarin hij al snel begraven zou worden' (pag. 451). Naar verluidt was Alexander onder de indruk van hun woorden. Een paar jaar later was hij dood. Het is misschien een goede tip voor diegenen die dezer dagen in Poetins buurt komen: herhaaldelijk met de voeten op de grond stampen. 
Hiermee hou ik op Hans, het is weer aan jou. Ik kijk er al zeer naar uit.
Hartelijke groet
Johan
Kwintessens
Hoogleraar wijsbegeerte UGent en lid van de humanistische denktank Kwintessens
_Johan Braeckman -
Meer van Johan Braeckman

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws