Kwintessens
Geschreven door Karel D'huyvetters
  • 525 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

16 augustus 2022 Secretaris
In onze complexe maatschappij zijn er ontelbare functies, die allemaal ingevuld worden door personen. Denk aan de koning, bijvoorbeeld. Toen België, of eigenlijk 'La Belgique' destijds werd opgericht, vond men dat een land, om toch enig prestige te hebben, het best over een eigen koning moest beschikken. En zo geschiedde. De eerste koningen waren echt wel koning, en gedroegen zich ook zo. Zij stonden aan het hoofd van het land, hun wil was wet, en er was geen wet zonder hun wil. Zij hadden macht.
Maar niet alle functies zijn van dien aard, dat is niet mogelijk, we kunnen niet allemaal koning zijn. En zelfs een koning kan op zijn eentje geen land besturen, daarvoor heeft hij personeel nodig. En dan gebeurt er iets eigenaardigs: voor de koning mogen werken, wordt als een grote eer beschouwd. Of het nu als privésecretaris is, of als kok, als eerste minister of als hofleverancier, het feit dat je voor de koning werkt, verleent aan een persoon een groot prestige. Een eenvoudige huisvrouw of -man, die voor het gezin kookt, wordt misschien wel gewaardeerd, maar er is nauwelijks prestige gemoeid met die functie. Voor wie men werkt, is bepalend voor de waardering van de functie, terwijl wat men in de praktijk doet best hetzelfde kan zijn als in een veel bescheidener functie. De secretaris van de plaatselijke fanfare is niet te vergelijken met de secretaris-generaal van de UNO, vanzelfsprekend.
Naast elke voorzitter is er een secretaris. Voorzitters zijn meestal vooraanstaand. Men wordt voorzitter omdat men over bepaalde kwaliteiten beschikt, of verondersteld wordt dat te doen. Maar een voorzitter is zelden de persoon die het werk doet, daarvoor heeft hij een secretaris. En hoewel die secretaris over geen enkele bevoegdheid beschikt, is de functie niet onbelangrijk: met de taken die de voorzitter delegeert, verwerft de secretaris de facto niet zelden aanzienlijke invloed en zelfs enige macht, zeker wanneer de voorzitters voor een beperkte periode verkozen zijn, terwijl de secretaris een permanente functie is.
Maar secretarissen moeten hun plaats weten. Zij mogen zich niet schuldig maken aan insubordinatie, zoals dat heet. Zij treden altijd op namens de voorzitter, of namens de instelling, nooit in eigen naam. Zij nemen geen eigen beslissingen, maar voeren de beslissingen uit van de voorzitter of van de raad.
Een goede secretaris vereenzelvigt zich met die dienende functie. Er zijn mensen die zich daarin goed voelen: ze hoeven geen beslissingen te nemen, en kunnen daarop ook niet afgerekend worden. Ze verschuilen zich achter hun voorzitter, terwijl ze door hun nauwe band en hun functie vanzelfsprekend van heel dichtbij betrokken zijn bij de besluitvorming, en die niet zelden in ruime mate sturen, zeker als de voorzitter genoegen neemt met de eer die deze functie met zich meebrengt, en niet geïnteresseerd is in het dagelijkse bestuur. En intussen geniet de secretaris van alle voordelen die de functie meebrengt.
Als we goed om ons heen kijken, zijn er talloze functies die in grote lijnen beantwoorden aan die bijzondere omschrijving van 'secretaris', ook al hebben ze vaak een andere naam. Maar bijna altijd is er dezelfde dubbelzinnigheid, namelijk het formele ontbreken van elke macht of bevoegdheid, en de praktische onmisbaarheid, die gepaard gaat met aanzienlijke invloed en zelfs macht, naast het prestige dat men ontleent aan de persoon of de instelling die men ten dienste staat. Personen die het ontbreekt aan de kwaliteiten die men van een voorzitter verwacht, of wier kwaliteiten niet (h)erkend worden, zullen een dergelijke dienende functie ambiëren, en genieten van het aanzien dat ermee gepaard gaat.
Nergens anders is dat meer het geval dan in de godsdienst, waar de functie van 'secretaris' verheven is tot het hoogste wat men kan bereiken. In een Kerk of een godsdienst kan een mens immers geen 'voorzitter' zijn, dat is God alleen. Dat is tenminste wat men voorwendt, het is de aloude list van Mozes. Door het hoogste gezag niet zelf op te eisen, maar het toe te schrijven aan een bovennatuurlijke persoonlijke God, zijn alle mensen dienaren van God. Zelfs Mozes, en na hem de hogepriester en de koning van de Joden, nam geen beslissingen, dat deed God zelf, die aan sommige mensen zijn wensen, zijn geboden en verboden te kennen gaf. God is de ultieme, absolute en ongenaakbare 'voorzitter', de priesters zijn 'slechts' secretarissen, die de beslissingen uitvoeren. Maar dat is overduidelijk een voorwendsel: aangezien er geen God is, aangezien dat een louter verzinsel is van sluwe lieden, zijn het die mensen die de beslissingen nemen die ze aan God toedichten. Het is de ultieme, absolute perversie van het zeer eerbare menselijke verschijnsel van de secretarisfunctie: onder het mom van de loyale en nederige dienstbaarheid aan het hoger gezag, nemen de dienaren Gods zijn rol over. Door van de voorzitter een absolute maar bovennatuurlijke God te maken, schakelen ze hem de facto uit en nemen ze zelf alle macht in handen. Op die manier verwerven ze niet alleen de absolute macht, en wel zonder ooit door iemand ter verantwoording te kunnen worden geroepen (het is immers God die in zijn ondoorgrondelijke wijsheid de beslissingen neemt), maar tevens het hoogst mogelijke prestige, aangezien zij dienaren zijn van de allerhoogste instantie, God zelf.
We doen er goed aan op onze hoede te zijn voor 'secretarissen', welke titel ze ook voeren. Steeds moeten we ons afvragen of ze wel degelijk spreken namens, en niet in eigen naam, en namens wie. Wij mogen niet dulden dat zij zich verschuilen achter gezagsargumenten, of daarvan gebruik maken om hun eigen ideeën naar voren te brengen. We moeten inderdaad altijd ten gronde de argumenten horen en beoordelen voor elke beslissing of opinie, zelfs wanneer die afkomstig is van de hoogste gezagsdragers, zelfs wanneer die gesteund is op de hoogste wetten van het land. Alle gezagsdragers zijn immers mensen zoals wij, en kunnen zich dus vergissen, en alle wetten zijn opgesteld door mensen zoals wij, en zijn dus mogelijk voor verbetering vatbaar.
En wie zich geroepen voelt om als secretaris ten dienste te staan van anderen, moet enerzijds inderdaad zijn plaats weten, en nooit de functie en de macht en het prestige die ermee gepaard gaan, misbruiken om de eigen doelstellingen na te streven, maar altijd uitsluitend ten dienste te staan van de personen en de instellingen waarvan men de secretaris is. Anderzijds blijft een secretaris een vrije persoon, en mag en moet die als zodanig weigeren om beslissingen uit te voeren of ideeën te verkondigen waar die zelf in gemoede niet achter kan staan. De zo geroemde en geloofde loyauteit van secretarissen kan voor hen nooit een excuus zijn om te dulden van wat onduldbaar is, of uit te voeren wat nooit uitgevoerd zou mogen worden.
Kwintessens
Karel D’huyvetters (°1946) legt zich toe op de geschiedenis van het atheïsme en het antiklerikalisme. Van hem verschenen Nederlandse vertalingen van de belangrijkste werken van Spinoza, met uitvoerige commentaren. Hij onderhoudt een website over Spinoza en een persoonlijke website.
_Karel D'huyvetters -
Meer van Karel D'huyvetters

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws