Kwintessens
Geschreven door Yves T'Sjoen
  • 332 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

19 mei 2022 Poëzie als meervoud (deel 2)
La jouissance van de lyriek
Ik citeer: 'Maar wat bereikt de poëet voor zichzelve méér dan de doorstreepte en geschonden witheid van het blad papier, wat anders dan gedroogde inkt, gemummifieerde vormen, onleesbare hiëroglyphen? Alleen de magere kans dat het woord tot ontluiking komt in een ander bewustzijn, kan hem van de zinloosheid redden. De lezer die tot het gedicht komt, is gelijk de Schepper uit de oudheid, die de klei in de handen nam, om er met zijn adem beweging in te brengen.' In zijn dankwoord bij de uitreiking van de Arkprijs van het Vrije Woord in 1957 voegde Bontridder aan het voorgaande dit nog toe: 'Het gedicht is aldus een soort Adam, die door de lezer alléén op de voet gebracht kan worden, die door de lezer alléén in het bezit kan gesteld worden van zijn vitaliteit, en aan wie de lezer de schatten van begrip en tederheid, van verachting en agressiviteit terugschenkt' (opgenomen in Nieuw Vlaams Tijdschrift).
reizen is iets - wat je moet leren - rijdt langzamer - om de weg - langer te laten duren F. van Dixhoorn, 'Armzwaai/Grote keg/Loodswezen I'
Ik beken: poëzie wordt door degenen die er zich om een of andere reden (móéten) aan overleveren als een moeilijk genre beschouwd, en wekt dus argwaan, maakt de benadering steevast gecrispeerd, wat amechtig zelfs. Poëzie is vaak het lood in de schoenen van wie er voor het eerst mee geconfronteerd wordt, wie poëzie als leerstof voorgeschoteld krijgt. Poëzie is een onbetrouwbare en weerbarstige minnaar. Jaarlijks verneem ik van studenten dat ze weinig of geen gedichten lezen op de middelbare school, dat ze pas in het tweede jaar van hun universitaire bacheloropleiding geacht worden een gedicht of een dichtbundel te analyseren. Zo een eerste confrontatie móét welhaast traumatiserend zijn. Waar ligt dat aan? Waarom zo terughoudend, zo beducht en onzeker dit medium bejegenen? Mijn vraag klinkt wellicht nogal belerend: ligt dat niet aan de leesopvoeding, is het niet voornamelijk een didactisch probleem? Of een angst om zich over te leveren aan het gedicht. Vanuit de misvatting dat het verhaal coherent moet zijn, dat we móéten begrijpen en consumeren. Waarom zijn we niet gewend naast gedichten van Gruwez en De Coninck, Enquist of Rawie, waarvan we dan ook meestal moeten weten 'waarover ze gaan', of je dat niet even 'in je eigen woorden' kunt parafraseren (alsof de taal van de dichter alleen een middel zou kunnen zijn, en geen doel op zich, waar het gedicht precies zijn specifieke karakter aan ontleent), of een gevoel 'wordt uitgedrukt' en hoe dan, ook gedichten van Duinker, Lampe of Schaffer met evenveel enthousiasme te lezen en te appreciëren.
Nee, poëzie wordt als te mijden voorgesteld, als een mijnenveld van verscholen betekenissen, van boobytraps en dubbele bodems, als raadsels en rebussen. Vaak komen we niet eens toe aan de vraag naar relevantie of urgentie van de tekst. Bij voorbaat wordt poëzie doorgaans als onnuttig, irrelevant en louter esthetisch beschouwd, een tijdverdrijf voor enk'le fijne luyden. Waarom is poëzie relevant, voor jezelf, voor een visie op de werkelijkheid, voor je verhouding tot taal (het medium waar we ons dagelijks van bedienen, waar we onze identiteit aan ontlenen), voor elkeen van ons en telkens ook anders? Iedere poging tot het 'open lezen' van gedichten, stuit op dat ongeloof, die onzekerheid. De taalgebruiker is het alleen na het doorbreken van een barrière gewend gedichten creatief te benaderen, als talige werkelijkheden, als reflecties op taal en haar (on)mogelijkheden, als reflecties ook op haar registers, haar clichés en retorische manipulaties, met oog voor de creaties van taal. Al te vaak wordt poëzie op grond van mimetische opvattingen terzijde gelegd, want niet direct (zoals bijvoorbeeld de vertolking van explicit lyrics), louter suggestief en zich dus niet direct prijsgevend, orakeltaal voor ingewijden. Het lijkt alsof we niet durven, of er zelfs de moeite niet voor willen doen, ons te verplaatsen, in een fictionele wereld die een andere logica hanteert dan de buiten-talige rationele. Als talige wezens missen we blijkbaar door onze aangeleerde leeswijze en literatuuropvoeding een avontuurlijke geest, staan we door de bank genomen niet open voor ordeverstoring, ontregeling, taalravijnen en semantische mijnenvelden. We worden graag bevestigd in onze manier van denken, vallen gretig terug op onze comfortabele clichés (de gezworen antipoden van de metaforen), vaste patronen, wanen van de dag, de strohalm waaraan we ons graag vastgrijpen. Zodra taal anders wordt aangewend, anders dan we het gewend zijn, schrikken we. Bang voor het onbekende, angstig onze denkkaders ontwricht te zien. En dan laten we graag alles weer makkelijk in de oude plooi vallen, want die weldadige plooien bieden ons dan toch minstens een schijn van geborgenheid. Zekerheid waar we zelfverzekerdheid aan ontlenen.
Maar is die beschutting van de taal er eigenlijk wel? Zijn plooien geen metonymische schaamlapjes, stellen we ons niet alleen maar voor dat we in onze vertrouwde taal een houvast vinden en de chaos waar we deel van uitmaken controleren? Stellen we ons tevreden met die illusie vanuit een verstandelijk bepaalde controledrang?
Een ontdekkingstocht in de specifieke taal, de toon of de maat van het gedicht is ook meestal de brug te ver, zo verneem ik wel eens. En hoezeer het bestaan van de meest diverse bruggenhoofden ook wordt voorgehouden, steeds is er weer die egelstelling. Poëzie, neen bedankt. Tenzij op Gedichtendagen, want dan doet iedereen mee met de gemediatiseerde hype en vinden we in het massa-evenement de beschutting die de vertrouwde plooien van de taal doorgaans lijken te bieden. De vraag is natuurlijk of zo'n Gedichtendag de poëzie in zijn diversiteit dient, en vele lezers niet net bevestigt in hun vooringenomen poëzieopvatting zoals ik die schetste. Poëzie als in verzen verpakte vertrouwdheden, geestige rijmelarijen en ongevaarlijke taalcapriolen. 
Misschien moeten we onze kinderen vooral anders leren lezen, 'open lezen', met een open vizier, een open geest, de teksten laten tegemoet treden (met voorkennis, met een eigen creatieve inbreng; lezen is namelijk ook moeite doen) maar ook 'open lezen' als openbreken, je toegang forceren. Anders leren lezen, het is ook de taak van de scholen en literaire instituties. Maar niet iedereen wil dat op die manier begrijpen. Moeilijk, hermetisch: het zijn zeer relatieve begrippen die meer zeggen over de ontlezing dan over de ontwikkeling van een leescultuur en de aard van de teksten zelf.
Lees hier het eerste deel van dit essay.
Kwintessens
Yves T'Sjoen (°1966) is hoogleraar moderne Nederlandse literatuur (Universiteit Gent) en voorzitter van het Arkcomité van het Vrije Woord.
_Yves T'Sjoen -
Meer van Yves T'Sjoen

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws