Het Vrije Woord
Geschreven door Koert Debeuf
  • 298 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

30 augustus 2021 Waarom militaire interventies nodig blijven
In een interview betoogt Sven Biscop van het Egmont Instituut dat het Afghanistan-debacle ons leert dat het Westen alleen militair moet tussenkomen als het eigen belang op het spel staat en als er geen alternatief is (DS 25 augustus). Daarom vindt hij dat bijvoorbeeld de interventie in Libië een vergissing was. Dat Moammar Kadhafi dan nog steeds aan de macht zou zijn, zou voor ons belang niets uitmaken. Met andere woorden: hij vindt dat niets doen meestal beter is dan iets doen. Dat is te kort door de bocht.
Laat me eerst even inzoomen op Libië. In navolging van Tunesië en Egypte, kwamen de Libiërs voor het eerst op straat op 17 februari 2011 om het einde te eisen van het Kadhafi-regime dat al sinds 1969 een schrikbewind voerde. Dat gebeurde eerst in Benghazi, de tweede stad van Libië, dat toen zo'n 630 000 inwoners had. In maart 2011 trok Kadhafi's leger met een enorme troepenmacht naar Benghazi om, zoals de 'Broederlijke Leider en Gids' had aangekondigd, alle verzet in de kiem te smoren, 'van huis tot huis, steeg tot steeg'. Niemand twijfelde eraan dat tienduizenden, zo niet honderdduizenden mensen zouden worden afgemaakt. Een genocide tien, misschien vijftig keer groter dan die in Srebrenica stond te gebeuren.
Het zijn de Libiërs zelf, met name de latere premier Mahmoud Jibril, die eerst het Europees Parlement, dan de Franse president Nicolas Sarkozy en uiteindelijk Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton overtuigden om in te grijpen. Toen op 17 maart de vliegtuigen uit Frankrijk richting Libië opstegen, was het Libische leger letterlijk al aan de poorten van Benghazi. Een bloedbad was vermeden, met dank aan de Libische oppositie en de NAVO.
_Libische chaos
De tegenstanders van de NAVO-interventie wijzen op de chaos en oorlog die Libië sindsdien heeft gekend. Het klopt dat de situatie in het land verschrikkelijk is, wat heeft geleid tot de migratie van vele tienduizenden mensen richting Europa. Maar het had anders kunnen lopen, als de Europese landen voor een langetermijnvisie hadden gekozen en de Libiërs hadden gesteund in hun democratische transitie.
Omdat ze hun beperkingen kenden, vroegen de Libiërs vaak hulp aan Europa. Geen financiële steun, maar hulp bij grenscontroles, bij de politieke organisatie en om het politieke conflict dat mede door de invloed van diverse Golfstaten opborrelde, mee op te lossen. Helaas was Europa te verdeeld om aan die vragen tegemoet te komen. Vooral Frankrijk en Italië waren elkaar jarenlang aan het bekampen om de enorme oliewinsten van Libië binnen te rijven, in plaats van oplossingen te zoeken voor een oorlog in wording.
Het is door dat kortetermijndenken dat Libië in chaos is verzand. We grepen in en keken dan weg. We lieten de Golfstaten, Turkije, Rusland en allerhande milities het land overnemen, terwijl Europa zich beperkte tot schijnmaatregelen tegen de vluchtelingenstromen die bleven komen. Het feit dat er vandaag, na zeven jaar, eindelijk weer een regering van nationale eenheid is, met uitzicht op verkiezingen, komt door een initiatief van Duitsland, dat namens de Europese Unie en de Verenigde Naties alle partijen rond de tafel kreeg. Als Europa eendrachtig is en de politieke wil heeft om iets te doen eerder dan niets, dan kan het zelfs een ontspoord land als Libië weer op de rails zetten.
_De kostprijs van nietsdoen
Het is moeilijker om in te schatten wat de gevolgen zijn van nietsdoen. Toch is het in sommige gevallen duidelijk. Toen de (Franse en Belgische) blauwhelmen in april 1994 besloten om Rwanda te verlaten, in plaats van een grotere troepenmacht te vragen, leidde dat tot een genocide met meer dan een miljoen doden. Een enorme menselijke kostprijs, waarvoor tot op vandaag velen zich terecht schamen.
Ook de tol van niet ingrijpen in Syrië is tot op zekere hoogte duidelijk. Toen het Assad-regime in de zomer van 2013 chemische wapens tegen burgers gebruikte en daarmee de zogenaamde rode lijn van president Barack Obama overschreed, verwachtte iedereen een militaire interventie. Op dat moment stond het regime te wankelen, en was er van Islamitische Staat in Syrië nauwelijks al sprake. Het feit dat Obama op het laatste moment besliste om toch niet tussen te komen, had en heeft nog steeds enorme gevolgen. Het door het Westen gesteunde rebellenleger viel uiteen, de enige groep die jihadistische milities weerstand bood. President Bashar al-Assad voelde zich onaantastbaar en ging – met nog minder scrupules dan voordien – door met moorden. Intussen is de kaap van een half miljoen doden al lang gepasseerd.
Plots werd Syrië wel ons probleem. De chaos was precies wat Islamitische Staat nodig had om vanuit het niets een barbaars kalifaat op te richten. Dat deed in 2014 en 2015 miljoenen mensen vluchten, naar de buurlanden, maar ook naar Europa: onze zogenaamde vluchtelingencrisis. Maar het is ook dezelfde Islamitische Staat die aanslagen pleegde in Brussel, Parijs en vele andere steden. Dus ook al leek de aangekondigde interventie in 2013 in Syrië niet in ons eigen belang, de keuze om niets te doen is als een boemerang in ons gezicht teruggekomen. Daarom moesten we even later toch militair ingrijpen. Is er iemand die nog beweert dat we Islamitische Staat niet hadden moeten bestrijden?
Weinigen verdedigen de militaire interventie in Irak nog. Ons land heeft in 2003 terecht geweigerd om die inval te steunen. Het komt erop aan de juiste interventie op de juiste plaats en het juiste moment te doen. Verkeerde intenties en een stuitend gebrek aan kennis over het land en de regio maakte van de oorlog in Irak een drama dat nog jaren zal nazinderen. Afghanistan lijkt dezelfde weg op te gaan. Maar daarom elke humanitaire, militaire interventie afwijzen, is niet alleen problematisch op ethisch vlak. Het getuigt ook van een gebrek aan langetermijndenken over wat uiteindelijk in ons eigen belang is.
(Tekst oorspronkelijk gepubliceerd in De Standaard, 27/08/2021. Overgenomen met toestemming van de auteur.)
Het Vrije Woord
Koert Debeuf is hoofdredacteur van de EUobserver en onderzoeker aan de universiteit van Oxford en de Vrije Universiteit Brussel.
_Koert Debeuf -
Meer van Koert Debeuf

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws