Kwintessens
Geschreven door Nick De Clippel
  • 1108 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

16 april 2021 Gender, rassen, klassen en politieke wetenschappen
Dertien procent van de kandidaten die in de plaats van afscheidnemend Klaasje mee willen kwelen in het K3-triootje omschrijft zichzelf als genderneutraal. Volgens de voorzitter van het Vlaams Belang, Tom Van Grieken, kan dat niet anders dan een overdrijving zijn. Ter staving van zijn overtuiging mocht hij de Afspraak-kijker uitleggen dat geslacht bepaald werd door het 23ste chromosomenpaar dat ofwel vrouwelijk XX ofwel mannelijk XY is. Zo simpel is dat. Even terzijde: het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat dertien procent van de K3-kandidaten queer is, maar dat zegt uiteraard niets over het percentage onder de bevolking. Charlotte Goeyers, doctoranda in de wetenschappen, trok in een recente Knack-opinie (online, 24 maart) niet één, maar twee kruisen over het verhaal van de voorzitter. Had die het over chromosomaal, genetisch, gonadaal of fenotypisch geslacht? Wist de voorzitter niet dat chromosomenparen niet meer zijn dan een platonisch ideaal van seksueel dimorfisme, vermits er dingen bestaan zoals het Turnersyndroom, het Klinefeltersyndroom, vaginale agenesis, XXY- en XXX-varianten ...
Nu deed Van Grieken in de eerste plaats een conservatieve, politieke uitspraak. De voorzitter wil geen maatschappij die te ver afwijkt van wat zijn electoraat het normale, het natuurlijke vindt. Het is niet absurd daarbij te verwijzen naar de basics van de genetica.
Mevrouw Goeyers brengt in haar opiniestuk in de eerste plaats wetenschappelijke feiten, maar ze mengt zich onvermijdelijk in een niet-wetenschappelijk dispuut en wil duidelijk een lans breken in het genderdebat. Ze legt uit waarom het allemaal veel ingewikkelder is dan die twee laatkomers uit het alfabet en ze doet dat met kennis van zaken. Wat we niet lezen, is dat biologische seksuele ambiguïteit zich situeert tussen de 0,017% en 1,73% van de bevolking, al naargelang men de breedste dan wel de meest beperkende definitie hanteert. Kijkt men verder dan het louter biologische, dan blijkt zowat 2,5% van de vrouwen zichzelf als lesbisch of biseksueel te omschrijven, tegenover 2,7% van de mannen dat zich homo of biseksueel noemt. Tellen we transgenders als mensen die zich gevangen voelen in het lichaam van de verkeerde sekse, dan tellen we 0,5% van de bevolking. Niet-binairen geven een gelijkaardig getal. Ook dat is wetenschap. Er zijn studies die andere cijfers hanteren, maar het blijft over kleine percentages gaan.
De les van Goeyers is best boeiend, maar ze is op zich politiek even irrelevant als de mening van Van Grieken dat is voor de genetica. En al is grensoverschrijdend gedrag tussen wetenschap en politiek niet uitzonderlijk, men verwacht dat toch eerder van de politicus dan van de wetenschapper. Deze spanning tussen wat feitelijk is en wat politiek zou moeten zijn, is een variant van de ethische is-ought controversy die stelt dat men uit de natuur geen ethiek kan afleiden. Die variant vindt men ook in de boekenwinkel.
De cijfers hierboven komen uit Human Diversity (2020) van Charles Murray. Die kent u misschien als de coauteur (met Richard Hernnstein) van The Bell Curve (1994) waarin bepleit wordt dat IQ de beste voorspeller is van hoe goed of slecht men het doet in het leven en dat het belang van de sociaaleconomische situatie wordt overschat. Meteen na de publicatie van The Bell Curve brak de hel los omdat het boek onder meer onderzoeken voorlegt die zouden aantonen dat IQ varieert volgens etniciteit: zwarte burgers scoren gemiddeld lager dan Aziaten (goud) en blanken (zilver). Dat was volgens velen wetenschappelijk racisme en sociaal darwinisme. De auteurs hadden de bui zien hangen en voorzagen hun boek van meerdere caveats: ze wijzen essentialisme af en dus hoeft niemand zich geschoffeerd te voelen, de verbanden tussen etnische kenmerken en erfelijkheid moeten verder onderzocht worden etc. Toch ging de controverse zo ver dat er een heuse waarheidscommissie werd aangesteld door de zeer invloedrijke American Psychological Association (APA). Die vond echter nauwelijks wat aan te merken op de wetenschappelijke deugdelijkheid van het werk. Alles wat erin verteld wordt, is verifieerbaar en/of falsifieerbaar. Het boek ging vlot over de toonbank en kreeg lovende kritieken, al waren er ook wetenschappers (bijvoorbeeld Stephen Jay Gould) die er niet van moesten weten. Charles Murray is uitgesproken conservatief – wat hij niet onder stoelen of banken steekt – en besloot The Bell Curve met enkele politieke aanbevelingen. Die kwamen er vooral op neer dat veel overheidssteun beter afgeschaft kon worden, want contraproductief. Arme, laaggeschoolde alleenstaande moeders zouden er bijvoorbeeld door aangemoedigd worden om meer kinderen te krijgen. Behoorlijk rechts, toch? (Voor alle duidelijkheid: het onderzoek van de APA ging niet over de politieke uitspraken).
_Wat rechts heet
Vorig jaar verscheen dus Human Diversity, nu van Charles Murray alleen (Richard Herrnstein overleed in 1994), met als ondertitel: The Biology of Gender, Race and Class. Net als The Bell Curve staat de nieuwe turf vol met theorie, cijfers en referenties (mijn versie telt 508 pagina's, waarvan 189 voor de annexen, voetnoten en index). Wie geen basiskennis heeft van statistiek en genetica krijgt hulp van enkele interludiums (sic) die wat basiskennis meegeven en achteraan geven ook drie annexen extra uitleg. Maar het blijft doorbijten, want de veelheid aan technische termen, psychometrische of sociale grafieken en genomische data maken het voor de modale lezer frequent noodzakelijk hulp van het www in te roepen. Murray gaat al in de eerste bladzijden met zijn rug naar de orthodoxy zitten, een vijand die pas op het einde van het boek een naam krijgt: de politiek correcte sociale wetenschappen. Human Diversity focust immers op dezelfde drie hoofdthema's die de bestaansreden vormen van de orthodoxie.
Murray serveert zijn visie in tien proposities, verdeeld over vijftien hoofdstukken. Samengevat komen die neer op het volgende. Gender is geen sociaal construct, want sekseverschillen zijn wereldwijd consistent en vergroten naarmate gendergelijkheid groter is. Vrouwen scoren gemiddeld beter in verbale vaardigheid en sociale cognitie, terwijl mannen het beter doen in het visuospatiële en mathematica. Overal ter wereld zijn vrouwen meer gericht op mensen en mannen meer op dingen. Het kan dan ook niet verwonderen dat er aantoonbare verschillen zijn in het brein en dat zelfs neonataal. Ras is evenmin een sociale constructie. Er zijn genetische verschillen die samenvallen met het ras of de etnie waartoe men zichzelf rekent. Het menselijk genoomproject en clusteranalyse maken dat een feit. Evolutionaire selectiedruk was altijd al extensief en doorgaans lokaal, wat er in gewonemensentaal op neerkomt dat evolutie veel vlugger kan gebeuren dan men aanvankelijk dacht (via veranderingen in allelfrequenties) en dat variatie geografisch en voorouderlijk bepaald wordt.  Anders gezegd: verschillen tussen bevolkingsgroepen in persoonlijkheid, vaardigheden en sociaal gedrag zijn niet meer dan normaal, want overgeërfd. De inleidende bladzijde (206) van het derde deel, 'Klasse is geen functie van privilege', krijgt zeven (!) pagina's voetnoten. Waarschijnlijk omdat hier de continuïteit met The Bell Curve het sterkste opvalt. Er wordt meteen met scherp geschoten op de intersectionaliteit, omdat deze analyse van rechtsgeleerde Kimberlé Crenshaw de drie topics van het boek in elkaar weeft en haar opvattingen diametraal staan tegenover die van Human Diversity.
Murray gaat een eind mee in het sociaal constructivisme van Crenshaw, maar betoogt dat dit niet decisief is. Volgens hem spelen omgevingsfactoren een kleinere rol dan genen in de persoonlijkheid en de sociale status van mensen, wat gestut wordt met een waaier van psychometrische onderzoeken en epigenetische kennis. De klassenstructuur heeft een substantiële genetische component die vooral met IQ te maken heeft. Had ik al gezegd dat Human Diversity eigenlijk een vervolg is op The Bell Curve? Murray besluit zijn boek met een pleidooi voor de rehabilitatie van de Menselijke Natuur. Hij ziet zichzelf in dezelfde ploeg als David Hume, Edward. O. Wilson, Richard Dawkins en Steven Pinker, met aan de andere kant van de stip Karl Marx, Richard Lewontin, S. J. Gould en uiteraard de Critical Race Theory (CRT).
Voor Murray is wetenschap die naam pas waardig als gezocht wordt naar causale paden en predictieve validiteit. Unisono met Pinker drukt Murray de lezer op het hart dat het niet de bedoeling kan zijn een rangorde tussen sociale groepen in te stellen en dat individuen nooit beoordeeld mogen worden op de algemene kenmerken van de groep. In een tweede reflectie wil Murray zijn gerevitaliseerde humanisme aansluiten op een ideologie die volgens hem goed spoort met liberalisme. De maxime van die ideologie is dat 'samenlevingen zich moeten aanpassen aan de menselijke natuur, want de menselijke natuur kan niet in het keurslijf van theoretische utopieën gedwongen worden'. De ethische is-ought controversy is daarmee van de baan.
Murray herhaalt dat outcomes grotendeels bepaald worden door genetische loterij en dat tegelijk het sociaal milieu onmiskenbaar pervasief causaal is, maar dat de manipuleerbaarheid van dat laatste beperkt blijft. Overheidsinterventies blijken in een liberale maatschappij steeds weer fragiele resultaten van korte duur op te leveren. Men kan er best mee stoppen. Murray ziet wel heil in een universeel basisinkomen. Ten slotte vindt hij dat het morele vocabularium ervan moet uitgaan dat menselijke waardigheid niet mag worden afgemeten aan IQ. In de lijn van Aristoteles vindt de schrijver dat het geslaagde leven om een gewaardeerde plaats moet gaan die je hebt als anderen je missen wanneer je er niet meer bent. Wat ook letterlijk in The Bell Curve staat.
_Wat links heet
Juiste cijfers kunnen uiteraard selectief gebruikt worden en op die manier de waarheid geweld aandoen, maar het is voor een modale lezer niet evident dat op eigen houtje te ontdekken. Men vertrouwt dan op de pers en daar was in casu weinig voorbehoud te vinden. Human Diversity lijkt in alle opzichten betrouwbaar wetenschappelijk, maar uiteindelijk blijkt het tegelijk een politiek manifest, een veel meer uitgesponnen en ingewikkelder versie van wat zowel Van Grieken en als Goeyers deden.
Crenshaw en CRT vermeldden we al, maar ik wil wat daar verteld wordt kort vergelijken met visies à la Murray (er zijn immers nog conservatieve opiniemakers die met wetenschappelijke munitie schieten). CRT is zoals Netflix: vooral Amerikaans, maar met eigen verhalen ook in Europa een begrip geworden. Ander vergelijkingspunt met Netflix is de nadruk op het narratief waarin subjectieve ervaringen minstens even belangrijk zijn als feiten. Die ervaringen gaan over discriminatie van gender, ras en klasse, want die zijn volgens de kritische theorie endemisch en systemisch. De grootvaders van CRT zijn Marx en Engels, die rond 1846 in Die Deutsche Ideologie (publicatie 1932) schreven dat wetten, instituten en zelfs kennis enkel dienen om de macht van de bourgeois over de arbeider te verzekeren. Michel Foucault actualiseerde die idee en CRT maakt ze tot een wet van Meden en Perzen. Wetenschap wordt radicaal gedegradeerd tot een verdrukkend instrument van het dominante vertoog. En gender, ras en klasse zijn sociale constructen. Punt uit. Van Marx wordt ook overgenomen dat het er niet op aankomt de maatschappij te beschrijven, maar haar te veranderen. CRT is expliciet activistisch. De dwarsliggende epistemologieën van CRT maken het niet evident wetenschappelijke bijdragen te leveren, maar in tegenstelling tot wat men dan verwacht, zal wie academisch werk over gender- of rassenproblematiek wil citeren vlugger CRT-teksten vinden dan materiaal op basis van cijfers. CRT neemt een ambivalente positie in: enerzijds is wetenschap verdacht, anderzijds worden er massa's academische teksten gepubliceerd. Academisch en wetenschappelijk kun je dus best niet langer in één adem vernoemen. Een concreet voorbeeld van wat dat oplevert is dat The Critical Race Theory (2013), een canonieke anthologie van Stefan Delgado en Jean Stefancic, geen voetnoten of referenties bevat. Het punt dat CRT uiteindelijk maakt, is dat de liberale doctrines niet voldoen, dat het klassieke socialisme tekortschiet en enkel positieve discriminatie zoden aan de dijk kan brengen. Conclusie en argumentatie sluiten naadloos aan op elkaar. Of liever: ze vallen samen. Een en ander wil niet zeggen dat CRT prietpraat is. De problemen die aangekaart worden zijn reëel, en een aantal pijnlijke analyses staan buiten kijf.
Het kan best wezen dat men meer sympathie en/of affiniteit heeft met CRT dan met Murray, maar Murray kun je aanvallen op zijn eigen terrein. Zijn discours staat daar principieel voor open. CRT daarentegen is te nemen. Het lijkt meer op een geloof dan op een theorie.
Maar is dat niet oké? Dient wetenschap niet om gebruikt te worden, om ons vooruit te helpen? Als data glashelder aantonen dat een schoonmaakmiddel inspuiten niet echt rendeert tegen COVID-19, is het dan niet beter hier geen budget aan te spenderen? Geldt die redenering dan ook niet op het sociale terrein? Is aangepast onderwijs enkel zinnig als de opbrengst op de investeringen groot genoeg is? Of moet politiek meer zijn dan op de cijfers letten? Of gaat het om een evenwicht tussen twee opties en op basis waarvan moet dat dan bepaald worden?
De sociale wetenschappen hanteren twee discoursen met academische status die elk een grondig verschillende methode hanteren en niet onverwacht onverzoenbare oplossingen aanreiken. Welke is de meest overtuigende? Paradoxaal genoeg zou Murray de voorkeur moeten krijgen bij wie hierboven naar de kant van Goeyers neigt, want allebei verkiezen ze cijfers boven verhalen. Daar staat tegenover dat de conclusies van Murray en Van Grieken beter bij elkaar passen. Politieke wetenschappen, het lijkt soms een contradictio in terminis.
Kwintessens
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven).
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws