Vrijzinnige Vrouwen
Geschreven door Machteld de Schrijver
  • 317 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

8 maart 2021 Vrouwelijke artiesten: onterecht onbekend en onbemind
Kunst wordt aanzien als een spiegel van de maatschappij en reflecteert de mentaliteit van een bepaalde periode. Het onderzoek van kunst legt enerzijds de evolutie, de vooruitgang of het verval van een samenleving bloot. Anderzijds wordt kunst ook aanzien als iets zeer persoonlijks, als de individuele uitdrukking of de expressie van een wezen met een eigen mening, temperament en persoonlijkheid en gevoelens.
Onze Europese cultuur en geschiedenis – dus ook de Belgische en de Vlaamse – is lang een 'mannenzaak' geweest. Mannen bepaalden de orde, de hiërarchie en de kunstgeschiedenis. Ze beheersten de instellingen en de musea. Het onderwijs was lang uitsluitend gericht op jongens. Musea hingen lang vol met werken van mannelijke artiesten. Filosofen, psychologen en andere gezaghebbende wetenschappers en denkers twijfelden eraan of vrouwen wel een artistiek gevoel hadden en in staat waren om kunst te scheppen. Deze stereotypen over de seksen of gendervooroordelen hebben de kunst ook in verschillende categorieën ingedeeld. Bepaalde vormen, zoals onder andere textielkunst, weven, borduren, maken van kledij en kunstbloemen, creëren van ceramiek en sieraden en schilderen van miniaturen werden gedegradeerd tot 'toegepaste kunst' of 'kunstnijverheid'. Er kwam een scheiding tussen lagere categorieën van kunst en de meer nobele beeldende kunst. Vrouwen bleven als 'scheppers' ook lang anoniem.
Vanaf de prehistorie tot het einde van de middeleeuwen hebben vrouwen de opgesomde kunstvormen beoefend, gezongen en muziekinstrumenten bespeeld. Wegens de fijnere en kleinere vorm van handafdrukken in prehistorische grotschilderingen wordt vermoed dat vrouwen hieraan meegewerkt hebben. We kennen enkele artiesten bij naam uit de antieke Oudheid, dankzij onder andere teksten van de Griekse en Romeinse schrijvers Cicero, Vergilius en Plinius de Oudere. We zien vrouwen ook afgebeeld bij artistiek werk, zoals onder andere bij het versieren van vazen, op Grieks antiek aardewerk. Vanaf de periode van de middeleeuwen zijn er meer namen van vrouwelijke artiesten bekend. Teksten (gildedocumenten en -verslagen), literatuur en miniaturen bewijzen dat vrouwen actief meehielpen in het milieu van de ambachten en de gilden, bij de brouwers, slagers, wijnhandelaars enzovoort. Opvallend veel vrouwen zijn in Vlaanderen en Noord-Frankrijk actief geweest in de textielindustrie. In Brugge waren in de jaren 1480 circa vijfentwintig procent van de leden vrouwen. De bedrijfjes mochten na de dood van de echtgenoot door de weduwe verder geleid worden op voorwaarde dat de zoon ook mee ingeschakeld was. Een andere interessante informatiebron is de The Canterbury Tales van Chaucer. Borduren en textiel waren vaak bezigheden van aristocratische vrouwen, terwijl religieuzen of nonnen zich onledig hielden met het kopiëren en illustreren van religieuze teksten (de Bijbel, liederen), kalligrafie en het maken van altaarversieringen. Vrouwenkloosters waren toen vakkundig geleid door ongehuwde vrouwen van koninklijke of aristocratische families. Een van de bekendste geborduurde wandtapijten uit de Middeleeuwen is het Tapijt van Bayeux, bewaard in Bayeux en gemaakt na de slag van Hastings (veldslag van 1066). Voor onze streken zijn onder andere de abdissen Renilde en Herlinde van Maaseik als kopiisten en verluchtsters bekend. De Duitse abdis en mystica Hildegard von Bingen (1098-1179) was zowel intellectueel als artistiek actief. Ze schreef verschillende boeken over haar visioenen, een mirakelspel, verhandelingen over geologie, natuur, kosmologie en geneeskrachtige planten, een dieetleer en over erotiek. Hoogstwaarschijnlijk heeft ze haar teksten zelf geïllustreerd. Ze maakte tientallen muzikale composities en ontwierp een eigen alfabet. De 'Sybille van de Rijn' kreeg in 2012 de titel van kerklerares. Vanaf de 13e eeuw en door de groeiende macht van de steden zullen commerciële manuscriptenateliers de concurrent van kloosters worden.
De Renaissance is de eerste periode in de westerse geschiedenis waarin een aantal seculiere vrouwelijke kunstenaars internationale bekendheid verwierven. In de Renaissance werd niet alleen de antieke Oudheid herontdekt en kritische zin en nieuwsgierigheid gepromoot. Er ontwikkelde zich in de Italiaanse bakermat ook een humanisme of een filosofie die de waardigheid van alle mensen bevestigde. De status van vrouwen werd verhoogd. De identiteit van de individuele kunstenaar werd belangrijk. Bocaccio, Christine de Pisan en Baldassare Castiglione hebben in hun boeken vrouwen vermeld of de visie verdedigd dat vrouwen moesten kunnen deelnemen aan alle soorten kunsten. In 1563 richtte de veelzijdige Giorgio Vasari de allereerste Academie op, de 'Accademia delle Arti del Disegno', in Firenze. Artiesten werden voortaan door het volgen van allerlei cursussen en het tekenen van naakten intellectueel en praktisch gevormd, los van de gilde. Het was vrouwen echter verboden om in de academie naakten te tekenen. De meest succesvolle vrouwelijke artieste was Sofonisba Anguissola (1569-1573). Onze jonge Anton van Dijck heeft haar nog op 96-jarige leeftijd bezocht en om raad gevraagd. Andere vrouwelijke artiesten waren o.a. Lavinia FontanaFede Galizia en Barbara Longhi. Bij ons werd de miniaturiste en portretschilder Levina Teerlinc gevormd. Ze is tussen 1510 en 1520 in Brugge geboren en in Londen overleden op 23 juni 1576. Ze was de oudste dochter van de beroemde Brugse miniaturist Simon Bening of Benninck. Ze werd na Holbein de hofschilder van Hendrik VIII en nadien eredame van Maria I en Elizabeth I. Ze kreeg in het kader van de VRT-actie 'Meer vrouw op straat' een boom in het Koningin Astridpark te Brugge. Iets later was Caterina of Catharina van Hemessen (geboren in 1527 of 1528 te Antwerpen - overleden ?) actief. Ze was de tweede dochter van de succesvolle maniëristische schilder en kunsthandelaar Jan Sanders van Hemessen en specialiseerde zich in realistische en kleine portretten. Ze werd lid van de Antwerpse Sint-Lucasgilde, waar ze mocht lesgeven. Ze werkte na haar huwelijk met een organist als hofschilder bij onze landvoogdes Maria van Hongarije, in Brussel. Het koppel volgde Maria en keizer Karel naar Castilië. Over Caterina's laatste levensjaren is weinig geweten. Noch de datum, noch de plaats van haar overlijden is bekend. Ze maakte in 1548 het oudst bewaard gebleven zelfportret van onze streken en was de eerste vrouw die haar werken signeerde. Guicciardini beschreef haar in zijn werk Descrittione tutti i paesi bassi (1567) "als een van de uitstekende vrouwen in de kunst die nog in leven zijn".
In de barokperiode waren eveneens verschillende vrouwelijke artiesten actief. Wegens het verbod naakte mannen te tekenen, hebben enkele Italiaanse schilderessen zich gespecialiseerd in het schilderen van het vrouwelijk lichaam. Artemisia Gentileschi (1593-1565) is de bekendste artieste. Verkracht door een collega en vriend van haar schilderende vader en nadien uitgehuwelijkt aan een onbekend schilder, om de eer te redden, ontpopte ze zich in Firenze tot een ambitieuze kunstenares. Ze maakte grote schilderijen van bijbelse en historische heldinnen, die geconfronteerd met leed door hun krachtdadige of gewelddadige actie hun lot wisten te bepalen. Haar werken waren zeer realistisch en hadden opvallende licht-donkercontrasten, wat doet denken aan Caravaggio. In deze periode ontwikkelde zich rond 1600 ook het stilleven als nieuw en belangrijk kunstgenre. Josefa de Óbidos, Giovanna Garzoni en Louise Moillon waren in Portugal, Italië en Frankrijk als bloemstukschilders actief. Maar ook in onze Lage Landen waren er uitmuntende kunstenaressen. Clara Peeters (geboren tussen 1580 en 1509 en actief tot 1567) muntte uit in het schilderen van kleinschalige banketjes of ontbijtstukken, visschotels, bloemstukken en composities met voedsel en exotische luxegoederen. Over haar leven is weinig geweten. Gildenarchieven geven geen info. Hoogstwaarschijnlijk was Osias Beert haar leraar en was ze om allerlei redenen een Antwerpse. Ze was de eerste artieste die visstillevens en wild schilderde. Zoals Jan Van Eyck verwerkte ze miniatuurportretten in haar composities. Van haar bleef ook een zelfportret bewaard, uit 1618. In 2016 werd ze belicht op twee tentoonstellingen, in het Antwerpse Rockoxhuis en het Padomuseum van Madrid. OKV (Openbaar Kunstbezit Vlaanderen) omschreef haar toen als 'de koningin van de bloemschilderkunst'. Onlangs werd het plein en de tuin bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Antwerpen tot Clara Peetershof omgedoopt. Een ander hoogtepunt van het schilderen van stillevens speelde zich in ons buurland af, in de Noordelijke Nederlanden, tijdens de Gouden Eeuw. Daar drongen twee vrouwen door tot de top van dit schildersgenre. Maria van Oosterwijck (20 of 27 augustus 1630 - november of december 1696) werd een internationaal gerenommeerde bloemenschilder. Ze was eerst de assistente van de beroemde schilder Willem van Aelst, maar werd nadien onafhankelijk. Haar schilderijen vielen op door de grote precisie en de nauwkeurig nageschilderde bloemen, die ze eerst in de hortus botanicus had bestudeerd en geschetst. Haar werken haalden vanaf 1667 topprijzen en kwamen terecht in tal van koninklijke collecties. Daardoor kon ze zich een dure woning veroorloven aan de chique Keizersgracht van Amsterdam en aan goede werken doen. Toch werd ze als lid van de gilde geweigerd. Rachel Ruysch (Den Haag, mei 1664 - Amsterdam, 1750) groeide op temidden van kunst en wetenschap. Haar vader was Frederik Ruysch, een vooraanstaand arts, lijkenbalsemer, 'rariteitenverzamelaar', tekenaar en professor botanica en haar moeder was een afstammelinge van de artistieke familie Post. Haar ouders lieten haar wegens haar talent lessen volgen bij Willem van Aelst en Maria van Oosterwijkck. Rachel specialiseerde zich in 'bosgrondjes' en betoverende composities met bloemen. Ze schilderde niet naar de levende natuur, maar naar modellen en geprepareerde bloemen. Ze trouwde in 1693 met de portretschilder Juriaen Pool (1666-1745), behield haar meisjesnaam, kreeg tien kinderen en werd in 1701 als eerste vrouw lid van de schildersgilde 'Confrerie Pictura' in Den Haag. Ze is 86 jaar oud geworden en schilderde nog toen ze 84 was!
In Frankrijk werd op vraag van Lodewijk XIV in 1648 de 'Koninklijke Academie voor Schilder- en Beeldhouwkunst' opgericht. Circa 19 jaar later werd er met een kunstexpositie of de 'Salon' gestart, dat vanaf 1737 openbaar toegankelijk werd. Vanaf 1791 werden niet-academieleden, amateurkunstenaars en dus ook vrouwen voor de 'Salon' toegelaten. Vrouwen bleven zeer lang de trouwe steun of de toeverlaat van de mannelijke artiesten en waren met andere woorden de stimulerende muze. Ze werden lang opgevoed, behoed en beschreven of bezongen zoals men ze graag had. Ze konden zich enkel artistiek ontplooien als ze van begoede huize waren. Zoals hoger beschreven, waren ze gevormd door de vader of de oom, of door een broer of echtgenoot. De visie van Proudhon, "La femme est faible, d'une nature imparfaite", bleef lang het politieke en morele argument om vrouwen aan de Academies te weigeren. Vrouwen konden vanaf de 19de eeuw steeds meer bij beroemde kunstenaars privélessen volgen; denken we maar aan Jacques-Louis David, zijn leerling Jean-Dominique Ingres, Jean-Baptiste Greuze en onze schilder Jean-François Navez. In 1805 en vanaf 1817 openden er in Parijs professionele kunstscholen voor vrouwen. Een volgende belangrijke stap waren de gemengde privéscholen 'Académie Filippo Colarossi' en 'Académie Rodolphe Julian', die vanaf 1870 en 1880 dozijnen kunstenaressen hebben aangetrokken. Pas in 1897 werden naar aanleiding van de acties van Hélène Bertaux vrouwen in Frankrijk aan academies toegelaten. België heeft het kunstonderwijs vroeger voor meisjes opengesteld. Vanaf 1850 werd hierover al gedebatteerd. Na het openstellen van de Belgische universiteiten voor vrouwen – de 'Université Libre de Bruxelles' in 1880, de 'Université de Liège' in 1881 en de Gentse Universiteit in 1882 – konden de academies immers niet meer achterblijven. Aspirant-kunstenaressen volgden samen met de jongens vanaf januari 1889 in Brussel les aan de 'Académie Royale des Beaux-Arts'. Later kregen ze een aparte 'Cours de peinture pour jeunes filles', vanaf oktober 1896. Niet verwonderlijk dat in musea vanaf de afdelingen van de 19de eeuw vele vrouwennamen opduiken!
_Internationale Vrouwendag 2021
Bekijk hier de andere bijdragen ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag 2021.
Vrijzinnige Vrouwen
Machteld de Schrijver, ex-docente kunstgeschiedenis en verantwoordelijke van vzw Culturama
_Machteld de Schrijver -
Meer van Machteld de Schrijver

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws