Kwintessens
Geschreven door Nele Strynckx
  • 1015 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

27 januari 2021 Positieve discriminatie als maatschappelijke correctie
In een column in De Standaard (18/01) stelt Joren Vermeersch dat positieve discriminatie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet. Hij meent dat men kansengroepen, zoals mensen met een niet-Europese afkomst of vrouwen, bevoordeelt bij sollicitaties omdat men soms quota opstelt bij (overheids)bedrijven, of premies en subsidies als incentive geeft om mensen uit die groepen aan te werven. De column geeft een overzicht van de verworvenheden in de wetgeving die leidden tot meer gelijkheid.
De Franse bezetting van onze streken, aldus Vermeersch, leverde uiteindelijk iets positiefs op: gelijkheid voor de wet van elke 'citoyen'. 'Citoyennes' moesten weliswaar wachten tot 1976, toen de laatste discriminatie op basis van geslacht uit ons wetboek was weggewerkt. Hij vermeldt niet wie dan precies die 'citoyens' zijn, want het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen in België kwam er pas in 1919, dus flink na het einde van de 18e eeuw.
In 1994 werd met het verbod op discriminatie volgens Joren Vermeersch de kroon op het werk gezet, tot 'het staatsapparaat' zélf ging discrimineren door andere regels op te stellen voor bepaalde categorieën van mensen, zijnde personen met een andere etnische afkomst, een andere geaardheid of een ander geslacht (dan het mannelijke).
Als we puur kijken naar het gelijkheidsbeginsel, kan ik Joren Vermeersch wel bijtreden: als het beleid bij een bedrijf stelt dat 1/3 van de raad van bestuur een vrouw moet zijn en meer dan 2/3 is al man, dan moet het volgende plaatsje naar een vrouw gaan en hebben mannelijke kandidaten niet dezelfde kans.
Maar in zijn verontwaardiging daarover gaat hij wel voorbij aan het volgende: als de laatste hindernis naar gelijkheid pas in 1994 uit de Grondwet is verdwenen, dan zijn er honderden jaren gepasseerd waar er wél ongelijkheid en discriminatie was. Eeuwen waarbij een beperkte groep mensen (adel, rijke industriëlen, westerse mannen … ) zonder al te veel concurrentie belangrijke posities konden innemen en maatschappelijke instituties vorm gaven, denk aan de politiek, de economie, justitie, media, en het (universitair) onderwijs.
Joren Vermeersch vergeet dat met het invoeren van een antidiscriminatiewet in 1994 niet de hele samenleving gereset werd en iedereen weer vanaf nul begon. Zonder 'steuntje in de rug' door zogenaamde positieve discriminatie lukt het vaak niet om bepaalde functies op te nemen. Zelfs al sta je achter non-discriminatie, er blijven sluimerende vooroordelen waaraan moeilijk te ontkomen is. Ik herinner me een les die ik een vijftal jaar geleden gaf, toen enkele van mijn leerlingen twijfelden of zij wel voor Hillary Clinton zouden stemmen, mochten ze Amerikaans zijn. Sommigen dachten echt dat ze als vrouw minder geschikt was voor deze belangrijke functie. Anderen stelden niet zozeer haar capaciteiten in vraag, maar waren wel bezorgd dat bepaalde andere wereldleiders haar niet ernstig zouden nemen.
Joren Vermeersch lijkt ook te impliceren dat mensen die door positieve discriminatie de voorkeur krijgen op een andere kandidaat, alleen maar aangenomen worden omwille van een bepaald kenmerk, zoals geslacht, afkomst, geaardheid, niet omdat ze even goed zijn als de andere kandidaten. Ik kan me moeilijk voorstellen dat je iemand aanneemt louter omdat hij een andere huidskleur heeft en iemand met betere capaciteiten afwijst. Maar als twee kandidaten inhoudelijk evenwaardig zijn, dan mag je er toch naar streven wat meer diversiteit in je team te brengen? Men houdt bij sollicitaties vast ook rekening met hoe sympathiek een kandidaat overkomt, of je liever een introverte medewerker aanwerft of wie weet zelfs iemand met dezelfde muzieksmaak.
Joren Vermeersch gaat ook voorbij aan het feit dat deze positieve discriminatie evenzeer kan werken voor mannen: directies kunnen – bij evenwaardige kandidaten – kiezen voor een mannelijke kleuterleider, onderwijzer of leerkracht omdat hun korps al uit 85% vrouwen bestaat. Bedrijven die huishoudhulp aanbieden, willen wellicht graag wat meer mannelijk personeel, net als de woonzorgcentra. Maar misschien zijn deze sectoren niet machtig genoeg? Welke impact op de samenleving kun je hebben als poetshulp of bejaardenhelper? Vermeersch lijkt dus vooral bang te zijn dat in 'belangrijke' sectoren mensen uit de zogenaamde kansengroepen meer invloed krijgen.
Ten slotte is Joren Vermeersch zeer selectief in zijn kritiek op de overheid. Als je het niet oké vindt dat de overheid zorgt voor een maatschappelijke correctie op de arbeidsmarkt, dan kun je op veel andere sociaal-corrigerende maatregelen kritiek hebben. Bijvoorbeeld het principe van progressieve belastingen: hoe groter je inkomen, hoe meer belastingen je procentueel betaalt (of zou moeten betalen, maar dat is weer een andere discussie). Dit is 'discriminatie' op basis van inkomen, toch? Pleit Joren Vermeersch misschien voor een algemeen tarief van 30% belastingen op élk inkomen, ongeacht hoe groot of klein dat is? Dat is gelijk, maar niet rechtvaardig. Misschien moeten we dan ook studietoelagen afschaffen, want dit discrimineert gegoede ouders die méér moeten betalen voor de studies van hun kinderen dan minder gegoede ouders … De overheid past heel wat corrigerende maatregelen toe om te streven naar 'equity', niet zozeer naar 'equality', naar rechtvaardigheid en kansengelijkheid, meer dan naar pure gelijkheid.
Deze cartoon maakt dit mooi duidelijk.
Kwintessens
Nele Strynckx is leerkracht gedragswetenschappen, cultuurwetenschappen en onderzoekscompetenties in het GO! atheneum Ieper.
_Nele Strynckx -
Meer van Nele Strynckx

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws