• |
Het Vrije Woord
Geschreven door Stijn Bruers
  • 209 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

18 april 2020 Mensenrechten en dierenrechten hebben hetzelfde filosofisch statuut
Philippe Juliam beargumenteert dat er drie verschillen zijn tussen mensenrechten en dierenrechten: mensenrechten zijn volgens hem wel afdwingbaar, universeel en onvervreemdbaar, dierenrechten niet. Ik denk dat geen van die drie verschillen het geval zijn.
Deze tekst is een reactie op 'Bestaan er dierenrechten? Over het filosofisch statuut van mensen- en dierenrechten', de tekst van Philippe Juliam verschenen in het mensenrechtennummer van Het Vrije Woord. Lees hier de reactie van Michel Vandenbosch, voorzitter en medeoprichter van de dierenrechtenorganisatie GAIA, op diezelfde tekst.
_Afdwingbaarheid van rechten
Zijn mensenrechten altijd afdwingbaar of opeisbaar? Nee, niet in de zin volgens Juliam. Hij stelt dat mensenrechten pas bestaan als ze minimaal erkend worden door de dragers ervan en/of als de dragers hun eigen rechten kunnen afdwingen. Maar er zijn bijvoorbeeld mentaal gehandicapte mensen met dezelfde cognitieve en psychische beperkingen als niet-menselijke dieren. Dus als volgens Juliam die laatsten geen dragers kunnen zijn van rechten, dan kunnen sommige mensen dat ook niet zijn. Dan kunnen we niet meer zomaar spreken van mensenrechten. Dit is het bekende argument van de mentaal gehandicapten ('argument of marginal cases') in de dierenethiek.
_Universaliteit van rechten
Juliam beweert dat mensenrechten wel en dierenrechten niet universeel zijn: "Mensenrechten beschermen alle mensen over heel de wereld, dit betekent in principe alle leden van de soort homo sapiens, zonder uitzondering." Maar we kunnen de letters 'mensen' vervangen door 'apen' (en 'soort homo sapiens' door 'infraorde Simiae'), en dan kunnen we evengoed zeggen dat apenrechten universeel zijn, net zoals bijvoorbeeld zoogdierenrechten. Wij zijn nog sterker aap en zoogdier dan dat we mens zijn, want mensen vormen een deelverzameling van de apen en zoogdieren.
Met universaliteit bedoelt Juliam: "toepasbaar op alle leden van de groep". De vraag is dan welke groep? De blanken? De mannen? De volwassenen? De mensen? Traditioneel ging men in de ethiek eerst de verzameling van alle fundamentele rechten formuleren, en vervolgens gaan we na welke groep van wezens die rechten krijgen. Dan zien we doorheen de geschiedenis een uitbreiding van de morele gemeenschap, de geselecteerde groep van rechthebbende wezens. We gingen spreken van vrouwenrechten, kinderrechten … Maar als we in dit proces op een willekeurige plaats stoppen, bijvoorbeeld bij de groep van mensen, dan riskeren we willekeur, want er zijn zoveel groepen. Als we uit de verzameling van alle groepen een groep selecteren, zonder daarbij een selectieregel te volgen, dan is dat willekeur. En als wezens die niet tot die geselecteerde groep behoren de consequenties van dergelijke willekeurige uitsluiting niet willen, dan spreken we van ongewenste willekeur of discriminatie.
Om dergelijke ongewenste willekeur te vermijden, stel ik de omgekeerde strategie voor: we vertrekken van de voorwaarde dat werkelijk alles en iedereen in het heelal (ook dieren, planten, planeten, computers, wolken, atomen) tot de groep (de morele gemeenschap) behoort en dus een even sterke aanspraak maakt op basisrechten, en vervolgens gaan we na we welke verzameling van rechten we kunnen geven aan alles in de groep. De voorwaarde dat alles behoort tot de groep, is een strenge eis die de mogelijke basisrechten sterk beperkt. We komen dan tot misschien wel het meest fundamentele recht: het recht dat uw lichaam niet tegen uw wil in gebruikt mag worden als middel voor de doelen van iemand anders. Dit recht op lichamelijke zelfbeschikking verwijst naar 'lichaam' en 'wil', wat wil zeggen dat het altijd vanzelf, triviaal voldaan is bij de objecten in het heelal die geen gevoel of besef hebben van het eigen lichaam (zoals computers en wolken) en geen subjectieve wil hebben (zoals planten en planeten). Enkel voor voelende / willende wezens – of kortweg 'dieren' – is dit recht niet vanzelf voldaan. We kunnen nooit dit basisrecht van een computer of een atoom schenden, maar van een voelend dier wel. En zo komen we tot het idee van dierenrechten: we leiden dat af uit het universaliteitsbeginsel, de voorwaarde dat alles tot de groep behoort en dat rechten gelden voor alles en iedereen. Dit is het fundamentele verschil met bijvoorbeeld mensenrechten: uit geen enkele formulering van mensenrechten kunnen we afleiden dat die rechten enkel niet-triviaal zijn voor alle en alleen mensen. Bij de formulering van het recht om niet tegen de eigen wil in gebruikt te worden, kunnen we wel afleiden dat dit recht enkel relevant is voor de willende wezens, die we voor de eenvoud aanduiden met 'dieren'.
_Onvervreemdbaarheid van rechten
Mensenrechten zijn volgens Juliam niet verhandel- of opschortbaar. Er kan niet op worden afgedongen en ze kunnen niet voor iets anders wijken. Dierenrechten zouden volgens hem wel vervreemdbaar zijn. Juliam schrijft: "De natuur is een amorele jungle […] waar de termen onopschortbaarheid of onontvreemdbaarheid van basisrechten dan ook logischerwijs geen enkele betekenis hebben. In de natuur is er geen morele code die iets verbiedt of verplicht." Als dit een argument tegen dierenrechten is, dan is het ook tegen mensenrechten, want in heel zijn redenering kan men telkens het woordje "natuur" vervangen door "wereld". De redenering blijft dan even (on)geldig, maar ze wordt ook van toepassing op mensenrechten.
Juliam haalt in zijn argumentatie het interessante probleem van dierenleed in de natuur aan (het 'wild animal suffering problem'). Een wilde leeuw in de natuur veroorzaakt leed bij prooidieren, en kent zelf ook leed als hij wordt gedood door andere leeuwen. Juliam schrijft: "Heeft deze leeuw dezelfde rechten als onze leeuw in de zoo?" Volgens mijn bovenstaande redenering zouden de wilde leeuw en de dierentuinleeuw hetzelfde basisrecht hebben om niet tegen hun wil in gebruikt te worden. Bij de dierentuinleeuw wordt dat basisrecht geschonden: de leeuw zit er tegen zijn wil en wordt gebruikt als middel tot vermaak van toeschouwers.
Maar wat met andere rechten, zoals het recht om geholpen te worden? Volgens Juliam: "Antwoordt men neen, dan ontstaat er discriminatie tussen twee klassen van leeuwen, de gedomesticeerde bourgeois leeuw in de zoo of in het circus die alle rechten verdient en de paria leeuw in de natuur die aan zijn lot wordt overgelaten." Maar in zijn betoog geeft Juliam meteen een argument waarom een "neen" geen discriminatie hoeft te zijn: "Antwoordt men ja […] moet men massaal gaan ingrijpen in de natuur." Vermoedelijk doelt Juliam hier op de praktische onhaalbaarheid van massale ingreep in de natuur. Als we de ene groep van leeuwen niet gaan helpen omwille van onhaalbaarheid, en de andere groep van leeuwen wel omwille van haalbaarheid, dan is dat geen discriminatie, want het verschil in behandeling tussen die twee groepen is niet gebaseerd op willekeur: het is gebaseerd op haalbaarheid.
Juliam schrijft: "Allicht dat niemand van de natuur een reservaat wil maken waar alle leed verdwenen is, dat zou dan ook meteen de dood van de natuur zijn." Nu betwijfel ik of het vermijden van leed bij wilde dieren leidt tot de dood van de natuur, maar we kunnen zeggen dat van de natuur een reservaat maken geen goed idee is als dat betekent dat er daarbij iets heel waardevol verloren gaat. Zo zou je dus kunnen beargumenteren dat een leeuw nog mag jagen op een gazelle: als die leeuw niet mag jagen, dan mag niemand nog jagen, en dan sterven heel veel populaties uit door verhongering. De waarde van biodiversiteit kan men dan inroepen om te zeggen dat we niet de gazelle moeten redden.
Deze argumentatie werkte ik vijf jaar geleden uit in mijn doctoraat over de ethische consistentie van dierenrechten. Maar na mijn doctoraat kwam ik tot het inzicht dat we heel voorzichtig moeten zijn met deze redenering: we mogen niet onze eigen voorkeuren (zoals onze esthetische voorkeur voor biodiversiteit) laten primeren boven de belangrijkere voorkeuren van wilde dieren. Als een leeuw een mens zou aanvallen, zouden we dat niet zomaar tolereren. Het zou discriminatie zijn als we dan wel de dood van die gazelle moeten tolereren omwille van onze esthetische voorkeur voor biodiversiteit. Wij hebben niet de plicht om naar Afrikaanse dorpen te gaan om er kinderen te beschermen tegen hongerige leeuwen, en zo ook hebben we niet de plicht om gazelles op de savanne te beschermen. Maar predatie is net zoals alle andere vormen van wildedierenleed niet onschuldig. Een consistente dierenethiek leidt er volgens mij toe dat we moeten beginnen met wetenschappelijk onderzoek naar veilige en doeltreffende manieren om de natuur te helpen in het bevorderen van het welzijn van alle wilde dieren. Het is nu nog te vroeg om uitspraken te doen over hoe we het predatieprobleem best oplossen. Toevallig kwam er na mijn doctoraatsonderzoek belangstelling bij dierenactivisten om na te denken over wildedierenwelzijn. Zo ontstond bijvoorbeeld de nieuwe organisatie Wild Animal Initiative.
_Automatisch mensdenken
De argumenten van Juliam onthullen een 'automatisch mensdenken', waarbij hij systematisch en zonder gefundeerde reden verwijst naar 'de mens'. Juliam schrijft: "Mensenrechten zijn immers sociale constructen die niet onafhankelijk van de mens bestaan. […] Mensen doen mensenrechten bestaan. […] als er morgen geen mensen meer zijn, ook alle dierenrechten meteen verdwijnen." In al die zinnen kan men de letters 'mens' evengoed vervangen door 'dier', of 'zoogdier', of 'placentadier', of 'smalneusaap', of 'individu', of 'volwassene'. De argumenten blijven dan even zinnig of zinloos. Het is willekeur om uit al die mogelijke groepen de groep van mensen te selecteren als men daar geen goede reden voor kan geven.
Het is bovendien zeer ironisch dat Juliam kritiek heeft op het bestaan van iets als dierenrechten, terwijl hij wel vaak de uitdrukking 'de mens' in de mond neemt. 'De mens' is nu eens een duidelijk voorbeeld van een concept dat niet bestaat, net zoals 'de blanke', 'de smalneusaap' of 'het zoogdier' niet bestaan. Volgens de biologie zijn er geen scherpe grenzen te trekken tussen soorten: denk aan hybriden en chimeren. Ook de evolutietheorie zegt dat er geen grens is tussen mens en dier: stel dat alle voorouders van mensen en dieren nog zouden leven, dan gaat een opdeling van die wezens tussen mens en dier duidelijk willekeur bevatten. We kunnen bij onze voorouders geen niet-menselijk dier aanduiden wiens kind een mens was. De eerste mens heeft nooit bestaan: zelfs al heb je alle wetenschappelijke kennis van de volledige biologie van al onze voorouders, dan nog kun je niet bepalen wie de eerste mens was. Alle tussenvormen tussen u en een kip hebben ooit geleefd op deze planeet. Het idee van mensenrechten is gebaseerd op het willekeurige feit dat die tussenvormen nu niet meer bestaan, waardoor we nu wel een onderscheid kunnen maken tussen mensen en andere dieren.
Omdat 'de mens' niet bestaat, bestaan mensenrechten niet. Omdat een uitspraak zoals "de mens is de enige soort die rechten kan opeisen" evenveel steek houdt als "de smalneusaap is de enige parvorde die rechten kan opeisen", kunnen we net zo goed spreken van smalneusaaprechten als van mensenrechten. De meeste mensen, maar niet alle, kunnen rechten opeisen, en hetzelfde kunnen we zeggen van de smalneusapen. Om al die willekeur te vermijden en in overeenstemming te zijn met de evolutietheorie, is er maar een optie: we moeten alles en iedereen toelaten tot de morele gemeenschap. En zoals eerder vermeld, kunnen we met die voorwaarde het idee van dierenrechten afleiden.
Het Vrije Woord
Auteur van de boeken 'Morele Illusies' (Houtekiet) en 'Beter Worden in Goed Doen, Vergroot je Impact met Effectief Altruïsme' (Lannoo)
_Stijn Bruers Moraalfilosoof
Meer van Stijn Bruers

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws