• |
Het Vrije Woord
Geschreven door Leo Neels
  • 307 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

12 maart 2019 De Aalsterse sabbat-praalwagen: misplaatst zeker, maar strafbaar?
De Aalsterse praalwagen met de afbeelding van Chassidim-joden was ongetwijfeld smakeloos en misplaatst. Vanuit de Belgische Joodse gemeenschap werd, zoals gebruikelijk, direct gereageerd op de dubieuze uitbeelding van de ethnisch-religieuze groep, o.m. door het Forum der Joodse Organisaties en het Coördinatiecomité van Joodse Organisaties in België.
Ditmaal kwam ook vanuit de Europese Commissie vrijwel direct een strenge mondelinge veroordeling, die werd gekaderd in de strijd van de Commissie tegen alle vormen van antisemitisme, van alledaagse online en offline haatboodschappen tot fysieke aanvallen, met een herinnering aan de Holocaust. Het is, aldus de woordvoerder van de Commissie, aan de nationale autoriteiten om actie te ondernemen in individuele zaken, op basis van de toepasselijke wet.
Die laatste verwijzing is niet gratuit, want het staat m.i. allerminst vast dat de weliswaar wansmakelijke praalwagen een inbreuk zou vormen op het verbod van discriminatie op etnische of religieuze grond.
Het gaat om de wijze waarop men naar de zaken kijkt, en daarin treedt zeker een verschuiving op. Gedurende decennia werd uitingsvrijheid voornamelijk beoordeeld vanuit het standpunt van degene die zich uit. Ongepaste, radicale, extreme, banale, stuitende of weerzinwekkende uitingen : het valt allemaal onder het grondwettelijk gewaarborgd recht om op elk gebied zijn mening te uiten. Volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens dekt de vrijheid van meningsuiting immers ook de uiting van opinies die choqueren, storen of beledigen.
_Uiten van vrije mening vergt incasseringsvermogen
De kern van de ruime uitingsvrijheid is immers net de vrijheid om iets te zeggen waarmee anderen het niet eens zijn. Die vergt dus van toehoorders of van degenen die het voorwerp zijn van een uiting een ruim incasseringsvermogen.
Men voelt het spanningsveld, en dat blijkt uit de omstandigheid dat belediging, of laster en eerroof – het bewust toebrengen van reputatieschade – in het Strafwetboek steeds strafbaar waren en het ook zijn gebleven. Maar het zwaartepunt lag toch beslist bij ruime uitingsvrijheid, die grote tolerantie vooronderstelt bij wie van sommige meer extreme of misplaatste uitingen niet gediend is.
_Van gelijkheid naar bescherming tegen discriminatie
Langzaam maar zeker is dan aan dat forse standpunt een dimensie toegevoegd, en is men de uitoefening van uitingsvrijheid ook meer en meer gaan bekijken vanuit het standpunt van de mogelijke ontvangers, of van degenen waarover de uitingen gaan.
Zo werden in het verlengde van het gelijkheidsbeginsel steeds meer expliciete rechtsbeschermingsgronden aangevoerd, in de vorm van de bescherming tegen discriminatie: bescherming tegen elke vorm van ongepaste discriminerende behandeling omwille van het ene of andere kenmerk.
Typisch ging het dan om herkomst, huidskleur, zogenaamde raciale kenmerken of religieuze overtuiging. Vandaag gaat het om een hele reeks criteria zoals handicap, leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, gezondheidstoestand, vermogen, fysieke kenmerken, burgerlijke staat, politieke of syndicale overtuiging, geboorte, of nog, sociale afkomst en dergelijke.
_Zijn alle mensen nu gelijk of zijn ze verschillend?
Men bemerkt aan de steeds uitgebreider geworden catalogus van mogelijke discriminatiegronden dat dit nieuwe denken redelijk ver opgerekt is: de catalogus van mogelijke discriminatiegronden is voortdurend uitgebreid. Als men er logisch over doordenkt, is zo'n catalogus bij definitie altijd te beperkt, niet? Maar de geest is uit de fles.
En zo staan we steeds verder af van de aanvankelijke gelijkheidsopvatting volgens welke al dergelijke kenmerken in beginsel geen afbreuk konden doen aan het recht op gelijke behandeling door overheden of derden. Ze werden volstrekt geneutraliseerd: alle mensen zijn verschillend, en met die verschillen houden we geen enkele rekening: dat is – of moet ik nu schrijven "was" – toch de kern van het gelijkheidsbeginsel.
Een filosoof zou zeggen: "We zijn allen metafysisch gelijk. We worden geacht ons te gedragen alsof al die vaak goed waar te nemen verschillen tussen personen er niét zijn. Eeniéder heeft recht op gelijke behandeling." Een sterk beginsel, toch!
_Recht op bescherming tegen toegebracht leed
De nieuwe lezing nu is evenwel dat dergelijke kenmerken wél een versterkte bescherming geven. Men wordt nu beschermd tegen toegebracht leed ingevolge handelingen die op ongepaste wijze een verschillende behandeling voorbehouden aan personen, omwille van een kenmerk dat als discriminatiegrond is aangemerkt. Voorbeelden legio: de weigering van een job omdat een kandidaat van het ene of het andere geslacht is, of de weigering van toegang tot een publiek toegankelijke gelegenheid omwille van huidskleur of zgn. raciale kenmerken, enz.
_De tektonische platen van de mensenrechten verschuiven drastisch
Allemaal goedbedoeld maar deze drastische conceptuele verschuiving van de tektonische platen van de mensenrechten is in werkelijkheid impressionant. Ze is ook nog weinig geanalyseerd in haar conceptuele constitutionele grondslag, en derhalve nog steeds enigszins confuus.
Zou het om die reden zijn dat er nu overheidsorganen, zoals UNIA, mee belast zijn om te waken over dergelijke discriminatiegronden? De klassieke leer van de mensenrechten hield destijds spontaan in dat overheden zich vooral erg terughoudend moesten opstellen op dit domein, maar nu werden we plots voorstanders van overheidsactivisme tegen sommige gevolgen van de uitoefening van fundamentele rechten en vrijheden. Tja…
_Zijn uitingen ook handelingen?
Aan de moeilijkheid werd nog een dimensie toegevoegd toen ook uitingen als "handelingen" werden beschouwd die onder toepassing vallen van de discriminatieverboden. Daar was een behoorlijk grondwettelijk argument tégen, namelijk dat uitingen nu nét een grondwettelijke en verdragsrechtelijke uitzonderingspositie hebben die hen onderscheidt van alle andere handelingen. Maar daar is in één pennentrek overheen gestapt.
Wel heeft verdere rechtspraak de meest fatale gevolgen van deze rechtsprakelijke misstap beperkt, door dan te vergen dat men een bijzondere opzet moet kunnen aantonen voor strafbaarstelling van discriminerende uitingen.
_Terug naar de praalwagen
En zo belanden we terug bij de Aalsterse praalwagen. Voorzeker beeldt die de chassidische mannen uit op stereotiepe wijze, de afbeeldingen zijn helder. Men kan het er snel over eens zijn dat dit misplaatste humor is, ongepaste bejegening van personen, en oerdom. Maar zou de praalwagen, in de omstandigheden van het geval, ook een strafbare uiting kunnen zijn?
Dat is voor grote twijfel vatbaar, precies wegens de uitzonderlijke omstandigheden waarin de stuitende vertoning werd opgevoerd: het Aalsters carnaval. Voor sommigen het hoogtepunt van het jaar en een toppunt van humor. Voor anderen over de top, stuitend en weerzinwekkend.
Welke mening men op dat vlak ook toegedaan is, één zaak is wel dat met carnaval in Aalst met álles en eeníéder op respectloze wijze de draak wordt gestoken. Met mannen, vrouwen, politici, BV’s, televisiegezichten, voetballers en andere publieke figuren en met alle mogelijke groepen uit de samenlevingen, ongeacht… juist ja: ongeacht al die kenmerken die eerder in deze tekst in het lijstje van de discriminatiewet voorkwamen.
Eenieder wordt ongenadig over de hekel gehaald en in zijn gezicht uitgelachen of voor gek versleten. Het is daar geen cursus in wellevendheid of goed gedrag, het gaat net om het tegendeel, vaak meer om decadentie dan humor. Maar fijnzinnigheid is geen juridisch criterium.
_De rechter en carnaval
Rechters moeten bij de beoordeling van opiniedelicten die omstandigheden mee in hun afweging betrekken. En dan blijkt dat er bij de meeste veroordelingen voor racistische of antisemitische uitingen geen dergelijke context was, of dat er toevoegingen waren van negationistische aard of van oproepen tot haat of geweld jegens de bedoelde personen of groepen van personen.
De Aalsterse praalwagen, de karikaturale en satirische afbeelding van chassidische mannen, hoe misplaatst ook, mist naar mijn oordeel net de kenmerken die tot strafbaarheid kunnen leiden. Minstens schijnt het bijzonder opzet te ontbreken, het gaat om een verkeerde inschatting van humor.
Stuitend maar toch niet strafbaar, zoals het hoort onder een ruim vrijheidsregime. Daarin is het wederwoord en de repliek van groter belang dan het verbod.
Hoe groter de vrijheid, hoe vrijer chassidim, net zoals anderen die weleens onvriendelijk worden bejegend, hun leven kunnen leiden. Dat is toch de kern van het samenleven van allen, in al onze verscheidenheid, die we willen?
De tekst verscheen eerder op VRT NWS.
Het Vrije Woord
-
_Leo Neels Hij was hoogleraar Communicatierecht bij KU Leuven en UAntwerpen en is CEO van de denktank Itinera.
Meer van Leo Neels

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws